Mevrouw Heremans, de wet verplicht geen hoofddoekenverbod
“Het is wettelijk bepaald, dus daar stopt de discussie.” Het klinkt logisch. Tijdens De Afspraak van maandag 14 september verwees Karin Heremans (directeur GO! Atheneum Antwerpen, nvdr) naar de gewijzigde regelgeving en een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om het hoofddoekenverbod te verdedigen. Daarmee zou de discussie afgesloten zijn.
Maar zo eenvoudig ligt het niet. Er wordt een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen wat de wet verplicht en wat de wet toelaat.
Het Europees Hof heeft geen algemene verplichting tot een hoofddoekenverbod uitgesproken
In de zaak Mikyas tegen België oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een klacht tegen het GO!-verbod op zichtbare levensbeschouwelijke kentekens voor leerlingen kennelijk ongegrond was. België beschikt binnen die specifieke context over een beoordelingsruimte om neutraliteit op die manier in te vullen.
Dat is iets heel anders dan beslissen dat ieder hoofddoekenverbod voortaan rechtmatig is. Bovendien ging het over leerlingen, niet over leerkrachten.
In de zaak van Hadija Amajoud kwam het Vlaams Mensenrechteninstituut tot een ander oordeel. De Geschillenkamer stelde directe en indirecte discriminatie en intimidatie vast. Het provinciebestuur had onvoldoende aangetoond waarom het verbod noodzakelijk en evenredig was.
Dat is geen tegenspraak met het Europees Hof. Het gaat over verschillende situaties en verschillende juridische toetsen. Het argument dat een Europese beslissing de discussie definitief beëindigt, houdt dus geen stand.
Dat is geen tegenspraak met het Europees Hof. Integendeel: het EHRM laat België net een beoordelingsruimte om zelf invulling te geven aan neutraliteit. Dat een verbod binnen die ruimte kan vallen, betekent niet dat elk hoofddoekenverbod automatisch rechtmatig of niet discriminerend is. Concrete regels moeten nog steeds afzonderlijk aan het discriminatierecht worden getoetst.
De Grondwet verplicht neutraliteit, geen hoofddoekenverbod
Er is nog een hardnekkig misverstand. Voorstanders van het verbod stellen geregeld dat ze simpelweg het neutraliteitsprincipe invoeren en daarmee de Grondwet toepassen.
Nergens schrijft de Grondwet voor dat neutraliteit uitsluitend gerealiseerd kan worden door religieuze kentekens te verbieden
Artikel 24 van de Belgische Grondwet verplicht de gemeenschap inderdaad om neutraal onderwijs in te richten. Daarbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar de eerbied voor de filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van ouders en leerlingen.
“De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.”
Nergens schrijft de Grondwet voor dat neutraliteit uitsluitend gerealiseerd kan worden door religieuze kentekens te verbieden. Een overheid kan kiezen voor een exclusieve invulling, waarbij zichtbare levensbeschouwelijke kentekens worden geweerd. Ze kan ook kiezen voor een inclusieve invulling, waarbij de nadruk ligt op neutraal handelen en gelijke behandeling, terwijl individuele overtuigingen zichtbaar mogen blijven. Uiteraard moeten concrete maatregelen steeds aan de toepasselijke rechtsregels voldoen.
Wie beweert dat een hoofddoekenverbod simpelweg de uitvoering van de Grondwet is, laat dus een essentieel onderdeel van het verhaal achterwege: de overheid maakt zelf een keuze over de invulling van neutraliteit. En die keuze moet juridisch verantwoord worden.
Een reglement wijzigen maakt discriminatie niet plots rechtmatig
Dat brengt ons bij Hadija. Zij werd aangeworven terwijl ze een hoofddoek droeg. Ze functioneerde jarenlang goed en kreeg positieve evaluaties. Pas nadat haar hoofddoek ter discussie werd gesteld, volgden maatregelen en werd uiteindelijk het personeelsreglement gewijzigd.
Vervolgens moest zij kiezen tussen haar hoofddoek en haar beroep. Het Vlaams Mensenrechteninstituut oordeelde dat de toepassing van het verbod in haar situatie discriminerend was.
Daarmee wordt de zwakte van het argument “ze moet gewoon de regels volgen” duidelijk. Een overheid kan regels wijzigen, maar die regels blijven onderworpen aan hogere rechtsnormen en discriminatiewetgeving.
Ook de overheid moet zich aan de wet houden
En los van de juridische discussie blijft een fundamentele vraag onbeantwoord: waarom zou een leerkracht die jarenlang goed functioneerde plots niet meer in staat zijn om neutraal les te geven omdat het reglement gewijzigd is?
Een hoofddoek is op zichzelf geen bewijs van indoctrinatie
Neutraliteit gaat niet uitsluitend over wat iemand draagt. Het gaat ook over hoe iemand handelt, leerlingen behandelt en onderwijs verstrekt. Een hoofddoek is op zichzelf geen bewijs van indoctrinatie. Net zoals het ontbreken van een hoofddoek geen garantie is op neutraliteit.
Het is perfect legitiem om verschillende opvattingen over neutraliteit te hebben. Maar een rechterlijke beslissing die een bepaalde invulling toelaat, beëindigt het democratische debat over welke invulling we als samenleving wenselijk vinden niet.
Dat debat is des te belangrijker wanneer de gevolgen zo ingrijpend zijn dat een leerkracht haar beroep verliest. Karin Heremans mag een bepaalde visie op neutraliteit verdedigen. Maar die visie voorstellen als de enige mogelijke juridische uitkomst doet geen recht aan de complexiteit van het dossier.
De wet verplicht ons om neutraal onderwijs te organiseren. Ze verplicht ons niet om van een hoofddoek een reden voor ontslag te maken.
Mohamed Amin Chaib is voorzitter en medeoprichter van Muslim Rights Watch België (MRWB). Vanuit zijn ervaring in het onderwijs en het maatschappelijk middenveld houdt hij zich bezig met thema’s als discriminatie, gelijke kansen, onderwijs en de positie van moslims in de samenleving. Daarnaast is hij auteur van verschillende boeken.