Analyse

Valse vijanden: Hoe criminalisering van milieubewegingen het groene extractivisme aanwakkert

Afbeelding
Extractivisme is een denkwijze en methode waarbij natuurlijke hulpbronnen systematisch worden geëxploiteerd met als doel maximale economische winst, vaak ten koste van ecologische grenzen en sociale rechtvaardigheid. Het vertrekt vanuit een wereldbeeld w
Extractivisme is een denkwijze en methode waarbij natuurlijke hulpbronnen systematisch worden geëxploiteerd met als doel maximale economische winst, vaak ten koste van ecologische grenzen en sociale rechtvaardigheid. Het vertrekt vanuit een wereldbeeld w
Grondstoffen zijn een erg gevoelig thema. Het gaat over bedrijfswinsten, mensenrechten, milieuschade, corruptie en levensonderhoud. Hoe mis het soms kan lopen werd bij de annulatie van een Docville-debat duidelijk.

Het Europees Milieubureau (EEB) is een koepelorganisatie van milieu-ngo’s in Europa, opgericht in 1974 en gevestigd in Brussel. Diego Marin, is een Senior Beleidsmedewerker voor Grondstoffen en Grondstoffengerechtigheid van EEB. Hij is geen onbekende in de verhitte debatten die dit veld kenmerken.

Doorheen zijn carrière heeft hij het ingewikkelde web van deze tegenstrijdige belangen doorlopen, en pleit hij voor een werkelijk eerlijke en rechtvaardige benadering van grondstoffenbeheer.

Recente gebeurtenissen hebben een verontrustende nieuwe uitdaging gepresenteerd. De EEB maakt zich grote zorgen over de ongekende publieke ad-hominem aanvallen en scheldpartijen gericht op Diego, met name afkomstig van een onderzoeker aan de gerenommeerde KU Leuven.

Hoewel dergelijke persoonlijke aanvallen op zichzelf misschien triviaal lijken, weerspiegelen ze een bredere, meer sinistere tendens: de systematische in diskrediet brenging en criminalisering van milieubewegingen en activisten, met als doel dissidentie te onderdrukken en extractieve agenda’s te beschermen.

Diskrediteringshandboek

Criminalisering neemt verschillende vormen aan. Smaadcampagnes, ongefundeerde beschuldigingen en het inzetten van bureaucratie als wapen zijn voorbeelden van subtiele tactieken om de milieurechtvaardigheidsbeweging te demoniseren en te ondermijnen.

Anderzijds kan het ook openlijk gebeuren: repressie, gevangenisstraffen, of SLAPPs (Strategic Lawsuits Against Public Participation), een type misbruik van juridische procedures door bedrijven om vrije meningsuiting, het publieke belang en volksmacht te onderdrukken.

Dit soort rechtszaken is meestal gericht tegen milieu- en mensenrechtenverdedigers, journalisten, klokkenluiders en maatschappelijke waakhonden. Vandaag zien we een verontrustende samensmelting van strategieën, waarbij bedrijven en extreemrechtse groepen de krachten bundelen om milieuverzet te ondermijnen.

Milieuorganisaties krijgen steeds vaker te maken met laster en verdachtmakingen. Zo bracht een Europarlementslid van de EVP eerder dit jaar een zogenaamd “groen lobbyschandaal” naar buiten, waarin hij – zonder enig bewijs – beweerde dat door de EU gefinancierde ngo’s in het geheim zouden lobbyen voor de Green Deal, in opdracht van de Europese Commissie.

Tegelijkertijd maken nieuwe, strenge anti-protestwetten in het VK vreedzame klimaatmarsen strafbaar, en worden activisten er gebrandmerkt als “eco-terroristen”.

In de Verenigde Staten bepaalde een jury in North Dakota dat Greenpeace 660 miljoen dollar moet betalen voor het ondersteunen van door inheemse volkeren geleide protesten tegen de Dakota Access Pipeline - een schokkend precedent van bedrijfswraak tegenover milieubescherming.

Juist nu ecologische mobilisatie harder nodig is dan ooit, worden milieuactivisten steeds vaker neergezet als staatsvijanden.

Het is een bewuste strategie van discreditering, bedoeld om “groen extractivisme” [1] mogelijk te maken – de misleidende herverpakking van mijnbouw en vervuilende energieprojecten als zogezegde klimaatoplossingen. Intussen worden haalbare alternatieven die het grondstoffengebruik kunnen verlagen en inzetten op een rechtvaardige, mensgerichte transitie systematisch genegeerd.

“Not in my backyard”-hypocrisie

Tegen deze achtergrond is er de door KU Leuven gefinancierde documentaire Not in My Country — met Peter Tom Jones in de hoofdrol en ondersteund door daaropvolgende pleitcampagnes — die de voortdurende, subtiele en openlijke criminalisering van milieubewegingen benadrukt.

Wetenschappers en filmmakers hebben het initiatief al veroordeeld als een “documercial”, vanwege de eenzijdige, bedrijfsvriendelijke framing. Ze beschuldigen de documentairemakers van een “neokoloniaal, extractivistisch narratief” te bestendigen onder het mom van klimaatactivisme.

De documentaire stelt lokale oppositie voor als een door Rusland gefinancierd complot, en grijpt daarmee terug op de in diskrediet gebrachte tactieken van het “groen lobbyschandaal”, terwijl ze tegelijkertijd milieu- en sociale zorgen bagatelliseert, evenals de repressieve methodes van de regering-Vučić.

De titel van de documercial, Not in My Country, is een bewuste imitatie van de “Not In My Backyard” (NIMBY)-trope, met een manipulatieve draai: het portretteert milieucampagnevoerders als hypocrieten (“Je eist groene technologie, terwijl je je verzet tegen de mijnen die de grondstoffen leveren.”).

Deze oneerlijke framing reduceert complexe ethische debatten tot simplistische “gotcha”-retoriek. Negeert legitieme zorgen zoals waar en hoe de ontginning plaatsvindt. Doet alsof alle oppositie hypocriet is. Wist belangrijke verschillen uit tussen principieel antimijnbouwstandpunten en verzet tegen specifieke uitbuitende projecten zoals dat van Rio Tinto in Servië. En verschuift uiteindelijk de verantwoordelijkheid weg van bedrijven, door gemeenschappen die strijden voor duurzame alternatieven de schuld te geven.

De annulering die het censuurhandboek onthulde

Het controleren van het narratief is precies de modus operandi van Peter Tom Jones. Eind maart werd Diego uitgenodigd om deel te nemen aan een debat op 28 maart. Na de vertoning van Not in My Country op Docville.

Diego aanvaardde de uitnodiging. Echter, Peter Tom Jones — die Diego al eerder had geblokkeerd op LinkedIn — annuleerde het evenement abrupt, met als reden “veiligheidszorgen” voor de panelleden. Hij verklaarde dat andere deelnemers zich hadden teruggetrokken.

Diego werd op voorhand niet geïnformeerd over wie de andere panelleden zouden zijn, maar kwam later te weten dat het ging om een chemieprofessor van de KU Leuven, een vertegenwoordiger van Transport & Environment (die ondanks hun uitgebreide werk rond grondstoffen “neutraal” stonden tegenover het project), een vertegenwoordiger van Euromines (de Europese koepel van mijnbedrijven), en hijzelf. In de praktijk betekende dit dat de meerderheid van het panel uit voorstanders van de mijnbouw bestond.

Peter Tom Jones bestempelde de annulering publiekelijk als “een klap voor de vrijheid van meningsuiting in België”. Maar België hecht juist veel belang aan die vrijheid – net als aan het recht op vreedzaam protest. Wie een provocatieve film maakt ter verdediging van een project dat op hevig verzet stuit, hoeft zich niet te verbazen als dat verzet zich ook in het publieke debat laat horen.

Uit het grondige onderzoek van Tine Hens voor het onafhankelijke Vlaamse medium Apache blijkt dat Peter Tom Jones de vertoning pas annuleerde nadat duidelijk werd dat Diego aan het debat zou deelnemen. Alles wijst erop dat de documentaire niet bedoeld was als uitnodiging tot dialoog, maar als een gecontroleerde monoloog.

Narratieven die alternatieve oplossingen ondergraven

In de politiek draait alles om narratieven: de verhalen die we vertellen. Mensen zoals Peter Tom Jones lijken zich nauwelijks te kunnen voorstellen dat milieu-ngo’s, die jarenlang hebben gepleit voor klimaatactie, zich nu verzetten tegen lithiumwinning – nochtans een zogenaamd “cruciaal” metaal voor de energietransitie.

Maar over de vraag hoeveel lithium de wereld écht nodig heeft, bestaat nog altijd discussie. De prognoses zijn vaag en vaak gebrekkig. Modellen voor metaalvraag zijn weinig flexibel: ze baseren zich vooral op technologische ontwikkelingen en marktgegevens, vaak gekoppeld aan verwachtingen over consumentengedrag en een blijvende bbp-groei van 2 à 3 procent over de komende dertig jaar.

Wat ze zelden doen, is gedragsverandering meenemen (wat toegegeven complexer is), of rekening houden met mogelijke economische krimp door klimaatimpact. Ook technologische vooruitgang wordt vaak onderschat. En toekomstige innovaties die nu nog niet bestaan, kunnen ze simpelweg niet voorspellen.

Hoewel lithium voorlopig nog een belangrijke rol speelt in batterijen voor elektrische voertuigen en energieopslag (goed voor zo’n 80 procent van de vraag), zou een combinatie van alternatieve technologieën en efficiënter grondstoffengebruik de nood aan nieuwe mijnbouw drastisch kunnen verlagen.

Doorbraken in natrium-ionbatterijen bieden nu al een realistisch alternatief voor lithium. En een herinrichting van steden waarbij openbaar vervoer voorrang krijgt op privéwagens, zou de mineralenvraag aanzienlijk kunnen terugdringen.

Volgens Transport & Environment kan de lithiumvraag al met een derde dalen door kleinere, efficiëntere batterijen. Amigos de la Tierra schat dat tot 67 procent van de benodigde mineralen kan worden geleverd via circulaire strategieën zoals recycling, een langere levensduur van producten en een fundamentele herziening van ons mobiliteitssysteem.

En misschien het meest opvallend: studies uit de VS tonen aan dat de vraag naar lithium zelfs met 90 procent kan dalen door drie ingrepen: minder autogebruik, kleinere batterijen en betere recyclage-infrastructuur. Zodra we vraagreductie centraal stellen, in combinatie met technologische innovatie, valt het valse idee weg dat klimaatactie per definitie samengaat met nieuwe grootschalige ontginning.

Wat de situatie nog zorgwekkender maakt, is dat de Critical Raw Materials Act mijnbouwprojecten in Europa en daarbuiten net wil versnellen. Ook in kwetsbare ecosystemen. Dit op basis van overdreven vraagprognoses die doelbewust oplossingen aan de vraagzijde negeren.

De documentaire Not in My Country versterkt precies die logica van “eerst delven, later vragen stellen”.

Extreemrechtse slachtofferpolitiek en groen extractivisme

De documentaire onthult ook enkele sinistere ontwikkelingen achter de schermen. De suggestie dat Russische actoren lokaal verzet tegen het Rio Tinto-project aanwakkeren, vertegenwoordigt een gevaarlijke trend in Europa: het gebruik van bestaande geopolitieke angsten om protest in diskrediet te brengen.

Door grassroots-verzet voor te stellen als een buitenlands opgezette operatie - een methode die traditioneel werd gebruikt om burgerrechten-, anti-oorlogs- en arbeidersbewegingen te ondermijnen - bewapent de film Europa’s gespannen relatie met Rusland om legitieme grieven te onderdrukken.

Dit echoot niet alleen de “rode schrik”-propaganda uit de Koude Oorlog, maar sluit ook aan bij extreemrechtse tactieken die verzet associëren met verraad. Zulke narratieven vormen een subtiele vorm van criminalisering, waarbij activisten worden voorgesteld als onwetende (of gewillige) agenten van een buitenlandse vijand, in plaats van als burgers die hun democratische rechten uitoefenen.

Het doel is de aandacht af te leiden van bedrijfswantoestanden - in dit geval de uitbuitende praktijken van Rio Tinto en de repressie van de regering-Vučić - door een “schaduwvijand” te creëren. Gezien de nauwe banden van de regering-Vučić met de Russische regering, zijn berichten over door Rusland gefinancierde protesten ronduit absurd.

Dit is echter niet de eerste keer dat bedrijven “rode schrik”-tactieken gebruiken om milieuprotest te ondermijnen. In 2023 begon de industrie met het promoten van het narratief dat milieubewegingen het vuile werk van China zouden opknappen.

Ze beweerden ook ten onrechte dat milieuorganisaties onevenredig veel toegang hadden tot EU-functionarissen in vergelijking met mijnbouwbelangen. Daarmee werd twijfel gezaaid over de financiering van ngo’s en de basis gelegd voor de ongefundeerde beschuldigingen die later naar voren kwamen in het “groene lobby-schandaal”.

Deze misleidende vergelijking negeerde gemakshalve het feit dat de meeste milieu-ngo’s zich helemaal niet bezighouden met mijnbouw. Deze opzettelijke verwarring is bedoeld om legitiem activisme in diskrediet te brengen.

Tot slot doet de manier waarop Peter Tom Jones de annulering van het debat gebruikt als zogenaamd bewijs van onderdrukking door milieubewegingen sterk denken aan het script van de omstreden psycholoog en extreemrechtse publiekslieveling Jordan Peterson.

Hoewel Peterson en Jones inhoudelijk lijnrecht tegenover elkaar staan als het over klimaatactie gaat, maken ze allebei gebruik van het idee van “vrije meningsuiting” als schild tegen kritiek. En presenteren ze zichzelf als slachtoffers van een zogezegde “cancel-cultuur”.

De vergelijking gaat verder. Peterson voert campagne tegen wat hij “woke-censuur” noemt en sluit daarmee aan bij een extreemrechtse retoriek die klimaatactivisten afschildert als autoritaire overdrijvers.

In dat narratief worden bedrijven en bepaalde politieke regimes gepositioneerd als verdedigers van het “rationele debat”, terwijl milieuactivisten worden voorgesteld als aanhangers van een “pseudo-religie” die streeft naar socialistische controle over de samenleving.

Hoewel Jones mogelijk niet de meer extreme standpunten van Peterson deelt, vertoont zijn retoriek duidelijke gelijkenissen. Vooral in zijn manier van het afschilderen van anti-extractivisme-activisten als emotioneel gedreven fanatici, vergelijkbaar met “Jehova-getuigen”.

En hier komt de wending: “groen” extractivisme is gebaseerd op extreemrechtse logica. Door Rio Tinto’s mijnbouwprojecten te herverpakken als “klimaatpragmatisme”, herhaalt Jones de valse tegenstellingen van extreemrechts (“banen versus milieu”, “vooruitgang versus protest”) om het opofferen van gemeenschappen en ecosystemen te rechtvaardigen.

Ondertussen leiden zijn emotionele uitroepen over “censuur” de aandacht af van de werkelijke vormen van het monddood maken: van Serviërs die geconfronteerd worden met de repressie van Vučić, van onderzoekers die overdreven lithiumvraagmodellen in vraag stellen, en van gemeenschappen die ecologische alternatieven voorstellen voor toenemende ontginning.

Dit is de duistere synergie van onze tijd. Corporatief extractivisme neemt de discursieve tactieken van extreemrechts over (samenzweringstheorieën, paniek rond vrije meningsuiting) om ecologische plundering te rechtvaardigen, terwijl extreemrechtse bewegingen de angst rond de groene transitie gebruiken om tegenreacties aan te wakkeren. Beide profiteren van dezelfde leugen: dat rechtvaardigheid – of die nu sociaal of ecologisch is – een bedreiging vormt voor “vrijheid”.

Ondertussen heeft Peter Tom Jones via LinkedIn een publieke verontschuldiging aangeboden aan de EEB. De rechtstreeks betrokken personen – Diego Marin en Robin Roels – waren echter al door Jones geblokkeerd op LinkedIn en vernamen van deze verontschuldiging alleen via derden.

De EEB ontving geen e-mail, brief of uitnodiging tot overleg over deze kwestie. Dit suggereert dat de verontschuldiging eerder bedoeld was als herstel van het publieke imago dan als een teken van oprechte spijt.

Als wetenschappelijke integriteit echt belangrijk is aan de KU Leuven, dan zijn zowel Peter Tom Jones als rector Luc Sels een oprechte verontschuldiging verschuldigd. Niet aan de EEB in de eerste plaats, maar vooral aan het Servische volk, dat weigert om een mijnbouwkolonie te worden.

Note:

[1] Extractivisme is een denkwijze en methode waarbij natuurlijke hulpbronnen systematisch worden geëxploiteerd met als doel maximale economische winst, vaak ten koste van ecologische grenzen en sociale rechtvaardigheid. Het vertrekt vanuit een wereldbeeld waarin natuur gereduceerd wordt tot grondstof, en waarin economische groei primeert op de rechten van gemeenschappen en ecosystemen.

Dit artikel verscheen eerder in het Engels op de site van de EEB.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?