Van Gaza tot Soedan: protest en solidariteit onder de koloniale blik
Er schuilt iets gevaarlijk geruststellends in morele afstand. Ze stelt wetenschappers, commentatoren en beleidsmakers in staat te oordelen zonder ooit betrokken te raken. Wereldwijd geweld wordt een gedachte-experiment, niet een structuur waarin zij zelf verstrikt zitten.
Het levert ook de bekende, misleidende vraag op: waarom demonstreren mensen voor Gaza, maar niet voor Soedan? Een vraag die geen licht werpt op onrechtvaardigheid, maar vooral bepaalt hoe solidariteit geoorloofd is.
Wat wordt voorgesteld als ‘morele inconsistentie’ zegt uiteindelijk meer over wie de vraag stelt dan over de bewegingen die ermee worden geviseerd. De vergelijking vertrekt vanuit een blik gevormd door Europa’s koloniale geschiedenis en raciale hiërarchieën. Een blik die strijd fragmenteert, lijden isoleert en eist dat solidariteit leesbaar, proportioneel en politiek ongevaarlijk wordt gemaakt.
Alsof protest een boekhoudkundige oefening is en geen politieke praktijk
Deze blik is geen neutrale observatie. Het is een actieve ordening van de wereld: een raciale productie van het zichtbare, die op voorhand vastlegt wat als onrecht telt en wat onzichtbaar blijft. Binnen deze logica wordt empathie voorgesteld als een schaars goed, dat eerlijk verdeeld moet worden – alsof protest een boekhoudkundige oefening is en geen politieke praktijk.
Maar solidariteit is geen gemoedstoestand, en evenmin een vorm van morele zelfexpressie. Ze wordt gesmeed in lange geschiedenissen van strijd: via gedeelde analyses, materiële verbindingen en herhaalde momenten van collectieve afstemming, over tijd en plaats heen.
Precies die geschiedenissen worden uitgewist door de witte, koloniale blik. Vanuit een afstandelijk, alziend perspectief – waarin strijd wordt gewogen, gerangschikt en beoordeeld in plaats van begrepen – verschijnen vormen van solidariteit als versnipperd en onsamenhangend.
Wat deze blik in werkelijkheid afdwingt, is niet morele consistentie, maar politieke afbakening: het controleren en begrenzen van verbinding. Het verhindert dat mensen en collectieven in strijd elkaar herkennen, overlappen en zich onttrekken aan de grenzen die koloniale manieren van kijken opleggen.
De koloniale logica van verantwoordelijkheid
Europa’s relatie tot zowel Gaza als Soedan is niet toevallig, en allerminst moreel neutraal. Ze is structureel – al is ze niet symmetrisch.
In Gaza leveren Europese staten wapens, politieke rugdekking en dichte netwerken van economische en academische samenwerking, waarmee zij een systeem in stand houden dat door de VN is omschreven als apartheid en genocide.
De zichtbaarheid van deze verstrengeling is niet het resultaat van institutionele transparantie, maar van decennia van organisatie door Palestijnse en transnationale grassrootbewegingen die deze structuren met volgehouden druk het publieke domein in hebben getrokken.
Wapens die via bondgenoten in de Golf worden aangevoerd, wijzen op Europa’s blijvende rol in de verwoesting van Soedan
De verstrengeling van Soedan met Europa laat zich minder gemakkelijk vatten binnen dominante narratieven, maar is daarom niet minder koloniaal. Van het Britse imperialisme tot de Koude Oorlog, van extractieve ontwikkelingsprojecten tot decennia van technocratische hulp- en vredesopbouwinterventies: Europa is diep verankerd gebleven in Soedans politieke economie van geweld.
Wapens die via bondgenoten in de Golf worden aangevoerd, uitbesteed migratiebeheer en strategische stilte rond de bewapening van de Rapid Support Forces door de Verenigde Arabische Emiraten wijzen allemaal op Europa’s blijvende rol in de verwoesting van Soedan.
Dat massamobilisatie in Europa zichtbaarder is geweest rond Gaza dan rond Soedan, wijst niet op onverschilligheid binnen grassrootsbewegingen. Veel van dezelfde activisten die vandaag mobiliseren voor Gaza staan al jarenlang in solidariteit met Soedan, gedragen door transnationale antikoloniale netwerken en gedeelde analyses van militarisme, raciaal kapitalisme en straffeloosheid.
Solidariteit is hier geen rekensom van zichtbaarheid of aandacht, maar een politieke praktijk: het herkennen, volgen en actief bestrijden van overlappende structuren van geweld.
Beschuldigingen van ‘selectieve verontwaardiging’ worden zelden te goeder trouw geuit
Van buitenaf worden deze verbanden zelden gezien zoals ze functioneren, ze worden gemist, verkeerd gelezen, of actief geneutraliseerd. Protesten die worden geframed als ‘over Gaza’ zijn ingebed in bredere infrastructuren van solidariteit met transnationale wortels, die Palestina verbinden met Soedan en Congo, maar evengoed met strijd voor migrantenrechten en klimaatrechtvaardigheid.
Ook wanneer die verbanden niet expliciet worden benoemd, worden ze zichtbaar in spandoeken en leuzen, in gecoördineerde campagnes, en in het actief meedragen van historische ervaringen in hedendaagse actie. Studentenbezettingen maken deze convergentie bij uitstek zichtbaar: niet als een optelsom van afzonderlijke strijdvelden, maar als ruimtes waarin solidariteit wordt gepraktiseerd in plaats van geïnventariseerd.
Dat deze verbindingen nauwelijks doordringen tot het dominante discours wijst niet op hun afwezigheid, maar op de actieve werking van een koloniale blik die verantwoordelijkheid afweert. Door verbanden te ontleden, te isoleren en te marginaliseren, wordt Europa’s eigen betrokkenheid bij meervoudige en onderling verweven geweldsregimes buiten beeld gehouden, analytisch onschadelijk gemaakt en politiek geneutraliseerd.
Whataboutism als techniek voor passiviteit
Op dit punt treedt het klassieke whataboutism argument naar voren, niet als misverstand, maar als politiek manoeuvre. Door te eisen dat solidariteit proportioneel moet zijn, ‘meer voor Gaza betekent minder voor Soedan’, wordt politieke verantwoordelijkheid herleid tot een morele rekensom.
Aandacht wordt voorgesteld als een beperkt budget, alsof engagement per definitie ten koste moet gaan van andere vormen van verzet. De onderliggende logica is eenvoudig en verlammend: als we niet alles kunnen oplossen, hoeven we niets te doen. Dit is de koloniale politiek van passiviteit, vermomd als morele universaliteit.
Beschuldigingen van ‘selectieve verontwaardiging’ worden zelden te goeder trouw geuit. Ze functioneren als een instrumentele retorische zet die protest depolitiseert door solidariteit te reduceren tot persoonlijke houding, en zo instituties ontslaat van verantwoordelijkheid. Collectieve woede wordt herleid tot emotionele overdrijving; politieke strijd tot moreel theater.
Dezelfde blik die protest moraliseert, dient ook om het te disciplineren
De eis van ‘perfecte consistentie’ – een spiegelbeeld van de eis van perfect slachtofferschap – is geen uitnodiging tot gerechtigheid, maar een recept voor verlamming. Het is een klassieke koloniale ingreep: verantwoordelijkheid vervangen door zelfonderzoek, en structureel geweld herleiden tot abstract filosofisch debat.
In de praktijk werkt deze beschuldiging instrumenteel. Ze herkadert solidariteit met Palestina als moreel verdacht, terwijl de gedeelde, geracialiseerde structuren die zowel Soedanees als Palestijns lijden selectief zichtbaar maken, buiten beeld blijven.
Het lijden in Soedan wordt niet aangehaald om tot actie te mobiliseren, maar ingezet om massaprotesten voor Gaza te delegitimeren – vooral wanneer die protesten dreigen Europese en Israëlische medeplichtigheid bloot te leggen en te verstoren. Zo wordt dezelfde raciale logica gereproduceerd die bepaalt wiens lijden telt, wiens verzet als bedreiging geldt, en welke vormen van strijd strikt van elkaar gescheiden moeten blijven.
Protest controleren, verzet temmen
Dezelfde blik die protest moraliseert, dient ook om het te disciplineren. Nadat bewegingen zijn weggezet als moreel inconsistent, wordt hun verzet vervolgens teruggeduwd in gezuiverde, ongevaarlijke vormen: symbolische marsen, beleefde petities, rituelen die niets ontregelen en niets afdwingen.
Op het moment dat protest ingrijpt in toeleveringsketens, instellingen of het vlotte functioneren van macht, wordt het herbenoemd als ‘extreem’, ‘irrationeel’ of ‘gevaarlijk’ – en steeds vaker behandeld als een strafrechtelijk probleem in plaats van als legitiem democratisch conflict.
Die logica staat niet los van het internationale recht; ze is erin verankerd. De afgelopen twee jaar hebben met brute helderheid blootgelegd hoe een zogenaamd universeel rechtskader consequent wordt gemobiliseerd om witte levens te beschermen, terwijl het zich terugtrekt in procedurele vaagheid zodra het geconfronteerd wordt met geracialiseerd staatsgeweld.
Zoals juriste en mensenrechtenadvocate Noura Erakat scherp laat zien, gaat het hier niet om een ontsporing of tekortkoming, maar om een structureel kenmerk: internationaal recht functioneert sinds zijn ontstaan als instrument van gevestigde macht, dat bepaalt wiens rechten urgent zijn en wiens rechten eindeloos kunnen worden uitgesteld.
Geen enkele uitbreiding van gerechtigheid is ooit vrijwillig toegekend door instituties maar afgedwongen door collectieve strijd
Niets hiervan is nieuw. Studenten die universiteiten bezetten, dokwerkers die wapenleveringen blokkeren, klimaatactivisten die extractieve infrastructuren ontregelen en demonstranten die vandaag als veiligheidsrisico of zelfs als ‘terroristisch’ worden geframed, omdat zij rechtstreeks ingrijpen in wapenketens, breken niet met democratische normen.
Zij keren juist terug naar wat protest altijd is geweest: het doelbewust onderbreken van systemen die weigeren zichzelf te veranderen. Zoals generaties antikoloniale bewegingen hebben aangetoond, is geen enkele wezenlijke uitbreiding van gerechtigheid ooit vrijwillig toegekend door instituties: zij is telkens afgedwongen door collectieve strijd.
Protest richt zich niet tegen wet of procedure op zich. Het richt zich tegen instituties - van universiteiten tot internationale tribunalen – die keer op keer hebben gefaald om geracialiseerd geweld te confronteren. Onder die omstandigheden is het eisen van morele zuiverheid, perfecte consistentie en beleefde vormen geen teken van gematigdheid, maar van schuldig verzuim.
Gaza, Soedan en de ondeelbaarheid van gerechtigheid
Tegenover de fixatie van de witte blik op vergelijking ontstaan bewegingen voor Gaza en Soedan uit gedeelde analyses en infrastructuren van strijd. Het gaat hier niet om concurrerende tragedies, maar om onderling verbonden frontlinies van raciaal kapitalisme, militarisme en verwaarlozing.
Van Londen tot El Fasher, van Brussel tot Goma, van Berlijn tot Gaza: dezelfde ketens van wapens, financiering en extractie structureren het geweld waartegen mensen zich verzetten. Soedan wordt niet overschaduwd door Gaza. Soedan en Gaza maken elkaars logica zichtbaar.
Gerechtigheid laat zich niet compartimenteren
Wat critici afdoen als “selectieve verontwaardiging” is in werkelijkheid een weigering van gefragmenteerde politiek. Solidariteit is systeemgericht: zij verbindt strijd door de structuren aan te vallen die hen met elkaar verstrengelen.
Bewegingen begrijpen wat instituties blijven ontkennen: gerechtigheid laat zich niet compartimenteren. Antiracisme dat anti-Arabisch racisme negeert is onvolledig; feminisme dat zwijgt over bezetting en gemilitariseerde grenzen is leeg, klimaatpolitiek zonder antikoloniale strijd is hol. Geen enkele democratie kan samengaan met apartheid, waar dan ook.
Mensen gingen de straat op voor Gaza, niet omdat ze “meer” om Gaza gaven, maar omdat Gaza met brute helderheid de architectuur van globale onrechtvaardigheid blootlegt – en de urgentie om die te ontmantelen onontkoombaar maakt.
Solidariteit is niet louter een gevoel, ze is een weigering: een weigering van hiërarchieën van menselijkheid, en een weigering om te aanvaarden dat instituties hun verantwoordelijkheid afwentelen op degenen die zij structureel in de steek laten.
Het weigeren van de witte koloniale blik is geen kwestie van beter of scherper kijken, maar van politieke breuk
Het weigeren van de witte koloniale blik is daarom geen kwestie van beter of scherper kijken, maar van politieke breuk. Het is een weigering van het koloniale mechanisme dat strijd fragmenteert, solidariteit disciplineert en de heersende orde afschermt van verantwoordelijkheid.
Bovenal is het een beslissing om te handelen, gezamenlijk, grensoverschrijdend, en tegen de stroom in van een systeem dat onze morele stilte vereist.
Gert Van Hecken is universitair hoofddocent aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid van de Universiteit Antwerpen, werkzaam op het gebied van sociaalecologische rechtvaardigheid, verzet tegen mondiale uitbuitingssystemen en transnationale solidariteit.
Dit artikel verscheen eerder op The New Humanitarian. De vertaling is van Ann Dejaeghere.