Analyse

Waarom ons onderwijs ongelijkheid niet doorbreekt, maar organiseert

Afbeelding
Foto: DepositPhotos.com
Foto: DepositPhotos.com
Ons onderwijs stoomt jongeren niet klaar voor de toekomst, maar sorteert ze voor op de arbeidsmarkt. Door vroege opsplitsing en het watervalsysteem creëren de schoolbanken een schadelijk kastensysteem dat sociale ongelijkheid diep verankert.

Kastensysteem 

Binnen ons maatschappelijk stelsel is het onderwijs en de manier waarop het wordt georganiseerd cruciaal en dat heeft alles te maken met de arbeidsmarkt. 

Het doel en de essentie van het economisch systeem waarin we leven is namelijk de accumulatie van zoveel mogelijk kapitaal. Naast uitbuiting van de natuur wordt dat kapitaal, of die rijkdom, geproduceerd door arbeid. Om die accumulatie maximaal te laten verlopen is een gunstige arbeidsmarkt essentieel. 

Anders gezegd, om de winsten te maximaliseren is er een arbeidsmarkt nodig die afgestemd is op de behoeften van het kapitaal. En die behoeften zijn opgesplitst. Voor high tech-sectoren en voor het management is hooggekwalificeerd personeel nodig. Dat zijn mensen die theoretisch gevormd zijn, die autonoom kunnen denken, leiding kunnen geven en heel veel skills hebben. 

Omgekeerd hebben sectoren als constructie, transport, retail enzovoort hebben juist laag gekwalificeerd personeel nodig: praktisch geschoold (een stiel), weinig algemene kennis en vlot inzetbaar. Belangrijk, zij mogen niet te hoog geschoold zijn, want dat zouden ze minder volgzaam zijn en ook hogere looneisen kunnen stellen. 

Ons onderwijs is georganiseerd op basis van hiërarchie én segregatie

Dat zijn de twee uitersten. Daar tussenin zijn er heel wat sectoren of beroepscategorieën, die praktisch gericht zijn, maar wel een zekere theoretische vaardigheid vereisen. 

Om de boel goed draaiend te houden zijn die verschillende profielen en kennisvereisten nodig. Er mag er niet teveel of te weinig van het een of het ander zijn. Het kapitalisme heeft met andere woorden behoefte aan een soort kastensysteem binnen de arbeidsmarkt. 

Voorsortering in het onderwijs

En hier komt het onderwijs op de proppen, want binnen ons maatschappelijk stelsel is het onderwijs misschien niet perfect, maar dan toch vrij goed afgestemd op dat kastensysteem. Vanaf twaalf jaar worden leerlingen binnen ons schoolsysteem opgesplitst in drie categorieën: vroeger noemden ze dat ASO, TSO en BSO, vandaag klinkt het wat omfloerster: doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit, arbeidsmarktfinaliteit. Die mooie woorden verhullen dat we te maken hebben met hiërarchie én een segregatie. 

Het woord segregatie is niet overdreven: ASO-richtingen of ASO-scholen liggen bijna nooit op dezelfde campus als BSO-richtingen. Dat betekent dat leerlingen van de verschillende kennisniveaus heel weinig met elkaar in aanraking komen. 

Die verschillende kennisniveaus creëren een eigen bubbel met eigen hobby’s, vaak eigen klederdracht. Ze gaan samen uit, doen samen sport, enzovoort. BSO-kinderen gaan praktisch niet naar de jeugdbeweging. Zo’n bubbel is misschien geen kaste, maar het is er wel niet ver van verwijderd. 

Het grootste deel van mijn loopbaan heb ik lesgegeven in TSO en BSO, ik gaf er wiskunde en informatica, toen die nog als aparte vakken bestonden voor BSO. De vereisten volgens de eindtermen waren belachelijk laag: voor wiskunde was dat de regel van drie en het kunnen rekenen met procenten. Dat is het niveau van de lagere school. 

Nochtans kan het helemaal anders. In de derde graad leerde ik mijn leerlingen van BSO programmeren in Excel, en voor diegenen die het wat zegt: ik gaf mijn leerlingen financiële algebra en willekeurige driehoeken. Mijn leerlingen haalden niet alleen dat niveau, ze waren bovendien trots dat ze dat konden. 

Leerlingen worden door ons onderwijssysteem klaargestoomd om later minderwaardige en laagbetaalde jobs aan te nemen

Het lage niveau betreft niet alleen wiskunde, ook op taalvlak is het niet veel beter. Collega’s vertelden mij bijvoorbeeld dat BSO-leerlingen moeite hebben met films waarin veel wordt gesproken en ondertiteld. Bij een film over bijvoorbeeld een rechtszaak gaat de ondertiteling voor hen vaak te snel om het verhaal te kunnen volgen. Ze kunnen het gewoon niet zo snel lezen. Het taalniveau van leerlingen in de derde graad is soms lager dan het was in de eerste graad. 

Hetzelfde voor de andere algemene vakken zoals aardrijkskunde of geschiedenis. Van biologie, scheikunde of fysica is al geen sprake. Al die verschillende vakken worden in de BSO-richtingen opgenomen in een gemeenschappelijk vak ‘algemene vorming’. Het niveau van algemene kennis dat van deze leerlingen wordt verwacht, is in elk geval bedroevend laag.

Belangrijk is dat de leerlingen dat lage niveau op den duur gaan internaliseren. Zij gaan geloven dat zij qua kennis tot minder in staat zijn, en meer algemeen dat zij minder begaafd zijn. Zo worden zij door ons gesegregeerd onderwijssysteem klaargestoomd om later minderwaardige en laagbetaalde jobs aan te nemen. Er zijn gelukkig uitzonderingen (bepaalde knelpuntberoepen), maar die bevestigen de regel. 

Het tegenovergestelde, het elitaire bewustzijn, wordt gevormd in de zogenaamd sterke ASO-richtingen. Zij ontwikkelen een soort superioriteitsgevoel ten aanzien van de andere richtingen. Op die manier kneedt ons onderwijs het klassenbewustzijn van de toekomstige werknemers. 

Watervalsysteem 

Door het onderwijssysteem dat vanaf twaalf jaar in schotten wordt georganiseerd worden de leerlingen de facto voorgesorteerd voor de toekomstige gesegmenteerde en hiërarchische arbeidsmarkt. In ons onderwijssysteem wordt die voorsortering sterk in de hand gewerkt door het fameuze watervalsysteem. 

Elk jaar opnieuw krijgt ongeveer 7 procent van de leerlingen een B-attest. Dat wil zeggen dat je van een zogenaamd ‘sterke’ richtingen geheroriënteerd wordt naar een ‘zwakkere’ richting. Als je dat cumulatief bekijkt op de eerste vier jaar van het secundair onderwijs – want in de hoogste graad zijn er geen B-attesten meer – dan gaat dat over een vrij groot aantal. 

Dat heeft twee belangrijke gevolgen. Ten eerste dat heel wat leerlingen terechtkomen in richtingen waar ze eigenlijk niet thuishoren en waar ze qua algemene kennis ondermaats worden opgeleid. En ten tweede creëert men daardoor een grote uitstroom. 

Wiskunde is een soort bewaker van het kastensysteem op onze arbeidsmarkt

Het grote aantal B- en C-attesten (bij een C-attest moet een leerlingen zijn jaar overdoen) laat zien dat ons onderwijssysteem in vergelijking met andere landen niet de reflex heeft om leerlingen ‘bij te houden’, om er alles aan te doen om ze laten slagen. Het gevolg is dat één op acht leerlingen zijn diploma van secundair onderwijs niet haalt. 

In dat watervalsysteem speelt het vak wiskunde een grote en nefaste rol. Er wordt weinig systematisch onderzoek naar gedaan, maar de cijfers die ik gevonden heb bevestigen mijn eigen ervaring. In het ASO haalt elk jaar ongeveer één op zeven leerlingen een tekort voor wiskunde. Eén op zeven, dat is enorm en absurd. 

Wiskunde is ten onrechte een ‘buisvak’ of boemanvak. In het hoger onderwijs is dat nog erger met het vak statistiek. Dat vak is een echte gesel, terwijl statistiek binnen het wiskundedomein eerder een gemakkelijk onderdeel is. Hoe dan ook, wiskunde speelt een belangrijke rol in de segmentering van het onderwijs en is op die manier een soort bewaker van het kastensysteem op onze arbeidsmarkt. 

Samengevat: het onderwijs organiseert een segmentering die zeer functioneel is voor de arbeidsmarkt, maar die daardoor aan een grote groep mensen goede, degelijke vorming en scholing onthoudt. 

Sociale afkomst

Die voorsortering is dus allesbehalve een goede zaak. Maar er is meer aan de hand. Je zou mogen verwachten dat die voorsortering gebeurt op basis van talenten, intellectuele capaciteiten of schoolprestaties van het kind. Maar dat is slechts ten dele het geval. De sociale afkomst is hier sterk bepalend. 

Wie thuis ouders heeft die hoger onderwijs gedaan hebben, die boeken hebben, Nederlands als thuistaal spreken, huiswerk kunnen begeleiden of bijlessen kunnen betalen, krijgt een structurele voorsprong. Van de leerlingen van wie de moeder een universitair diploma heeft, zit 90 procent in het ASO en amper 1 procent in het BSO. Bij leerlingen uit een kwetsbaar gezin geldt het omgekeerde. 

Van echte sociale mobiliteit schiet weinig over

Die sociale determinatie wordt nog eens versterkt door een zogenaamd ‘verwachtingseffect’ bij leerkrachten. Als een leerling uit een kansrijk gezin faalt, wordt dat sneller gelezen als een uitzondering: die leerling kan het wellicht nog ophalen met bijles, ouderlijke steun of extra inspanning. 

Bij een leerling uit een kwetsbaar gezin wordt hetzelfde tekort sneller gelezen als bewijs dat de richting te moeilijk is. Zo hebben leerlingen uit een arm gezin tussen 40 en 50 procent meer kans op een C-attest dan leerlingen uit een rijk gezin. Voor B-attesten geldt iets gelijkaardigs. 

Zo bevestigt het onderwijs het kastensysteem van onze arbeidsmarkt die het net zou moeten doorbreken. In plaats van afkomst minder bepalend te maken, vertaalt het die vaak in studierichtingen, attesten en toekomstkansen. Van echte sociale mobiliteit schiet weinig over.

Wat is er nodig?

Om tot een meer democratisch onderwijs te komen, is een brede gemeenschappelijke stam tot ongeveer 15 à 16 jaar nodig [1]. Leerlingen blijven zo langer samen en worden niet vroeg opgesplitst in sterk verschillende richtingen. Die vorming moet algemeen, technisch én praktisch zijn en jongeren voldoende kennis meegeven om de wereld kritisch te begrijpen en er als burger aan deel te nemen.

Ook kleinere klassen zijn belangrijk, vooral in de eerste schooljaren. Zo kunnen leerkrachten leerlingen beter begeleiden en achterstanden sneller wegwerken. Dat vraagt voldoende personeel, ruimte voor remediëring en individuele begeleiding, en extra taalondersteuning waar dat nodig is.

De huidige concurrentie tussen scholen en onderwijsnetten drijft de ongelijkheid alleen maar op. Daar moeten we van af

Daarnaast moet de sociale segregatie tussen scholen worden teruggedrongen. Elk kind moet toegang hebben tot een goede, bereikbare en sociaal gemengde school. Het onderwijs mag niet zo georganiseerd zijn dat sommige scholen vooral kansarme leerlingen verzamelen, terwijl andere bijna uitsluitend kinderen uit hogere sociale milieus aantrekken. De huidige concurrentie tussen scholen en onderwijsnetten drijft de ongelijkheid alleen maar op. Daar moeten we van af. 

Er is nog veel werk aan de winkel. 

 

Note:

[1] Ik baseer me hier op het Memorandum van Oproep voor een democratische school voor de verkiezingen van 9 juni 2024. 

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?