Lijdt Von der Leyen aan geheugenverlies?
Europa spreekt vandaag steeds harder over de risico’s van China: staatssteun, overcapaciteit, oneerlijke concurrentie, technologische afhankelijkheid en economische veiligheid. Die zorgen zijn niet helemaal uit de lucht gegrepen. De Europese Commissie omschrijft China vandaag tegelijk als partner, concurrent en systemische rivaal. Maar in het Europese (westerse) debat ontbreekt opvallend een belangrijk deel van het verhaal: Europa’s elite en multinationals hebben zelf decennialang meegebouwd aan de economische positie van China en daar uitzonderlijk veel aan verdiend.
China trad in 2001 toe tot de Wereldhandelsorganisatie. Daarna groeide de handel explosief. Westerse ondernemingen verplaatsten productie naar China, bouwden er toeleverings- en productieketens en kregen toegang tot een markt van honderden miljoenen consumenten. Westerse consumenten kregen goedkopere producten. Amerikaanse, Europese en andere ondernemingen verdienden miljarden. De omvang van de huidige relatie blijkt bijvoorbeeld uit de Europese handelscijfers: de handel in goederen tussen de EU en China bedroeg in 2024 €732 miljard.
Washington zag de toetreding van China tot de WHO in 2001 niet alleen als een handelsakkoord. President Bill Clinton verklaarde in februari 2000 dat het WHO-akkoord China “from within” sneller zou veranderen dan alle economische openingen van de voorafgaande twintig jaar samen (sinds de Chinese opendeurpolitiek in 1978). De verwachting was dat economische integratie uiteindelijk ook tot politieke liberalisering (lees: kapitalisme en westerse democratie) zou leiden. Clinton zei in zijn toespraak over China en de WTO dat het akkoord economische verandering zou versnellen en China “from the inside out” zou veranderen. Ook de National Security Adviser van Clinton stelde dat China door toetreding tot het WTO-systeem sterker in de internationale orde zou worden geïntegreerd.
China in het westerse systeem integreren was een groot feest
Er zijn jammer genoeg geen bronnen die ons exact kunnen melden wat het cijfer is van de totale (netto-)winst die (multinationals en de elites van) Europa en de VS tussen 2000 en 2025 hebben gemaakt met hun activiteiten in China. Wel geven beschikbare data en onderzoeken een duidelijk beeld van de omvang en de aard van deze winsten, unisono: ze zijn aanzienlijk!
Voor de Verenigde Staten gaan de hoge winsten vooral naar de grote multinationals. Tussen 2000 en 2020 ligt het gemiddelde rendement op Amerikaanse directe investeringen (FDI) in China op 14,7%, aanzienlijk hoger dan het gemiddelde rendement op alle Amerikaanse buitenlandse investeringen (9,7%). In sommige jaren loopt dit rendement op tot boven de 16%, zelfs 33%.
De omzet van Amerikaanse bedrijven in China is – niet mijn woorden – “gigantisch”. De honderd grootste Amerikaanse bedrijven in China, maakten in 2025 een totale omzet van 310 miljard. De hoge winsten zijn sterk geconcentreerd. Apple is een treffend voorbeeld: het bedrijf haalt in 2024 een nettowinst van $93,7 miljard, vooral door zijn dominantie in de smartphonemarkt, waar het 80% van de winsten inpalmt met slechts 20% van de verkochte eenheden. De winstmarges van Apple stegen van 1,1% in 2003 naar 26,7% in 2012, terwijl die van zijn Taiwanese toeleverancier Foxconn juist daalden.
Ook de Duitse cijfers zijn veelzeggend. Tussen 1990 en 2020 cashten Duitse bedrijven €61,7 miljard aan netto winstinkomsten uit China, goed voor 15,9 procent van alle netto winstinstromen naar Duitsland in die periode. China was zo een van de belangrijkste bronnen van buitenlandse bedrijfswinsten voor Duitsland.
Europese ondernemingen verdienden in 2024 naar schatting €30 miljard winst in China, waarvan ongeveer €12 miljard als dividend naar Europa terugvloeide. Duitse bedrijven alleen realiseerden in de eerste drie kwartalen van 2024 ongeveer €15,1 miljard winst in China. Daarvan werd circa €9,1 miljard opnieuw in China geïnvesteerd.
Dat is de ongemakkelijke waarheid (en wellicht onderschatte, want er zijn geen globale onderzoeken) die in het huidige Europese China-discours volledig ontbreekt. China was niet alleen “de fabriek” die de Europese industrie bediende, het was ook een enorme markt waarin Europese (en Amerikaanse, Japanse…) bedrijven ontiegelijk veel geld verdienden. De schaal van de Europese economische verwevenheid wordt ook zichtbaar in de analyse van de Europese Commissie over EU-China exposure, waarin handel, investeringen en technologische afhankelijkheid gezamenlijk worden onderzocht.
De China-factor: goedkoop, vooral winstgevend
Na China’s WHO-toetreding steeg de Chinese export naar de Verenigde Staten tussen 2000 en 2006 met ongeveer 290 procent. Tegelijk daalden de Amerikaanse prijzen voor industriële goederen volgens onderzoek met ongeveer 7,6 procent. De studie van Amiti, Dai, Feenstra en Romalis komt uit op een daling van de Amerikaanse productieprijzen met 7,6 procent tussen 2000 en 2006 als gevolg van China’s WTO-toetreding.
Goedkope Chinese producten betekenen niet alleen druk op Amerikaanse producenten. Ze betekenen ook goedkopere consumptiegoederen, goedkopere onderdelen en lagere productiekosten voor (kleinere) bedrijven. En een minder precaire levensduurte voor de sociaal zwakste groepen. Dezelfde economische studie beschrijft hoe Amerikaanse consumenten profiteerden van lagere prijzen en een grotere variëteit aan producten.
Europa maakt gebruik van precies hetzelfde model. Europese ondernemingen konden productie goedkoper organiseren, hun marges stevig verhogen en hun internationale concurrentiekracht versterken. Dat China plotseling een gesloten Europese markt binnendrong was toen blijkbaar geen probleem. Westerse ondernemingen trokken zelf massaal China binnen om daar veel kapitaal te vergaren. De meerderheid van de S&P Global 1200 (index van de grootste bedrijven ter wereld) wist niet snel genoeg de Chinese markt te “ontdekken”. De huidige omvang van die handelsrelatie blijkt uit de Eurostat-cijfers: in 2024 exporteerde de EU voor 213,3 miljard euro goederen naar China en importeerde zij voor 517,8 miljard euro.
Dat maakt de huidige Europese verontwaardiging bijzonder selectief. Wat jarenlang is gepresenteerd als efficiënte globalisering, wordt nu steeds vaker beschreven als een strategische afhankelijkheid zodra Chinese ondernemingen zelf technologisch sterk genoeg zijn geworden om met Europese bedrijven te concurreren.
Staatssteun: een probleem, maar geen exclusief Chinees verhaal
De Europese kritiek op Chinese staatssteun verdient aandacht. Chinese banken, overheden en industriële programma’s spelen een grote rol in de economie. Maar Brussel doet alsof industriebeleid pas problematisch wordt wanneer Beijing het toepast.
De EU subsidieert namelijk al jaren zelf strategische sectoren. Er zijn Europese programma’s voor batterijen, halfgeleiders, waterstof, groene technologie en andere industrieën. Ook individuele lidstaten pompen miljarden in nationale kampioenen.
Als Chinese subsidies per definitie oneerlijk zijn en Europese subsidies “noodzakelijk industriebeleid” worden genoemd, ontstaat geen geloofwaardige handelsorde maar een dubbele standaard.
De elektrische auto legt de tegenstelling bloot
Nergens is die tegenstelling duidelijker dan bij elektrische auto’s.
Chinese fabrikanten hebben een enorme productiecapaciteit opgebouwd en worden door de consument steeds sterker vergeleken en meer aangeschaft dan Europese merken. Brussel vreest dat Chinese auto’s dankzij lagere kosten en mogelijke staatssteun Europese producenten uit de markt zullen drukken. De Europese Commissie voerde in 2024 inderdaad een antisubsidieonderzoek naar Chinese elektrische auto's en stelde vervolgens handelsmaatregelen in.
Alleen heeft Europa zelf jarenlang geprofiteerd van Chinese productiecapaciteit. Europese autofabrikanten produceerden in China voor de Chinese markt en gebruikten Chinese leveranciers en fabrieken om hun wereldwijde activiteiten uit te bouwen.
Hier wordt een fundamenteel probleem zichtbaar: Europa was jarenlang enthousiast over globalisering zolang Europese ondernemingen de meest winstgevende positie in de waardeketen bezaten. Nu China naar het hogere segment van die waardeketen opschuift, wordt dezelfde globalisering plotseling als veiligheidsrisico gelabeld. En dit mechanisme geldt bij uitbreiding voor de VS en het westen.
Overcapaciteit of succes op wereldmarkten?
Ook het begrip ‘overcapaciteit’ verdient een kritische blik. China produceert grote hoeveelheden zonnepanelen, batterijen, elektrische auto’s en andere industriële goederen. Europa vreest dat die productie de Europese markt overspoelt.
Maar exporteren is toch geen economische rariteit? Exporteren betekent niet “dumpen”. Duitsland produceert auto’s voor de wereldmarkt. Frankrijk exporteert wijn en vliegtuigen. Nederland landbouwproducten. Europa heeft nooit beweerd dat deze landen aan "overcapaciteit" lijden en hun producten ergens “dumpen” omdat ze meer produceren dan hun eigen bevolking consumeert.
Bij China wordt dezelfde economische logica plots problematisch. Er is Chinese overcapaciteit in sommige sectoren en ook Beijing erkent dat. Maar er is een verschil tussen inefficiënte productie en het simpele feit dat een land succesvol exporteert.
Bovendien creëert Chinese productie een merkwaardige Europese paradox. Brussel wil de groene transitie versnellen, maar Chinese zonnepanelen en batterijen behoren tot de goedkoopste ter wereld. Europa wil dus tegelijk goedkope Chinese groene technologie en bescherming tegen de Chinese producenten die haar maken.
Markttoegang werkt in twee richtingen
Europese ondernemingen hebben terechte klachten over beperkingen op de Chinese markt. Maar China kan vandaag met evenveel voorbeelden naar Europa wijzen: investeringsscreening, beperkingen rond 5G, exportcontroles op technologie, onderzoeken naar Chinese subsidies en invoerheffingen op elektrische auto’s. De Europese Commissie beschrijft zelf de omvang van haar handelsdefensieve instrumenten: eind 2024 waren er 199 handelsbeschermingsmaatregelen van kracht en in dat jaar werden 33 nieuwe onderzoeken gestart.
Het verschil is dat Europa zijn maatregelen doorgaans presenteert als bescherming van veiligheid, industrie of strategische autonomie. Wanneer China vergelijkbare argumenten gebruikt, spreekt Europa sneller over economische dwang. Dat is precies het soort dubbele standaard dat het vertrouwen tussen beide economische blokken ondermijnt.
Het probleem ontstaat wanneer Europa de geschiedenis van zijn eigen economische keuzes uit het verhaal verwijdert. Europese bedrijven zijn niet slachtoffer geweest van China’s opkomst. Ze investeerden er, produceerden er, verkochten er en verdienden er miljarden aan. Europese industrieën profiteerden van Chinese toeleveringsketens.
Een cruciale vraag is: “Waar gingen die mega-winsten die westerse multinationals en elites maakten naartoe?”
De “winsten” die de Chinese bedrijven genereren worden in de centrale planeconomie in grote lijnen besteed aan publieke diensten: de hogesnelheidstrein is daar een sterk voorbeeld van. Het netwerk van 60.000 km aan spoorwegen en stations, is een motor geweest van technologische ontwikkeling, infrastructuurwerken, tewerkstelling... en is vandaag verlieslatend. Toch blijft de overheid dit financieren omdat het de interconnectiviteit van steden en vooral van mensen, families... essentieel verbetert. De Chinese overheidscijfers over het spoorwegnet geven aan dat China eind 2024 al 48.000 kilometer hogesnelheidslijn had en tegen 2030 ongeveer 60.000 kilometer wil bereiken.
Dezelfde beleidskeuzes spelen evenzeer in de integratie van robotten in het dagelijks leven en de gezondheidszorg, de automatisering in de maakindustrie en massaproductie, de snelle 5/6G ontwikkeling ...
Naast de 800 miljoen mensen die China volgens de Wereldbank in amper vier decennia, tussen 1980 en 2020, uit de extreme armoede heeft gehaald, wijzen ook de inkomenscijfers op een geleidelijke verkleining van de ongelijkheid. De Gini-coëfficiënt, de internationale maatstaf voor inkomensongelijkheid, steeg van 0,28 in 1980 tot een piek van 43,7 in 2008, maar daalde vervolgens tot 36,0 in 2022. De actuele World Bank Poverty and Inequality Platform vermeldt voor China een Gini-index van 36,02 in 2022. Dat past bij de strengere fiscale aanpak van de superrijken en het streven naar "iedereen mee", een centraal uitgangspunt van het recente 15e Vijfjarenplan. De Chinese toelichting op het 15de Vijfjarenplan noemt “common prosperity for all” expliciet als een overkoepelende doelstelling. Ter vergelijking: België kwam in 2022 uit op 26,6 en de Verenigde Staten op 41,3.
Samenwerking is beter dan verdachtmaking en vijandigheid
De huidige discussie zou daarom niet hoeven te beginnen met de vraag hoe Europa China kan terugdringen. Ze zou moeten beginnen met een constructieve vraag: “Hoe bouwen we een evenwichtige economische relatie op, nu China niet langer alleen de fabriek is, maar ook een hoogstaande technologische en industriële partner?”
Europa hoeft daarbij niet naïef te zijn. Strategische afhankelijkheid van één land kan grote risico’s opleveren. Daar weten we als Europeanen alles van sinds de afbrokkeling van de almacht van de VS. Maar strategische autonomie is iets anders dan economische confrontatie.
Sinds juni 2026 is er de “EU-China Trade and Investment Consultations”, een nieuw overlegkader met vier consultatiekanalen. Dat biedt ruimte voor concrete afspraken over handelsproblemen.
Europa kan bijvoorbeeld meer Chinese marktopening voor Europese diensten en producten op tafel leggen. China zou meer transparantie kunnen bieden over subsidies en exportcontroles. Beide partijen kunnen afspraken maken over elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen en andere producten waarrond nu zoveel onnodige commotie bestaat. En via de WHO kunnen er gemeenschappelijke regels worden ontwikkeld voor bijvoorbeeld staatssteun en sturing van industriebeleid.
De belangrijkste stap is echter intellectueel: Europa moet over zijn eigen schaduw stappen, zijn eigen aandeel in de huidige situatie evalueren en constructief-assertief de overlegkamer binnenstappen.
Canada meer dan honing op de wonden
“Minder China” brengt de EU verder van huis. Dat bewijst nu net Canada, ons nieuw “geassocieerd lid van de EU”, als het van EU-commissievoorzitter von der Leyen af zou hangen.
De relatie tussen Canada en China is in 2026 opvallend snel aan het verbeteren, na jaren van zware spanningen. De belangrijkste motor daarachter is premier Mark Carney en zijn streven om Canada minder afhankelijk te maken van de Verenigde Staten. De Canadese regering omschrijft de nieuwe koers zelf als een poging om de handelspartners van Canada te diversifiëren.
In januari 2026 ging Carney naar Beijing, het eerste bezoek van een Canadese premier aan China sinds 2017. Hij ontmoette Xi Jinping en beide landen kondigden een nieuwe strategische samenwerking aan rond vijf terreinen: energie, handel en economie, veiligheid, multilateralisme en people-to-people initiatieven. De officiële Canadese verklaring over het bezoek bevestigt dat het bezoek de eerste Canadese premierreis naar China sinds 2017 was en dat energie, schone technologie, klimaat, landbouw en handel centraal stonden.
China is Canada’s tweede grootste handelspartner, met in 2024 ongeveer 130,9 miljard Canadese dollar aan handel in goederen en diensten. Ottawa heeft als doel de Canadese export naar China tegen 2030 met 50% te verhogen. Dat cijfer wordt bevestigd door het Canadese ministerie van Financiën.
Handelsspanningen worden geleidelijk afgebouwd
Een belangrijk resultaat is de normalisering van de landbouwexport. Sinds maart 2026 verlaagde China het gecombineerde tarief op Canadese koolzaadzaad van ongeveer 84 procent naar 14,9 procent. Dat opent opnieuw een markt die jaarlijks ongeveer 4 miljard Canadese dollar aan export vertegenwoordigt. Ook tarieven op onder meer erwten, kreeft, krab en koolzaadmeel werden opgeschort. China heropende bovendien de markt voor rundvlees van twintig Canadese vleesverwerkers. De Canadese regering beschreef de afspraken in januari 2026 als een voorlopige regeling om bestaande handelsproblemen op te lossen en nieuwe investeringen mogelijk te maken.
Daar staat een belangrijke Canadese maatregel tegenover: het heeft een quota veranderd waardoor jaarlijks 49.000 Chinese elektrische auto’s tegen een veel lager tarief kunnen worden ingevoerd. De officiële Canadese aankondiging vermeldt een quotum van maximaal 49.000 Chinese elektrische voertuigen tegen het meestbegunstigingstarief van 6,1 procent.
Energie wordt strategisch
Canada wil zijn enorme energie- en grondstoffenpotentieel sterker op Azië richten. China is inmiddels de belangrijkste koper van Canadese olie die via de Trans Mountain-pijpleiding over zee wordt geëxporteerd: volgens de Canadese overheid gaat ongeveer 60 procent van die zeetransporten naar China. Ook samenwerking rond schone technologie, klimaat, kernenergie en grondstoffen staat in de steigers.
De verslechtering van de relatie met Washington onder Trump maakt de toenadering tot China aantrekkelijker voor Ottawa. Carney probeert Canada’s handel te diversifiëren en de afhankelijkheid van één markt te verminderen. De Canadese regering spreekt zelf over het diversifiëren van handelspartners en investeringen.
Dat betekent niet dat Canada de VS kan vervangen door China. De Amerikaanse markt blijft veruit de belangrijkste voor Canada. Maar Ottawa lijkt wel duidelijk te zeggen: wij gaan niet langer economisch uitsluitend op Washington leunen.
En dat maakt de relatie Canada-China momenteel bijzonder interessant: van “diplomatieke ijstijd naar een pragmatische economische reset”, ookal blijven de andere visies op veiligheid bestaan. Van NAVO-lidmaatschap tot scepticisme over China versus Taiwan.
De duidelijke keuze voor een rationele “win-win” handelsrelatie met China kan een mooi voorbeeld zijn voor de EU, een eerste stap naar een nieuwe wending op het wereldtoneel.