De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
Oud-voorzitter Vooruit heeft interessante aanbevelingen voor onze gezondheidszorg
Als politieke zwaargewichten aan de zijlijn komen te staan en dan een boek gaan schrijven, is het uitkijken naar de relevantie van de boodschap ervan voor het lopende beleid. Zo bekeken, is Hou België gezond (Houtekiet) van John Crombez, oud-voorzitter van Vooruit en partijgenoot van de huidige minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke, en Eric Mortier, voormalig gedelegeerd bestuurder van het UZ Gent, zeker boeiende literatuur. Overigens ook voor heel wat media, die de voorbije periode over het stijgende aantal langdurig zieken in ons land schreven als het om mysterieuze abnormaliteit ging die beleidsmatig dringend hard aangepakt moest worden.
Eén van de redenen waarom het aantal langdurig zieken steeg, zo geeft Crombez gedwee toe, is het afschaffen van verschillende verlofstelsels — iets waarvoor hij zelf mee verantwoordelijk was als kabinetsmedewerker tijdens de regering-Verhofstadt II. En later als staatssecretaris onder de regering-Di Rupo: die verstrengde de voorwaarden voor vervroegd pensioen, het brugpensioen en het ambtenarenpensioen. Mensen moeten om diverse redenen op gezette tijden even kunnen ademhalen en dus minder kunnen werken. Kan dat niet, dan vallen we uit. Zo simpel is dat. Na de verstrenging van het brugpensioen, zoals dat gebeurde onder de vlag van het zogeheten Generatiepact, zag je al een stijging van de arbeidsongeschiktheid. Toen de regering-Michel de pensioenleeftijd verhoogde, was een verdere stijging van het ziektecijfer voorspelbaar. Beleidsmatig heb je via zo’n hervormingen dan wel iets gedaan aan de betaalbaarheid van de pensioenen, je betaalt er maatschappelijk een flinke prijs voor: een toename aan langdurig zieken.
Een andere reden voor de stijging van het ziektecijfer die we in dit boek lezen: ondanks onze fantastische geneeskunde om mensen te genezen, zijn we veel minder goed in preventie. Gezondheid impliceert immers ook een gezonde work-lifebalans en beheersbare werkdruk. Een derde reden die daarbij aansluit: veel mensen lijden onder chronische stress, onder andere door de toename van administratieve overlast op het werk. Dat zie je in het bijzonder in de zorg. De oplossing moeten we dan zoeken in werkbaar werk, waarbij je de nodige tijd overhoudt om gewoon je zorgjob te kunnen doen. Dat is iets wat vakbonden natuurlijk al langer aangeven, tegen alle efficiëntiemantra’s van Excel-managers in die te ver van de werkvloer afstaan. Maar ook al wijzen de auteurs op het belang van werkbaar werk, met concrete voorstellen komen ze helaas niet. Er gaapt dus een gat tussen de probleemanalyse en de voorgestelde oplossingen.
Ongelijkheidskloof
Opmerkelijk en belangrijk aan het boek is dat de auteurs de betaalbaarheid van de zorg niet als het belangrijkste probleem zien. Dat geraakt op middellange termijn opgelost, zo klinkt het: de noden zullen nog vijftien jaar stijgen en daarna bereiken we een plafond, omdat de piek van de vergrijzing voorbij zal zijn. Een groter probleem is de toenemende ongelijkheid: het verschil in gezonde levensjaren tussen laag- en hoogopgeleide jongeren bedraagt vandaag stilaan vijftien jaar. Sinds het begin van deze eeuw vergrootte die ongelijkheidskloof met maar liefst vier jaar! De laagst opgeleide 25-jarige man heeft slechts een gezonde levensverwachting van 62 jaar. Vanaf die leeftijd begint hij vaak al te sukkelen. Die structurele ongelijkheid neemt alleen maar toe. En dat is een maatschappelijk probleem dat om beter beleid vraagt, zo benadrukken Crombez en Mortier.
De vraag die nu voor de hand ligt is: hoe kunnen we aan iedereen vragen om langer te werken als niet iedereen zelfs maar de pensioenleeftijd in gezonde toestand haalt? Dat merken de auteurs zelf ook op en die boodschap is er niet naast. Want de regering-De Croo, waarvan Vooruit deel uitmaakte, draaide de hervorming niet terug waarbij de wettelijke pensioenleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd naar 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030. De partij kijkt nu niet meer naar de pensioenleeftijd, enkel nog naar de jaren op de teller. Zo hou je dus geen rekening met de ongelijkheidskloof waarvoor Crombez en Mortier waarschuwen, wat niet bepaald sociaal is. Het eventuele invoeren van uitzonderingen voor zware beroepen biedt hier slechts deels een oplossing, aangezien je er niet zomaar van uit kan gaan dat mensen met een lage gezonde levensverwachting systematisch actief zouden zijn in die zware beroepsgroepen. De boodschap van de oud-voorzitter aan de nieuwe voorzitter samengevat: wat we deden was verkeerd, we mogen die fout niet herhalen. Luisteren, doet die helaas niet.
De hamvraag: hoe de instroom aan langdurig zieken beperken?
Ben je op? Dat is dan maar zo, als het van de werkgeversfederaties afhangt. Langer werken? “Het is van moetens,” verklaarde Monica De Jonghe van het VBO voldaan na het Zomerakkoord (Trends, 30/7), “want zo goed als alle mogelijkheden om vervroegd uit de arbeidsmarkt te stappen zijn weg.” Maar, zo benadrukken Mortier en Crombez terecht, als je niet begint bij de vraag wat er eigenlijk is gebeurd waardoor er vandaag zoveel – ook jonge – mensen uitvallen, kan je misschien wel wat langdurig zieken terug op de arbeidsmarkt krijgen, maar activeren zal de instroom aan langdurig zieken niet verminderen.
Ook daarover lezen we interessante ideeën in het boek: de commodificatie van de gezondheidszorg is doorgeslagen, er is nood aan een structurele preventieaanpak. Door het bundelen van data kunnen we volgens de auteurs nieuwe, digitale modellen in staat stellen om aandoeningen te voorspellen. Deze modellen zouden ook aangeven wat nodig is om een gezonde levensverwachting te maximaliseren. Die moet, de ongelijkheidskloof in acht genomen, ook gelijker kunnen toenemen doorheen de bevolking. Daar moeten dan publieke campagnes rond komen, zoals dat ook gebeurde bij het ontmoedigen van roken. Er zal dan nog wel een beleidsnadeel weggewerkt moeten worden: preventie is vandaag een gewestelijke materie, terwijl de voordelen van preventie zich financieel in de federale begroting laten voelen. De rekening voor de zorgkost wordt immers voornamelijk op nationaal niveau betaald. Een ander beleidskader met de nodige preventie-incentives voor de gemeenschappen kan hier helpen.
Kortom, activeren allemaal goed en wel, maar dan doe je slechts aan symptoombestrijding. Een beleid dat zich louter richt op de hervorming van ons ziektesysteem is dus bijziend. Crombez en Mortier zien opportuniteiten in nieuwe technologie en beleidsaanpassingen, zoals een hertekening van de ziekenhuisnetwerken. Maar over maatregelen die het zorgberoep verbeteren, blijft het stil. Misschien blijven de auteurs hier op wat op de vlakte vanwege partijpolitieke pragmatiek, het verzwakt wel het oplossingsgericht verhaal van het boek. Wil je het oplopend ziektecijfer écht doen dalen, dan moeten we vooral werk maken van een hervorming van de manier waarop wij arbeid organiseren. Minder stress, meer rust, tijd voor tijd – dat zijn de vakbondsvaccins.
Japanse prijzenregulatie als voorbeeld
Nog een heilig huisje dat de auteurs niet sparen: we moeten de spilzucht in de financiën van onze gezondheidszorg aanpakken. Er zouden sterke drukkingsgroepen zijn die het huidige systeem zo lang mogelijk willen behouden zoals het vandaag is, vanuit het motto: het zal mijn tijd nog wel duren. Crombez en Mortier vinden die starheid schandalig en pleiten daarom, net zoals de huidige minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke, voor een strenge aanpak van de artsen. De auteurs winden er geen doekjes om: ze stippen zelfs aan dat we artsen eigenlijk niet zomaar als een vrij beroep moeten beschouwen. Hun job wordt immers gefinancierd met collectieve middelen, belastinggeld dus, en daar moet men zich voor verantwoorden. Veel verdienen is op zich niet het probleem, zo nuanceren ze, maar er zijn natuurlijk wel verschillen: een chirurg die voor een hersenoperatie twaalf uur lang door een microscoop zit te turen, is iets anders dan een specialist die enkel binnenloopt om de facturen te tekenen en het werk door zijn assistenten laat doen.
Een zorgstelsel zoals in de VS, waar de vrije markt speelt, is zo ongeveer het duurste ter wereld met in vergelijking daarmee bijzonder slechte resultaten: al een jaar of tien daalt de levensverwachting voor heel wat bevolkingsgroepen er. Met winst maken op kap van zieken is het blijkbaar goed zaken doen. Dan is Japan, aldus de auteurs, een beter voorbeeld: dat land weet via een prijzencommissie de zorgkosten onder controle te houden via een onafhankelijke regulatie van de prijzen. Bij een derdebetalerssysteem is dat ook nodig. Want als de belastingbetaler de rekening krijgt, de zieke patiënt als ‘consument’ medisch dikwijls ‘ongeletterd’ is en dus niet snel risico’s zal nemen die tegen het doktersadvies ingaan, hebben de artsen deontologisch vrij spel.
Overconsumptie is dan helaas voorspelbaar. In België ontbreekt zo’n regulator, waardoor er in de ziekenhuizen te veel ingrepen gebeuren waar toevallig net het meeste aan te verdienen valt. Dat blijkt uit periodieke audits, waarbij specialisten en ziekenhuizen nadien soms miljoenen euro’s moeten terugbetalen aan het zorgsysteem. Over langdurig zieken die niet ziek genoeg zouden zijn en daarom te veel zouden kosten, horen we werkgeversfederaties en hun opiniemakers veel mopperen in de kranten. Maar wat met deze ‘fraude’? Zonder afdoende controle stijgen de budgetten voor de gezondheidszorg jaar na jaar. Hoog tijd, zo stellen de auteurs, om dat niet op zijn beloop te laten en na te gaan of dat geld wel nuttig wordt besteed. Ook de omkadering van de geconventioneerde versus niet-geconventioneerde zorgverstrekking dient in dit licht herbekeken te worden. Waarom zouden niet-geconventioneerde artsen dezelfde faciliteiten van de overheid moeten krijgen, bijvoorbeeld?
Tot slot benadrukken de auteurs dat niet de winst, maar de gezondheid van ons allemaal – patiënten én zorghelden – de absolute prioriteit moet zijn. Dat klinkt prima, maar deze gedachte is op zich zo evident dat we niet meteen iemand zullen vinden die dit publiekelijk tegenspreekt. Helaas, net zoals in andere beleidsmatige studies merken we ook in dit boek dat, als het over de zorg gaat, de aandacht toch vooral op de artsen gericht is. Alsof het zorgpersoneel een bijkomstigheid zou zijn. Heel wat hervormingen staan in het teken van de ondersteuning van de artsen, de saneringen komen daarbij dikwijls op conto van het zorgpersoneel en de patiënten. Wil je ons land écht gezond houden, dan moet die ongelijkheid ook aangepakt worden.