Het is niet wij versus zij, het is wij én zij
“Ik denk dat je net verdeeldheid zaait als je het hebt over ‘onze gemeenschappen’,” reageerde een vrouw uit het publiek tijdens een sofagesprek met Pakistaanse journalist Haroon Ali en Marokkaanse schrijfster Yasmina El Messaoudi over familiebreuken. Zij waren op boektour voor de twee boeken die ze net hadden uitgebracht over hun levens en moeilijke relatie met familieleden.
Ik had net benoemd hoe dapper het is om te breken met je familie binnen diasporagemeenschappen - onze gemeenschappen; waar zulke keuzes vaak zwaar beladen zijn en omgeven door taboe. De vrouw ging daartegenin. Ze vertelde dat zij, opgegroeid in een Belgisch katholiek gezin, ook gebroken had met haar familie en dat dit volgens haar op hetzelfde neerkwam. Door het onderscheid te maken, zo stelde ze, werkte ik polarisatie in de hand.
De vraag die bleef hangen was niet alleen persoonlijk, maar politiek: als we spreken over “wij” en “zij” in het benoemen van diaspora-ervaringen, creëren we dan polarisatie of leggen we bestaande breuklijnen bloot?
Wij versus zij?
Polarisatie is vandaag een beladen begrip in het publieke debat, vaak gekoppeld aan identiteitspolitiek. Volgens socioloog Delia Baldassarri draait polarisatie dan ook voornamelijk om groepsvorming, waarbij mensen hun drang om ergens bij te horen koppelen aan verschillende culturele groepen. Mensen zoeken houvast in een “wij”, en definiëren dat vaak tegenover een “zij”. Die tegenstellingen worden vervolgens uitvergroot, waardoor sociale maatschappelijke verdeeldheid zichtbaarder en soms ook scherper wordt.
Zo ervaren veel mensen uit de diaspora zaken als familie, religie of afkomst anders dan witte Vlamingen zonder migratieachtergrond. Dat betekent niet dat andere mensen geen familiebreuken of identiteitsconflicten kennen, maar wel dat die ervaringen gevormd worden door andere maatschappelijke verwachtingen, vormen van racisme of gevoelens van ontworteling. Wanneer we doen alsof die context geen rol speelt “om niet te polariseren”, maken we net die specifieke ervaringen onzichtbaar.
Het verschil wordt gladgestreken en daarmee ook de mogelijkheid om het echt te begrijpen
Net daar wringt het schoentje. Wanneer we elke verwijzing naar specifieke ervaringen onmiddellijk als “polariserend” bestempelen, riskeren we die verschillen uit te vlakken. Wat als die zogenaamde polarisatie net blootlegt waar ongelijkheid zit? Zoals online nieuwsplatform WAT WAT aangeeft, kan het benoemen van tegenstellingen net een eerste stap zijn naar begrip, omdat het zichtbaar maakt wat anders onder de oppervlakte blijft.
Toen ik sprak over familiebreuken binnen diasporagemeenschappen benoemde ik geen abstracte tegenstelling, maar een taboe dat enkel vanuit deze specifieke gemeenschappen te begrijpen is - die dus niet zomaar veralgemeend kan worden. Door die ervaring te reduceren tot iets “universeels”, wordt ze ontdaan van haar context en betekenis. Het verschil wordt gladgestreken en daarmee ook de mogelijkheid om het echt te begrijpen.
Een verschil benoemen is geen verdeeldheid zaaien. Het is erkennen dat we niet allemaal vanuit dezelfde positie vertrekken. En precies dat erkennen - hoe ongemakkelijk ook - is geen bedreiging voor dialoog, maar een voorwaarde ervoor.
Intersectionele diaspora-ervaringen
Het erkennen van verschil is een noodzakelijke voorwaarde voor wat juriste Kimberlé Crenshaw intersectionaliteit noemt. Met dit 'kruispuntdenken' toont ze aan dat mensen meerdere ongelijkheden tegelijkertijd kunnen meemaken, zoals gender, etniciteit, klasse, seksualiteit en fysieke of mentale beperkingen. Die ervaringen staan niet los van elkaar, maar lopen door elkaar heen en beïnvloeden hoe iemand door de samenleving wordt behandeld. Ongelijkheid is zelden eendimensionaal, maar juist in die gelaagdheid ontstaat ook frictie.
Wanneer mensen die complexiteit benoemen, worden hun stemmen vaak al snel gezien als “te veel”, “te boos” of “te verdeeld”. Volgens Kimberlé Crenshaw komt dat omdat de samenleving vaak houdt van simpele verhalen, terwijl sommige ervaringen net ingewikkeld en gelaagd zijn. Dit past niet binnen het dominante beeld van “iedereen is gelijk” en wordt daardoor sneller ervaren als lastig of bedreigend.
Onderzoeker Charles Taylor wijst op het belang van erkenning via wat hij de 'politics of difference' noemt: culturele groepen hebben erkenning in hun identiteit en sociale gebruiken nodig om volwaardig te kunnen bestaan. Zonder die erkenning voelen groepen zich sneller onzichtbaar gemaakt of gereduceerd tot de norm van iemand anders.
Toen mijn interventie werd weggezet als polariserend, verstilde de ruimte
Maar net daar ontstaat een paradox. In onze samenleving wordt individualiteit vaak gevierd: mensen moeten uniek zijn, zichzelf uitdrukken en trots zijn op hun achtergrond. Alleen lijkt dat vooral aanvaard zolang die verschillen de dominante norm niet echt uitdagen. Wanneer gemarginaliseerde groepen hun specifieke ervaringen rond racisme, migratie of uitsluiting benoemen, wordt dat plots gezien als "verdelen”, “slachtofferdenken” of “identiteitspolitiek”. Met andere woorden: verschillen mogen bestaan, zolang ze comfortabel blijven voor de meerderheid.
Dat spanningsveld werd pijnlijk zichtbaar tijdens de sofatalk. Hoewel het gesprek bedoeld was voor mensen met een migratieachtergrond van buiten de EU, bestond het publiek grotendeels uit witte mensen. Toen mijn interventie werd weggezet als polariserend, verstilde de ruimte. De weinige geracialiseerde mensen keken naar beneden, zichtbaar ongemakkelijk. Op dat moment werden uiteenlopende ervaringen opnieuw samengeperst tot één ongedifferentieerd geheel en werden “onze” ervaringen uitgewist.
Wat een veilige ruimte had moeten zijn voor geracialiseerde mensen, werd opnieuw ingenomen door een wit persoon. Niet uit kwade wil, maar uit ongemak. Maar ongemak is geen polarisatie. Het is vaak een signaal - een uitnodiging om stil te staan bij ongelijkheden die anders onbenoemd blijven. Precies dat ongemak hebben we nodig om iets in beweging te zetten.
Ongemakkelijke ruimtes
Ongemak vraagt om verschillende ruimtes om verwerkt te worden. Enerzijds hebben we plekken nodig waar we verschillen kunnen benoemen om bruggen te bouwen, anderzijds zijn er ruimtes nodig waar we kunnen stilstaan bij wat die verschillen met ons doen. In zo’n ruimte moet niet alles meteen opgelost of gelijk getrokken worden. De sofatalk was bedoeld als zo’n tweede ruimte.
Echte bruggen ontstaan niet door verschillen weg te duwen, maar door ze eerst te erkennen
Dat is niet altijd comfortabel voor mensen die zelf niet systematisch met uitsluiting geconfronteerd worden. Toch zijn zulke ruimtes noodzakelijk: plekken waar ervaringen gedeeld kunnen worden zonder dat ze meteen bevraagd, veralgemeend of gecorrigeerd worden. Waar sommigen spreken en anderen luisteren. Het gesprek draaide rond diaspora-ervaringen, gebracht door schrijvers die zelf uit die context komen. Dat afbakenen is geen uitsluiting, maar erkenning.
Voor gemarginaliseerde groepen is die erkenning zeldzaam. Hun ervaringen worden vaak herleid tot één dimensie of simpelweg overstemd. Een ruimte creëren waarin die stemmen centraal staan, voelt voor buitenstaanders soms vreemd, precies omdat zij die structurele beperking niet ervaren. Maar niet iedereen vertrekt vanuit dezelfde realiteit. En doen alsof dat wel zo is, maakt de kloof alleen groter. Niet erkennen is ook een vorm van onderdrukking.
We leven in een samenleving die mensen voortdurend in categorieën duwt. Het hardnekkig ontkennen van die realiteit heft ze niet op - het verdiept ze. Echte bruggen ontstaan niet door verschillen weg te duwen, maar door ze eerst te erkennen. Soms begint dat niet met spreken, maar met luisteren. Pas wanneer die erkenning er is, kan er iets gedeeld ontstaan - niet ondanks het verschil, maar erdoorheen.
Steun ons hier!