De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
België handelde ook in tot slaaf gemaakten, niet alleen Nederland
In tegenstelling tot wat veel mensen denken bestonden er ook in België slavenhandelaren. In Brussel vormde zich in de 18de eeuw een ‘quadrumviraat’ dat zich op de slavenhandel stortte: Friedrich von Romberg, Jean-Joseph en Josse-Jean Walckiers, Jacques-Joseph Chapel en Joseph Depestre.
Toen Oostende tijdens de Oostenrijkse periode een vrijhaven werd (1781-1783) begon Brussels kapitaal van daaruit slavenhandel te organiseren. De eerste ondernemer die in maart 1782 voor die lucratieve handel pleitte was de Brusselse bankier en industrieel Jacques Chapel. Hij wilde in navolging van Nederland en Frankrijk ook vanuit Brussel slavenhandel organiseren. En hij wilde heel België erbij betrekken. Wapenhandelaars in Limburg en Luik zouden de wapens leveren, lakenhandelaars van Antwerpen en Brussel het textiel voor de ruilhandel en Vlaanderen de goedkope jenever, aldus het plan van Chapel. Van hemzelf is maar één slavenboot bekend: de Belle Arsène.
Joseph Depestre, ook een Brusselse financier, was de zoon van Julien Depestre, die rijk was geworden onder meer door de bouw van regeringskantoren en als fabriekseigenaar. Hij ging samenwerken met de Rombergs. De grote Brusselse slavenhandelaar werd Friedrich von Romberg, die onder meer kantoor hield op de Brusselse Nieuwe Graanmarkt (dit gebouw is nu een school). Dat gebouw was niet zijn eigendom maar van Corneille Mosselman (1754-1829), een textiel- en graanhandelaar die bankier werd.
Friedrich von Romberg was van Oostenrijkse origine. Hij was een grote Brusselse katoenfabrikant en zijn katoen kwam uit de Amerika’s. Het werkvolk op die katoenplantages waren Afrikaanse tot slaaf gemaakten, vandaar dat hij zich ook op de slavenhandel gooide op het moment dat Oostende een vrijhaven werd. Andere belangrijke aandeelhouders van de verschillende vennootschappen die Romberg hiervoor opzette, niet alleen in Brussel maar ook in Oostende, Gent en Brugge waren de Brusselse broers Walckiers en Depestre.
Deze vennootschappen gingen samenwerken met partners in de Franse stad Le Havre, toen een van de grote thuishavens voor slavenhandelaars, om zo een boycot van Nederland of Engeland te ontlopen. De familie Walckiers was een van de grote, rijke families van Brussel. Adrien-Ange Walckiers bouwde in 1765 het kasteel van Helmet met zijn grote Engelse Tuin waar het huidige Walckierspark een restant van is (nu is het beschermd erfgoed). Eduard Walckiers (1721-1799), eigenaar van de grootste bank van de Zuidelijke Nederlanden, zou het kasteel van Belvédère (nu deel van het Koninklijk Domein van Laken) bouwen.
Drie Fonteinen
De broers Jean-Joseph en Josse-Jean Walckiers werden partners van Friedrich von Romberg. Zij kochten alle drie samen het kasteel van Beaulieu (aan de Woluwelaan). Jean-Joseph richtte in Vilvoorde ook het huidige domein Drie Fonteinen in als Engelse tuin.
Naar Afrika ging de Société Romberg in opdracht van slavenhandelaars in Le Havre en La Rochelle elf slavenboten uitrusten. Enkele scheepsnamen zijn Etats de Brabant, Comte de Flandre, Lieve Catharina, Le Négrier Impérial of Het Vlaemsch Zeepaerd en Le Roy du Congo die in het gebied rond de monding van de Kongostroom tot slaaf gemaakten opkochten.
De firma Romberg werd de grootste van heel het land, maar ze hield contact met andere, veel kleinere firma’s, waarvan sommige hun partners werden. In Brussel waren dat niet alleen Chapel, maar ook Michiel Van Schoor en Zonen, eigenaars van boten als de Ville de Bruxelles, de Brabant en Le Courier Impérial.
Zij opereerden wel vanuit Oostende. Zoals Michiel Verschoors weduwe het verwoordde in een brief aan de overheid: “Om de welvaart van Oostende te bewaren in deze moeilijke jaren. We veronderstellen dat als er vrede komt we dan de slavenhandel zullen moeten opgeven.” In Oostende werkten ze ook samen met een zekere De Vinck. Zijn schip heet Mooye Louisa. Hij was oorspronkelijk van het Franse Duinkerke en voer enkel op de Goudkust. Kleinere firma’s waren Wieland in Brugge en De Loose in Gent.
Door de grote uitbreiding van zijn handel was Romberg verplicht om filialen op te richten. Romberg & Compagnie opende in Oostende en had een bijhuis in Brugge. Het belangrijkste bijhuis was in Gent. Hun driemasters voeren van Afrika, meestal vanuit het toenmalige Kakongo naar Havana. Daar hadden ze hun handelspartners. Pierre-François Schepers was er Rombergs vertegenwoordiger.
Hij schreef op 13 november 1782 aan zijn werknemer Romberg & Consorts in Gent dat de Spaanse koning Karel III de compagnie een privilege gaf om acht schepen met een cargo tot slaaf gemaakten naar Havana te sturen om ze daar te verkopen. Ze hebben daar meer dan duizendvijfhonderd slaven verhandeld. Hun grootste schepen waren de Roi du Congo en de Conseil de Flandre die per tocht meer dan 500 Afrikaanse tot slaaf gemaakten vervoerden.
Havana
In 1783 vaardigde Frankrijk een verbod uit op niet-Franse slavenboten en de Brusselse slavenhandel van Romberg & Compagnie ging langzaam wegkwijnen, maar hun textielbedrijven floreerden.
In 1795 werden de zuidelijke Nederlanden – het latere België – Frans. Toen Napoleon in 1803 zijn blijde intrede in Brussel maakte, stal de twaalfjarige dochter van de Rombergs de show. Ze schonk aan Joséphine (Madame Napoléon) een rijk versierd kanten kleed, verpakt in een doos in de vorm van een driemaster. De romp van de boot was uit roze hout, de mast in goud, de zeilen waren uit gaas, de zeiltouwen uit gouddraad en het anker in zilver.
Hun slavenhandel zou pas echt eindigen tijdens de Nederlandse periode (1815-1830). In 1818 vaardigde namelijk Koning Willem I een algeheel verbod op slavenhandel uit, wat het einde betekende van de Belgische slavenhandel. Koning Leopold II zou een nieuw systeem verzinnen, dat nog meer opbracht. Tot slaaf gemaakten werden dwangarbeiders.
Deze historische terugblik werd overgenomen van het Salon van Sisyphus. Zie deze eerste publicatie voor bronnen.