Lumumba blijft Belgique à papa van koning Boudewijn achtervolgen
De biografie van UCL-historicus Vincent Dujardin over koning Boudewijn mag gelezen worden als de tweede poging om de zaligverklaring van de in 1993 overleden vorst kracht bij te zetten.
De eerste poging kwam er in 1995, toen kardinaal Suenens het boekje 'Boudewijn – getuigenis van een leven' publiceerde, op basis van Boudewijns diep-christelijke mijmeringen in zijn dagboeken. Koningin Fabiola had hem die ter hand gesteld.
Na de publicaties van mijn boek De moord op Lumumba en het verslag van de Lumumba-onderzoekscommissie van het parlement, waarin de actieve rol van de koning in de strijd tegen de Congolese premier op het voorplan komt, besloot de koningin-weduwe ook het privé-archief van Boudewijn te openen.
Niet eerder voor de Lumumba-commissie, maar nu wel voor Vincent Dujardin, die de afgelopen decennia geregeld de kansel besteeg om 'het koloniale beschavingswerk' en de rol van de monarchie daarin in bescherming te nemen.
Op dinsdag 19 mei wordt in het Egmontpaleis zijn boek geconsacreerd, onder auspiciën van Herman Van Rompuy en het Belgische diplomatieke corps. Ik beperk me hier tot een bespreking van de hoofdstukken over de dekolonisatie van Congo en Burundi in het boek.
Geen context, geen beslissende feiten
Het resultaat is navenant het opzet: een biografie die dankzij de publicatie van onuitgegeven archiefstukken het aura van 'baanbrekend' en 'definitief' ambieert, maar in feite een eindeloze opeenstapeling van notities van Boudewijn en zijn conservatieve entourage is waarin een Lumumba verschijnt die alle ellende aan zichzelf te wijten heeft en tientallen keren wordt weggezet als 'communist', 'door het Oostblok aangestuurd' of 'betaald door communisten'.
Onterecht, en alsof dat nog niet genoeg is, doet Dujardin er nog een schepje bovenop door te schrijven dat Lumumba kort na de Belgische interventie “de hulp van Sovjettroepen heeft ingeroepen” – wat pertinent onwaar is. Context en beslissende feiten ontbreken volledig:
dat de crisis van 1960 is uitgelokt door de Belgische generaal die kort na de onafhankelijkheid de zwarte soldaten toesnauwde dat er geen sprake zou zijn van een afrikanisering van het leger, waarop muiterij uitbrak;
dat de Katangese secessie van Congo (waardoor Lumumba premier van een rompstaat werd) werd georganiseerd na een wederrechtelijke militaire interventie door Belgische troepen;
dat Lumumba zelfs in die omstandigheden bereid was om Belgische soldaten in Congo te accepteren, als geruststellend gebaar, maar dat dit werd afgewezen omdat zijn val het echte doel was;
dat de telex waarin de minister van Afrikaanse Zaken “de definitieve eliminatie” van Lumumba eiste door de auteur wordt gelezen als een eis voor een politieke en geen fysieke liquidatie, hoewel ondergeschikten van de minister dat als een fysieke eliminatie hebben geïnterpreteerd en zijn rechterhand daartoe overigens een huurmoordenaar aanbood;
dat, en nog veel meer: de lezer van 'Boudewijn' komt het niet te weten.
Tekenend, en op zich al voldoende om te weten dat deze biografie geen inzicht verschaft in de dekolonisatie van Congo: de bedrijfsnaam Union Minière komt slechts één keer en slechts zijdelings voor in het boek, hoewel het bedrijf een sleutelrol in de crisis speelde, onder meer door de Katangese secessie en de politieke oppositie tegen Lumumba te financieren, en uiteindelijk zelfs het zwavelzuur leverde waarmee Lumumba's lichaam werd vernietigd.
Met die verdwijntruc houdt Dujardin ook de verbanden tussen het koloniale bedrijfsleven en de monarchie uit beeld, want Boudewijns grootmaarschalk Gobert d’Aspremont Lynden was commissaris van de Generale Maatschappij waarvan de Union Minière een dochterbedrijf was, terwijl de neef van Gobert, Harold d’Aspremont Lynden, als minister van Afrikaanse Zaken het gevecht tegen Lumumba leidde.
Lumumba-commissie
Dujardin bekritiseert de Lumumba-commissie over haar bedenkingen bij een brief van majoor Guy Weber, een van de sterke mannen van Katanga, waarin hij stelt dat de Congolese oppositie tegen de ondertussen afgezette maar nog steeds populaire premier zal proberen om Lumumba “indien mogelijk fysiek” te neutraliseren.
Boudewijn krijgt die brief op 26 oktober te lezen. De koning brengt de regering daarvan niet op de hoogte – hoewel het om belangrijke informatie gaat – en stuurt twee dagen later een brief naar Moïse Tshombe (‘president’ van de afgescheiden provincie Katanga) waarin hij de Katangese leider looft en Lumumba, zonder hem bij naam te noemen, veroordeelt met de woorden dat “een associatie van tachtig jaren zoals deze die onze twee volkeren heeft verenigd, affectieve banden [schept] die te innig zijn opdat ze zouden kunnen verbroken worden door het optreden van een enkele man.”
Dit is een brief die neerkomt op een impliciete goedkeuring van het moordplan.
Dujardin stelt evenwel dat de ontwerptekst van Boudewijns brief al op 25 oktober klaar was, en dus geen antwoord was op de brief van Weber, die de koning pas de dag nadien onder ogen kreeg. Maar dat verandert niets aan het zwaarwegende feit dat Boudewijns brief aan Tshombe en zijn entourage, die geen weet hadden van het moment waarop die brief is opgesteld, door Weber en zijn collega's ongetwijfeld gelezen is als een reactie op Webers brief, en dus als een impliciete steun voor het moordplan.
Boudewijn moet dat beseft hebben, maar verstuurde toch die brief. Met gevolgen: majoor Weber en de Belgische officieren die in Katanga de dienst uitmaakten hadden die goedkeuring ongetwijfeld voor ogen toen op 17 januari 1961 hun ondergeschikten de ex-premier van Congo martelden en executeerden.
Moord op Louis Rwagasore, eerste premier van onafhankelijk Burundi
Plaatsgebrek verhindert me grondig in te gaan op Dujardins kijk op de rol van Boudewijn in de dekolonisatie van het voogdijgebied Burundi en de moord op de Burundese premier Louis Rwagasore, die 'de kleine Lumumba' werd genoemd, op 13 oktober 1961.
Toch dit: op geen enkel moment analyseert de auteur de rol van de Belgische voogdijoverheid in de misdaad. Nochtans erkende de hoogste ambtenaar van de Voogdij, Jean-Paul Harroy, vele jaren later in zijn memoires die rol zonder omwegen:
“Hebben bepaalde ambtenaren van de voogdijoverheid, misschien samen met enkele andere burgers, met hun verklaringen, beloftes, zelfs acties, bijgedragen tot het plegen van een moord? (...) Hebben ze zelfs aan een of andere Afrikaan gezegd dat de Voogdij de ogen zal sluiten... tot de mogelijkheden behoorde, zelfs zeker was? Dat ontkennen lijkt me niet redelijk.”
Dujardin verkoos evenwel die memoires, alsook een geheim gehouden onderzoek van het parket van Brussel naar de rol van de Voogdij in de moord, te negeren. Voor een analyse van die rol, en voor Boudewijns steun aan de moordenaars, verwijs ik naar mijn boek Moord in Burundi (2000).
Dujardins hypothese dat de jonge Boudewijn in staatszaken door morele principes werd bewogen, doorstaat de toets van ernstig onderzoek niet. Het is een interpretatie gebaseerd op zijn latere imago als gevoelige vorst.
De entourage van de jonge koning bestond uit ‘pantserkatholieken’: medewerkers van zijn vader Leopold III, die op de achtergrond actief bleef en zo invloedrijk was dat sommigen spraken van een diarchie in plaats van een monarchie.
Het paleis cultiveerde een wereldbeeld zonder grijswaarden: men was voor of tegen het christelijke westen. Die milieus belastten Boudewijn met een goddelijke taak: een koning-soldaat die zich bekommert over de eigen troepen, de mannen die het vuile werk opknappen (zoals de moordenaars van Rwagasore), maar meedogenloos is voor wie zijn versie van het Rijk Gods op aarde afvalt (zoals Lumumba en Rwagasore).
Ludo De Witte. De moord op Lumumba - Kroniek van een aangekondigde dood. Kritak, Leuven, geactualiseerde heruitgave 2020 (1999), 366 pp. ISBN 978 9401 4714 66
Ludo De Witte. Moord in Burundi - België en de liquidatie van premier Louis Rwagasore. EPO, Antwerpen, 2020, 347 pp. ISBN 978 9462 6729 18
Deze opinie verscheen op 14 mei 2026 in De Standaard.
Steun ons hier!