Analyse

Europa wijst China aan als schuldige van handelstekort, maar is dat wel terecht?

Afbeelding
Foto: designer491 via canva.com
Foto: designer491 via canva.com
Het miljarden handelstekort met Beijing wordt in Brussel voorgesteld als bewijs van economische agressie. In werkelijkheid verhult die spectaculaire rekensom vooral de industriële achterstand die de EU zelf heeft.

Een miljard euro per dag. Het is het soort cijfer dat gemaakt lijkt voor politieke toespraken, alarmerende krantenkoppen en vergaderzalen waarin niemand nog tijd heeft om te vragen wat het precies betekent. Volgens Eurostat voerde de Europese Unie in 2025 voor 559,4 miljard euro goederen uit China in en exporteerde zij voor 199,6 miljard euro naar China. Het verschil bedroeg 359,8 miljard euro, bijna één miljard euro per dag.

Dat cijfer klopt. De politieke conclusie die eraan wordt vastgemaakt — dat China de Europese industrie doelbewust vernietigt — is veel minder vanzelfsprekend.

Van handelspartner tot ‘systemische bedreiging’

De politieke taal over China is de voorbije jaren opvallend verhard. Bart De Wever omschreef het Chinese economische beleid als een “systematische bedreiging” en schreef dat Europa een punt had bereikt waarop er geen weg terug meer was: “De vraag is: zijn we bereid de pijn te doorstaan? Mijn antwoord is ja, want we hebben een punt bereikt waarop we op korte termijn moeilijke keuzes tegenover China moeten maken om op lange termijn onze industrieën, economieën en het welzijn van onze burgers te beschermen,” noteerde Belga.

Tijdens de Europese industrietop in Antwerpen noemde De Wever “energiekosten, concurrentievermogen, regelgeving en Chinese dumping” de oorzaken van de industriële crisis. Enkele maanden later verweet hij Europese leiders dat zij China niet eens meer bij naam durfden te noemen en zich verscholen achter termen als “geo-economische onevenwichten”, zo meldde de Financial Times.

Ursula von der Leyen stelde dat China zijn industrieën “op grote schaal subsidieert” en dat de combinatie met een zwakke binnenlandse vraag ervoor zorgt dat nog meer overcapaciteit naar Europa wordt afgeleid. In een toespraak over de betrekkingen met China waarschuwde zij dat overcapaciteit “bij de bron” moet worden aangepakt en niet eenvoudigweg op de wereldmarkten mag worden afgewenteld. De volledige toespraak staat bij de Europese Dienst voor extern optreden.⁵ In Davos sprak zij bovendien over een mogelijke tweede “China shock” als gevolg van door de staat gesteunde overcapaciteit, zoals te lezen valt in haar toespraak voor het Wereld Economisch Forum.

Emmanuel Macron ging nog verder. Volgens hem creëert China “dumpingvoorwaarden om concurrenten te verzwakken”. Tijdens zijn bezoek aan Griekenland koppelde hij Chinese subsidies rechtstreeks aan het verzwakken van Europese concurrenten.⁷ Op de industrietop in Antwerpen beweerde hij dat China met subsidies, een enorme productiecapaciteit en lage arbeidskosten “meer dan zeventig procent van onze Europese industrie bedreigt”.

Vooruit-politica Kathleen Van Brempt stelde dat China de Europese markt “overspoelt met goedkoop gesubsidieerd staal” en waarschuwde voor de “dumping van vervuild staal uit China”. Haar uitspraken zijn terug te vinden via haar bericht op X en een videoboodschap op Instagram. Europees commissaris Valdis Dombrovskis zei dat de mondiale overcapaciteit “grotendeels door China wordt aangedreven” en de Europese markt negatief beïnvloedt. De uitspraak is opgenomen in de audiovisuele persconferentie van de Europese Commissie.

De Luxemburgse premier Luc Frieden formuleerde het voorzichtiger: “De handelsrelaties moeten eerlijk zijn en mogen geen eenrichtingsverkeer zijn.” Reuters plaatste die uitspraak in de discussie over het Europese handelstekort, overcapaciteit en afhankelijkheid van Chinese grondstoffen.

Samen vormen deze uitspraken een duidelijk politiek discours waarin China steeds minder als concurrent en steeds meer als de externe hoofdschuldige voor de industriële achteruitgang van Europa wordt voorgesteld.

Een handelstekort is geen factuur die Europa naar Peking overschrijft. Het is evenmin een bedrag dat China uit Europese fabrieken heeft gestolen. Het betekent dat Europese ondernemingen en consumenten meer Chinese goederen kopen dan Chinese klanten Europese goederen.

Daar zitten smartphones, zonnepanelen, batterijen, computers, machines, elektrische auto’s, onderdelen, medische apparatuur en duizenden industriële tussenproducten tussen. Veel daarvan wordt door Europese bedrijven gebruikt om zelf te produceren. Andere goederen worden door gezinnen gekocht omdat ze goedkoper, beter of sneller beschikbaar zijn dan Europese alternatieven.

Wie het handelstekort als bewijs van Chinese agressie presenteert, vermijdt daarom de belangrijkste vraag: waarom slaagt Europa er niet in voldoende producten te maken die Europese én Chinese klanten willen kopen?

Een tekort is geen oorlogsverklaring

De EU heeft grote handelsoverschotten jarenlang verdedigd als bewijs van efficiëntie en concurrentiekracht. Duitsland bouwde zijn economische model decennialang op de uitvoer van auto’s, chemie en machines. Niemand vond toen dat landen die Duitse BMW’s, Mercedessen en industriële installaties kochten, zich tegen Duitse economische agressie moesten beschermen.

De Duitse lopende rekening vertoonde in 2025 nog altijd een overschot van ongeveer 203 miljard euro, zo blijkt uit de cijfers van de Deutsche Bundesbank. Het beeld van Duitsland als hulpeloos slachtoffer botst dus met de economische realiteit.

Wanneer Europa een overschot boekt, heet dat concurrentiekracht. Wanneer China een overschot boekt, heet dat overcapaciteit, dumping of economische dwang. Dat is geen consequente economische analyse, maar een politieke dubbele standaard.

Een bilateraal handelstekort zegt bovendien weinig over de totale welvaart van een economie. België heeft geen bananenindustrie en boekt daarom onvermijdelijk een tekort met landen die bananen uitvoeren. Dat bewijst niet dat Latijns-Amerikaanse boeren de Belgische landbouw aanvallen. Het toont alleen dat landen verschillende goederen produceren en verhandelen.

Bij China lijkt dat basisprincipe plots te verdwijnen zodra de geproduceerde goederen technologisch geavanceerd worden.

Het mysterie van de 400.000 banen

Nog problematischer is de bewering dat van de 520.000 Duitse industriebanen die tussen 2019 en 2025 verdwenen, er 400.000 verloren gingen door het Chinese handelsbeleid. Dat bijzonder precieze cijfer wordt in het artikel van De Standaard aangehaald zonder duidelijke verwijzing naar een methode, studie, sectorale uitsplitsing of onderzoeksinstelling.

De analyses van de Bundesbank en het Internationaal Monetair Fonds vertellen een veel complexer verhaal. Zij wijzen op chronische onderinvestering in infrastructuur, zwakke productiviteitsgroei, hoge energieprijzen, vergrijzing, personeelstekorten, bureaucratie, trage digitalisering en de energieprijsschok na 2022.

Een recente IMF-analyse over de Duitse groeivertraging noemt vooral onvoldoende investeringen in publieke infrastructuur, vaardigheden en innovatie, naast overmatige regelgeving en vergrijzing.

De Bundesbank concludeerde bovendien dat meer dan driekwart van het verlies aan Duits exportmarktaandeel tussen 2021 en 2023 voortkwam uit een verslechtering van de concurrentiekracht van Duitse exporteurs binnen hun eigen productgroepen. Vooral machinebouw, elektrotechniek, chemie en andere energie-intensieve sectoren werden getroffen.

China is een straffe concurrent, maar niet de verklaring voor alles wat in Duitsland fout loopt. Wie beweert dat op de kop 400.000 banen door China verdwenen, zou ook moeten uitleggen hoeveel banen verloren gingen door de sluiting van kerncentrales, de vroegere afhankelijkheid van goedkoop Russisch gas, de explosie van de elektriciteitsprijzen, het achterstallige spoorwegnet, trage vergunningen en de jarenlange terughoudendheid om in nieuwe technologie te investeren.

Zonder zo’n ontleding is het cijfer geen economische vaststelling, maar een politieke interpretatie.

Volkswagen werd niet door Beijing verboden een goede elektrische auto te bouwen

De auto-industrie toont het probleem het duidelijkst. Duitse fabrikanten verdienden jarenlang miljarden in China met benzinewagens, SUV’s en luxemodellen. Volkswagen, BMW en Mercedes gingen ervan uit dat hun merknaam voldoende gegeerd zou blijven om hogere prijzen te vragen.

Terwijl Chinese ondernemingen investeerden in batterijen, vermogenselektronica, software, laadtechnologie en geïntegreerde productieketens, bleef een groot deel van de Europese industrie vasthouden aan de verbrandingsmotor.

Niemand in Beijing verbood Volkswagen om eerder een betaalbare elektrische auto te ontwikkelen. China verplichtte BMW niet om voor essentiële batterijcellen afhankelijk te blijven van Aziatische producenten. BYD schreef de gebrekkige software van de eerste Volkswagen ID-modellen niet. CATL verhinderde Europese fabrikanten niet om twintig jaar geleden in batterijtechnologie te investeren.

De achterstand is intussen meetbaar. Volgens het Internationaal Energieagentschap lagen de gemiddelde batterijpakketprijzen in China in 2025 ongeveer 35 procent lager dan in Europa en 30 procent lager dan in Noord-Amerika.

Dat verschil komt niet uitsluitend door subsidies. Het IEA wijst ook op hevige binnenlandse concurrentie, geïntegreerde bevoorradingsketens, efficiëntere productie en de concentratie van gespecialiseerde kennis en arbeidskrachten.

De Europese reactie bestaat steeds vaker uit tarieven op het eindproduct, zonder de oorzaken van het kostenverschil weg te nemen. Maar een invoerheffing maakt een Europese batterij niet efficiënter, bouwt geen lithiumraffinaderij, leidt geen ingenieurs op en verkort geen vergunningsprocedure. Ze maakt de concurrerende Chinese auto alleen duurder voor de Europese consument.

Dat Europese autofabrikanten zelf bezwaar maakten tegen heffingen op in China gebouwde elektrische auto’s, toont hoe kunstmatig de tegenstelling “Europa tegen China” is. Europese merken produceren in China, gebruiken Chinese batterijen en functioneren binnen wereldwijde productieketens.

Europa straft zijn eigen klimaatbeleid

Het protectionisme bevat ook een ecologische tegenstrijdigheid. De EU zegt de klimaattransitie te willen versnellen, maar wil tegelijk de technologieën die deze transitie goedkoper maken duurder maken.

Chinese massaproductie heeft de prijs van zonnepanelen en batterijen wereldwijd sterk verlaagd. Goedkopere batterijen maken elektrische auto’s, energieopslag en de integratie van zonne- en windenergie betaalbaarder.

Wie Chinese zonnepanelen, batterijen en elektrische voertuigen met brede heffingen belast, beschermt misschien tijdelijk enkele Europese producenten, maar verhoogt ook de kosten voor gezinnen, installatiebedrijven, transportondernemingen en energieproducenten.

Een verstandig industriebeleid zou Chinese investeringen naar Europa halen, lokale productie bevorderen, gezamenlijke onderzoekscentra stimuleren en Europese toeleveringsketens versterken. Blind protectionisme vermindert daarentegen de concurrentiedruk en geeft achterlopende producenten extra tijd, zonder garantie dat zij die tijd gebruiken om werkelijk te vernieuwen.

De afhankelijkheid is wederzijds

Ook de uitspraak dat Europa meer van China afhangt dan China van Europa verdient nuance. Europa is sterk afhankelijk van China voor zeldzame aardmetalen, permanente magneten, batterijen, elektronica, actieve farmaceutische bestanddelen en cleantechnologie.

China is op zijn beurt afhankelijk van Europese machines, gespecialiseerde chemische producten, luchtvaarttechnologie, hoogwaardige apparatuur, kennis en toegang tot een markt van ongeveer 450 miljoen relatief welvarende consumenten. Het rapport van Mario Draghi over de Europese concurrentiekracht erkent dat die afhankelijkheid wederzijds is. 

Europese ondernemingen kozen jarenlang vrijwillig voor Chinese leveranciers omdat die goedkoper, sneller en soms technologisch geavanceerder waren. Ze deden dat niet onder dwang van de Communistische Partij van China, maar volgens de winstlogica van Europese raden van bestuur en aandeelhouders.

De existentiële bedreiging zit niet in Beijing

China is een ferme concurrent. De werkelijke bedreiging voor Europa ontstaat echter wanneer Europese leiders concurrentie beantwoorden met oorlogstaal en de bescherming van een falend industriebeleid.

Een invoerheffing legt geen hoogspanningsnet aan. Een quotum moderniseert Deutsche Bahn niet. Een antisubsidieprocedure verlaagt de Europese elektriciteitsprijs niet. Een nieuwe Brusselse verordening maakt van Europa geen leider in batterijen, halfgeleiders, kunstmatige intelligentie of robotica.

Het IMF vat de structurele Duitse problemen samen als vergrijzing, onderinvestering, zwakke productiviteitsgroei en te veel bureaucratie. Niet als een Chinese samenzwering.

De gemakkelijkste uitleg is China verantwoordelijk maken. De moeilijkere, maar eerlijkere conclusie luidt dat Europa jarenlang goedkope Chinese producten wilde, Chinese winsten incasseerde, productie uitbesteedde, investeringen uitstelde en geloofde dat zijn technologische voorsprong vanzelf zou blijven bestaan.

Europa heeft geen nieuwe Chinese vijand nodig. Het heeft betaalbare energie, grootschalige investeringen, moderne spoor- en elektriciteitsnetten, onderzoeksbudgetten, degelijk (technisch) onderwijs, snellere vergunningen en ondernemingen nodig die opnieuw producten bouwen waarvoor de rest van de wereld wil betalen.

China achter een tariefmuur plaatsen kan de spiegel tijdelijk afdekken. Het verandert niets aan wat erin te zien is.


 

Steun ons hier!

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?