Analyse

Iran heeft het debat verlegd

Afbeelding
Schrijver en historicus Vijay Prashad. Foto: UNCTAD, CC BY-SA 2.0
Schrijver en historicus Vijay Prashad. Foto: UNCTAD, CC BY-SA 2.0
Historicus Vijay Prashad schrijft dat Iran het debat over veiligheid in de Golf heeft verlegd. Hij analyseert hoe Teheran met regionale diplomatie en nieuwe afspraken over de Straat van Hormuz ook de militaire aanwezigheid van de VS en de bestaande veiligheidsorde ter discussie stelt.

Al meer dan drie decennia behandelen de Verenigde Staten de diplomatie in het Midden-Oosten als een oefening in het dicteren van de voorwaarden aan anderen. Irans opkomende regionale strategie daagt dat privilege uit. Het meest directe bewijs daarvan tekent zich af in de Straat van Hormuz. 

Iran en Oman onderhandelen over een regeling waarbij Teheran toezicht zou kunnen houden op schepen die de Golf binnenvaren, terwijl Oman het uitgaande verkeer beheert. Het voorstel ligt nog niet vast, maar het vertegenwoordigt iets groters dan een maritieme overeenkomst: Iran probeert de diplomatieke agenda weg te bewegen van de enge kwestie van de naleving van zijn nucleaire verplichtingen, richting de bredere veiligheidsarchitectuur van de Golf.

Sinds het einde van de Koude Oorlog begon de VS-diplomatie in het Midden-Oosten vaak met een vooraf vaststaande conclusie: Washington definieert de crisis, bepaalt welke partijen aanvaardbaar zijn en legt de grenzen van een uiteindelijke regeling vast. Onderhandelen wordt dan minder een discussie over de politieke orde dan een proces waarbij zwakkere staten wordt gevraagd die orde te aanvaarden.

De akkoorden die binnen dit systeem tot stand kwamen, waren niet letterlijk capitulatiedocumenten. Toch droegen ze vaak de politieke logica van capitulatie in zich: één partij behield de macht om te bepalen wat als naleving geldt, terwijl de andere moest bewijzen dat ze in aanmerking komt voor economische verlichting, politieke erkenning of beperkte zelfbeschikking.

Irak en Palestina

Irak was het duidelijkste voorbeeld. Na de Golfoorlog van 1991 verwoestten zware sancties een samenleving die al zwaar getroffen was. Het Olie-voor-voedselprogramma van de Verenigde Naties, dat in 1995 werd ingesteld via Resolutie 986 van de Veiligheidsraad, stond Irak toe beperkte hoeveelheden olie te verkopen, terwijl de opbrengsten via een door de VN gecontroleerd geblokkeerd rekeningensysteem werden gebruikt om humanitaire goederen te betalen.

Het werd voorgesteld als hulp, maar de onderliggende boodschap was onmiskenbaar: Irak kon alleen toegang krijgen tot zijn belangrijkste eigen hulpbron binnen een structuur die van buitenaf was ontworpen en gecontroleerd. Soevereiniteit was voorwaardelijk geworden en bestraffing - waaronder regelmatige bombardementen door de Verenigde Staten - werd gemeengoed.

De VS bepaalden de vraag waarop alle anderen geacht werden een antwoord te geven

Het Oslo-proces verliep anders, maar weerspiegelde een vergelijkbare machtsongelijkheid. De Beginselverklaring van 1993 werd rechtstreeks onderhandeld door Israëli’s en Palestijnen via een Noors kanaal en ondertekend in Washington. Ze bracht wederzijdse erkenning en creëerde tijdelijke Palestijnse instellingen, maar de regeling schoof de beslissende kwesties - staatsvorming, grenzen, Jeruzalem, vluchtelingen en nederzettingen - voor zich uit, terwijl de bezettende partij de controle behield over het grondgebied en de feiten op het terrein. 

Washington sponsorde een ‘vredesproces’ zonder de machtsasymmetrie recht te trekken die een rechtvaardige vrede zo ongrijpbaar maakte. Israëls bezetting van Oost-Jeruzalem, Gaza en de Westelijke Jordaanoever werd structureel en permanent.

In beide gevallen oefenden de Verenigde Staten en de instellingen die zij domineerden een krachtig privilege uit: zij bepaalden de vraag waarop alle anderen geacht werden een antwoord te geven.

Iran

Bij Iran draait die vraag al meer dan twee decennia om het dossier van kernwapens. De bezorgdheid begon niet in 2005 - de chronologie van het Internationaal Atoomenergieagentschap gaat terug tot intensieve contacten in 2002 en 2003 - maar de confrontatie verhardde na 2005, toen Iran opnieuw uranium-conversie-activiteiten in verband met kernenergie hervatte en het geschil richting de VN-Veiligheidsraad verschoof.

De Iraanse leiding verklaarde dat ze niet geïnteresseerd was in kernwapens, maar daar werd geen gehoor aan gegeven. Vanaf dat moment werd vrijwel elke discussie over Iran georganiseerd rond verrijkingsniveaus, centrifuges, inspecties, de tijd die nodig zou zijn om een kernwapen te kunnen produceren en verlichting van sancties.

De framing van Irans kernenergieprogramma als een kwestie van nucleaire proliferatie kwam Washington politiek goed uit. Ze herleidde een bredere strijd over Israëls kernwapenprogramma, militaire bases van de VS, sancties en maritieme controle, tot een test van hoeverre Iran zich daarin schikte. De Verenigde Staten konden zo een enorme militaire aanwezigheid in de Golf handhaven, terwijl Irans capaciteiten werden voorgesteld als de enige bron van instabiliteit.

Iran en Oman hebben vooruitgang gemeld bij een nieuwe regeling voor het scheepvaartverkeer door de zeestraat

Iran probeert dat debat nu om te keren. Via diplomatie waarbij Oman, Pakistan en andere staten in de regio betrokken zijn, stelt Teheran dat de nucleaire kwestie niet los kan worden gezien van de bredere architectuur van regionale veiligheid. De vraag is niet langer alleen welke beperkingen Iran zal aanvaarden, maar ook welke beperkingen zouden moeten gelden voor de militaire aanwezigheid en de dwangmacht van de Verenigde Staten en hun bondgenoten.

Daarom is de kwestie van de bases in de Golf van belang. Voor Washington zijn die installaties infrastructuur om de bondgenoten, energievoorziening en scheepvaart te beschermen. Vanuit het perspectief van Teheran zijn het vooruitgeschoven posities van een macht die Iran kan aanvallen, terwijl ze thuis grotendeels beschermd blijft tegen vergeldingsacties.

Irans argument is dat geen enkele duurzame regeling permanente terughoudendheid van Teheran kan eisen en tegelijk de militaire opstelling van de Verenigde Staten in West-Azië als onbespreekbaar beschouwt.

De opkomende discussie over de Straat van Hormuz maakt die omkering concreet. Iran en Oman hebben vooruitgang gemeld bij een nieuwe regeling voor het scheepvaartverkeer door de zeestraat. Volgens berichten over het voorstel zou Iran toezicht houden op het inkomende verkeer naar de Golf en Oman op de uitgaande vaarroute, waarbij nog onenigheid bestaat over een vorm van betaling voor veiligheids- of milieudiensten.

Afbeelding
CC BY-NC-SA 2.0, foto Rita Willaert
Straat van Hormuz- Oman - Musandam schiereiland, CC BY-NC-SA 2.0 Foto Rita Willaert

Het plan is nog niet definitief en Washington verzet zich tegen elke regeling die de vrije doorgang in het gedrang brengt of Teheran controle geeft over zijn eigen territoriale wateren. Toch is de politieke betekenis van de regeling die nu wordt besproken aanzienlijk.

Decennialang hebben de Verenigde Staten zichzelf voorgesteld als de ultieme garant van de scheepvaart in de Golf. De gesprekken tussen Iran en Oman wijzen op een alternatief principe: de staten die aan een strategische zeestraat grenzen, kunnen zelf de regels voor het functioneren ervan bepalen.

Die mogelijkheid legt ook een tegenstrijdigheid in het sanctiebeleid bloot. Als commerciële schepen de Golf moeten binnenvaren via een vaarroute die door Iran wordt beheerd, zullen reders, verzekeraars en banken moeten weten of verplichte Iraanse diensten, datasystemen of heffingen onder beperkingen van de VS vallen.

Enkel het varen door Iraanse territoriale wateren zou niet automatisch elke VS-sanctie schenden. Het juridische probleem zou niet voortkomen uit de doorgang op zich, maar uit betalingen aan Iraanse entiteiten, het gebruik van gesanctioneerde dienstverleners, risico’s voor verzekeraars en de verwerking van scheepsgegevens via een door Iran beheerd mechanisme.

Regeringen experimenteren met overlappende samenwerkingsverbanden waarin Washington niet langer de enige organisator, garant of architect is

Maar een functionerend, door Iran beheerd systeem zou Washington ertoe kunnen dwingen vergunningen af te geven, strikt afgebakende transacties te gedogen of het risico te lopen de handel te belemmeren die het naar eigen zeggen beschermt. Sancties zouden dan niet langer een instrument zijn dat in een politiek vacuüm wordt toegepast; ze zouden botsen met de praktische vereisten van de scheepvaart.

Wat dit betekent voor het bredere sanctiebeleid van het Pentagon, zal voor verzekeraars en scheepvaartbedrijven pas nadien duidelijker worden.

Het bredere regionale plaatje versterkt Irans argument. De verzoening tussen Iran en Saoedi-Arabië in 2023, die door China werd bemiddeld na eerdere gesprekken onder leiding van Irak en Oman, herstelde de diplomatieke betrekkingen tussen de twee belangrijkste rivalen in de Golf.

Ze maakte geen einde aan hun onderlinge rivaliteit en wiste hun conflicten niet uit. Maar ze liet wel zien dat de-escalatie tot stand kan komen door regionale onderhandelingen en niet-westerse bemiddeling - in dit geval in belangrijke mate door China - in plaats van door een US bombardementencampagne.

De bemiddeling door Pakistan en de groeiende veiligheidsdialoog tussen Saoedi-Arabië, Turkije en Pakistan wijzen in dezelfde richting, al mogen die niet worden aangezien voor een door Iran geleid blok. Deze staten hebben hun eigen belangen en koesteren soms een diep wantrouwen tegenover Teheran.

Hun betekenis ligt elders: regeringen in de regio experimenteren met overlappende samenwerkingsverbanden waarin Washington niet langer de enige organisator, garant of architect is. Militaire acties van de VS hebben herhaaldelijk afschrikking beloofd, maar tegelijk escalatie, ontheemding en nieuwe grieven voortgebracht.

Wie bepaalt de agenda? Wie beslist welke wapens, bases en allianties destabiliserend zijn?

Bombardementen kunnen installaties vernietigen en commandanten uitschakelen, maar ze kunnen geen legitieme regionale orde creëren. Evenmin kan een systeem stabiel zijn wanneer één staat: Israël over niet-aangegeven kernwapens beschikt, een volk blijft bezetten en er genocide tegen pleegt en zich gesterkt voelt om zijn buurlanden: Libanon, Iran en Syrië aan te vallen wanneer het dat wil.

De echte vragen

De echte uitdaging die Iran Washington heeft voorgelegd, is daarom conceptueel. Wie bepaalt de agenda? Wie beslist welke wapens, bases en allianties destabiliserend zijn? Wie controleert de waterwegen waarlangs de rijkdom van de regio wordt vervoerd? En moet elke regeling van buitenaf worden gegarandeerd, of kunnen regionale machten, ondanks hun onderlinge rivaliteiten, zelf afdwingbare afspraken maken?

De volgende regeling in het Midden-Oosten zal niet duurzaam zijn als ze op een capitulatiedocument lijkt. Ze zal nucleaire terughoudendheid, buitenlandse militaire aanwezigheid, maritieme toegang, sancties, raketten en wederzijdse niet-aanval moeten behandelen als onderdelen van één veiligheidsprobleem.

Irans verdienste is niet dat het dat probleem heeft opgelost. Wel dat het, na decennia waarin het gedwongen werd de vraag van Washington te beantwoorden, de regio ertoe heeft aangezet een andere vraag te overwegen. De kwestie is niet langer alleen wat Iran moet opgeven. Het gaat er ook om waarover elke macht (inclusief de Verenigde Staten) bereid moet zijn te onderhandelen.

 

Vijay Prashad is directeur van Tricontinental: Institute for Social Research. Dit artikel verscheen eerst bij Counterpunch.org

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?