Over het Mekka-akkoord en China’s veiligheidsdenken
Het Mekka-akkoord dat Saoedi-Arabië, Pakistan en Turkije op 7 augustus ondertekenden, kan een belangrijk keerpunt worden in de veiligheidsarchitectuur van West-Azië. Het akkoord bepaalt dat een gewapende aanval op één van de drie landen als een aanval op alle drie wordt beschouwd. Maar de betekenis ervan ligt dieper dan een wederzijdse defensiegarantie. Het laat zien dat regionale machten steeds nadrukkelijker hun eigen veiligheid willen organiseren, in plaats van die volledig afhankelijk te maken van een externe grootmacht. Dat blijkt ook uit de tekst van het akkoord en de eerste reacties.
Opmerkelijk is hoe sterk deze ontwikkeling aansluit bij een veiligheidsdenken dat Xi Jinping al in maart 2013 tijdens zijn bezoek aan Moskou uiteenzette. In zijn toespraak aan het Moskouse Staatsinstituut voor Internationale Betrekkingen stelde Xi Jinping dat de wereld fundamenteel veranderde en dat geen enkel land of machtsblok de internationale orde alleen kon bepalen. Hij pleitte voor een nieuw veiligheidsconcept, gebaseerd op wederzijds vertrouwen, wederzijds voordeel, gelijkheid en samenwerking.
Machtspolitiek en blokvorming moesten plaatsmaken voor samenwerking en politieke oplossingen voor conflicten
Dat was geen losse gedachte. In de Chinees-Russische gezamenlijke verklaring van maart 2013 werd expliciet gesproken over een nieuwe benadering van internationale veiligheid. De veiligheid van het ene land mocht niet worden opgebouwd ten koste van die van een ander land. Machtspolitiek en blokvorming moesten plaatsmaken voor samenwerking en politieke oplossingen voor conflicten. Dit concept staat inmiddels bekend als het idee van ondeelbare veiligheid.
Meer dan dertien jaar later zien we in West-Azië een ontwikkeling die opvallend goed aansluit bij die gedachte.
Saoedi-Arabië, Pakistan en Turkije vormen geen vanzelfsprekend militair blok met identieke belangen. Juist hun verschillen maken het akkoord interessant. Saoedi-Arabië beschikt over financiële en economische macht en een strategische positie aan de Golf. Pakistan beschikt over een groot leger en nucleaire afschrikking. Turkije beschikt over een omvangrijke conventionele krijgsmacht en een snel ontwikkelende defensie-industrie. Door hun capaciteiten te verbinden, ontstaat een regionaal veiligheidsmechanisme dat minder afhankelijk kan worden van één externe macht.
Daarom is het te simpel om het Mekka-akkoord een "islamitische NAVO" te noemen. Die vergelijking kwam vooral van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Hakan Fidan, die wees op de overeenkomst met artikel 5 van de NAVO. Maar dat zegt weinig over de bredere geopolitieke betekenis van het akkoord. Het gaat niet noodzakelijk om de vorming van een gesloten militair kamp, maar om het vergroten van de strategische autonomie van regionale machten. Reuters beschreef het akkoord dan ook vooral als een versterking van de regionale afschrikking.
Juist Iran is de sleutel tot de verdere ontwikkeling.
Als het nieuwe veiligheidsmechanisme uitsluitend bedoeld zou zijn om Iran in te dammen, verandert er uiteindelijk weinig aan de oude logica van de regio. Dan worden alleen de machtsblokken anders samengesteld. Maar Saoedi-Arabië heeft de afgelopen jaren juist geprobeerd zijn verhouding met Iran te normaliseren. Pakistan onderhoudt eveneens relaties met Teheran en Turkije heeft nooit gekozen voor een volledige confrontatie met Iran.
Veiligheid kan niet duurzaam worden bereikt door de onveiligheid van anderen te vergroten
Daarom kan het Mekka-akkoord ook anders worden gelezen: als een eerste stap naar een regionale veiligheidsstructuur waarin de landen van West-Azië hun eigen afschrikking ontwikkelen zonder elkaar automatisch tot vijand te verklaren.
Dat is precies waar Xi's veiligheidsdenken relevant wordt. Het uitgangspunt is niet dat landen hun militaire macht moeten opgeven, maar dat veiligheid niet duurzaam kan worden bereikt door de onveiligheid van anderen te vergroten. Regionale veiligheid ontstaat wanneer landen rekening houden met elkaars veiligheidsbelangen, geschillen via overleg proberen op te lossen en voorkomen dat rivaliserende machtsblokken permanent tegenover elkaar komen te staan.
In West-Azië betekent dit dat Iran uiteindelijk moeilijk buiten een regionale veiligheidsregeling kan blijven. Het land is geografisch, demografisch en militair te belangrijk. De Golf kan evenmin duurzaam stabiel worden wanneer Iran permanent als vijand wordt behandeld.
Opvallend is daarom de reactie van Teheran. Iran verklaarde op 10 augustus dat het nieuwe akkoord op zichzelf geen reden tot bezorgdheid vormt. Volgens de Iraanse reactie zoals door Reuters weergegeven kan regionale samenwerking juist bijdragen aan veiligheid, mits zij inclusief is en rekening houdt met de geopolitieke realiteit van de regio.
Daarmee ontstaat een potentieel nieuwe logica. Saoedi-Arabië hoeft niet tussen Washington en Beijing te kiezen. Turkije kan NAVO-lid blijven en tegelijk zijn regionale autonomie vergroten. Pakistan kan zijn banden met China behouden en tegelijkertijd een veiligheidspartner van Saoedi-Arabië en Turkije zijn. Iran kan zijn strategische relaties met China en Rusland voortzetten zonder noodzakelijkerwijs buiten een regionale veiligheidsstructuur te vallen.
China heeft bij zo'n ontwikkeling een bijzondere positie. Beijing hoeft West-Azië niet militair te domineren om invloed uit te oefenen. Energie, handel, infrastructuur en diplomatie zijn belangrijker. De Chinese bemiddeling tussen Saoedi-Arabië en Iran in 2023 liet al zien dat Beijing regionale tegenstellingen probeert te verminderen in plaats van nieuwe militaire blokken te creëren. Juist daarom is de Saoedi-Iraanse toenadering onder Chinese bemiddeling zo relevant voor de huidige ontwikkeling.
Het Mekka-akkoord is nog lang geen bewijs dat deze visie werkelijkheid wordt
De wereld die Xi in 2013 in Moskou beschreef, was er een waarin geen enkel land de internationale orde alleen kon bepalen. Veiligheid moest volgens die visie gezamenlijk worden opgebouwd. Dat betekent niet dat landen hun militaire macht moeten opgeven, maar dat hun veiligheid niet gebaseerd mag zijn op het permanent verzwakken of omsingelen van anderen.
Het Mekka-akkoord is nog lang geen bewijs dat deze visie werkelijkheid wordt. Het is een defensieakkoord met beperkte concrete militaire verplichtingen en de belangen van Saoedi-Arabië, Pakistan en Turkije lopen op veel punten uiteen. Maar het markeert wel een belangrijke verschuiving: regionale landen nemen steeds meer zelf het initiatief.
De werkelijke test wordt daarom niet de vraag of Saoedi-Arabië, Pakistan en Turkije samen een oorlog kunnen voeren. De veel belangrijkere vraag is of zij een systeem kunnen bouwen waarin oorlog juist moeilijker wordt.
Als Iran uiteindelijk bij zo'n systeem kan worden betrokken, samen met mogelijk andere regionale machten zoals Egypte, ontstaat iets dat veel verder gaat dan een nieuwe militaire alliantie. Dan zou West-Azië langzaam veranderen van een regio waarvan de veiligheid grotendeels door externe machten wordt bepaald tot een regio die haar eigen veiligheidsarchitectuur begint te bouwen.
Dat zou precies het soort multipolaire regionale orde zijn waarin geen enkele macht de veiligheid van anderen kan dicteren en waarin veiligheid niet langer als een nulsomspel wordt beschouwd.
En misschien is dat, dertien jaar na Xi's toespraak in Moskou, de belangrijkste betekenis van Mekka.