Wanneer neutraliteitsbeleid vooral moslims viseert, is het dan wel neutraal?
Ik sluit de deur van mijn kliniekkamer en leg me op het bed onder mijn grijze badjas die ik als deken gebruik. Het is reeds 22:00 – ik wacht op het tijdstip van het nachtgebed. Ik waag, zonder in slaap te vallen, toch nog één poging te dromen.
Over een herstel. Over het bedrijven van filosofie. Over het filosofisch prikkelen van scholieren. Mijn droom is namelijk om leerkracht te worden maar tot mijn spijt komt een filosofieleerkracht met een hoofddoek alleen in aanmerking voor het literaire genre van fantasy.
Helaas wordt die droom minder tastbaar omdat ook mijn academische opleiding Wijsbegeerte aan de UGent aanzienlijk bemoeilijkt wordt door andere omstandigheden die buiten mijn grijpbereik liggen. Tussen witte muren van een kliniekkamer beland je namelijk niet zomaar.
In de openbare ruimte beweeg ik me klein – mijn blik neergeslagen, mijn aanwezigheid zorgvuldig ingeperkt. Mijn hoofddoek blijft vanaf de voordeur een teken dat verzacht en verklaard moet worden. In een ruimte die ook de mijne zou moeten zijn, leer ik mezelf krimpen.
Alhoewel het verbod formeel voor alle levensbeschouwelijke tekens geldt, treft dit in de praktijk moslima’s die een hoofddoek dragen
Het verbod op religieuze tekens in het onderwijs in België moet men in het kader van een engere discussie plaatsen rond de zichtbaarheid van moslims en de islam in de publieke ruimte. Ook ik word namelijk gespannen als ik aan de bushalte naar Gent Zuid meer hoofddoeken zie dan ellenbogen onder T-shirts.
Gesluierde moslima’s zijn zich héél bewust van hoe ze deel uitmaken van het straatbeeld. Ik beeld me een potentiële Vlaams Belang-post in – over de aangrijpende (!) verandering van de publieke ruimte – wanneer ik vermoeid en gekleed in een lang gewaad naar mijn kliniekkamer strompel via de Sleepstraat.
Het neutraliteitsbeginsel waar Karin Heremans zich zo graag op beroept wordt voorgesteld als een algemene waarborg voor de onpartijdigheid van het onderwijs. Die schijnbare neutraliteit in de Belgische context verhult echter dat de keuze om zichtbare religieuze tekens uit de onderwijsomgeving te weren, vertrekt vanuit een opvatting hoe neutraliteit er in de publieke ruimte moet uitzien en welke religieuze uitdrukkingen daarin aanvaardbaar worden geacht. Alhoewel het verbod formeel voor alle levensbeschouwelijke tekens geldt, treft dit in de praktijk moslima’s die een hoofddoek dragen.
De gevolgen zijn helemaal niet gelijk verdeeld. De aanleiding van dit verbod was er zeker niet gekomen door de groeiende, dreigende zichtbaarheid van een andere religieuze groep. Een keppeltje vormt in veel gevallen geen vergelijkbare drempel, mede omdat er een uitgebreid netwerk van joodse scholen bestaat waarbinnen ze wel hun religieuze kledingvoorschriften mogen naleven. Ook een kruis aan een ketting heeft in het grotendeels geseculariseerde Vlaanderen voor velen geen religieuze lading meer.
Het feit dat dit verbod een asymmetrische werking heeft en grotendeels vrouwelijke moslims treft, is de bedoeling. Daar ligt precies de spanning die we willen blootleggen: een maatregel kan formeel universeel lijken en zich uitstrekken tot alle hoeken, maar de intentie en aanleidingen achter de maatregelen spelen wel degelijk een rol in de inhoudelijke invulling van die maatregelen.
De bedoeling is om de zichtbaarheid van het moslim-zijn in te perken
In 2009 leefde er namelijk in verschillende gemeenschapsscholen in Antwerpen de discussie rond het dragen van een islamitische hoofddoek door zowel leerkrachten als scholieren. Wat we niet mogen vergeten is dat er aanvankelijk in de praktijk over een hoofddoekenverbod werd gesproken. Het verbod werd geherformuleerd en uitgebreid tot alle zichtbare levensbeschouwelijke tekens om op die manier het hoofddoekenverbod en uitsluiting van moslimleerkrachten in het onderwijs te legitimeren.
De bedoeling is om moslima’s kansen op de arbeidsmarkt te ontzeggen. De bedoeling is om de zichtbaarheid van het moslim-zijn in te perken en de normalisering van een herkenbaar moslimhoofd terug te werken. De bedoeling is om een ideologisch mechanisme onder het mom van neutraliteit te laten wortelen als dwingend instrument dat vrouwen beveelt zich zodanig uit te wissen en te wassen tot wat de norm voorschrijft: wit, seculier en cultureel ontdaan.
De vraag dringt zich dan op of we wel degelijk kunnen spreken over een neutraliteitsbeginsel, dan wel een ideologisch geladen beleidskeuze die onder de sluier van onpartijdigheid de zichtbaarheid van moslimvrouwen inperkt. Theo Francken spreekt bijvoorbeeld over de hoofddoek als ‘een dwangbuis voor massa’s meisjes in West-Europa’.
Als mevrouw Heremans en gelijkgestemden het mij toelaten om, in al mijn geuren en kleuren, te dromen, zal het in slaap proberen vallen zonder slaapmedicatie een stuk makkelijker verlopen. In mijn droom word ik voor het eerst niet iemand die vragen beantwoordt en een verantwoording moet afleggen. In die droom kijk ik mijn scholieren aan met de vraag waarom Kierkegaard zichzelf en de ander als enkeling tegenover God ziet. In die droom, als die verwerkelijkt wordt, stel ik de vragen.
Imane Karroumi El Bouchtati (°2001) is schrijfster en filosofiestudente. Als kind won ze onder andere De Wondere Pluim Antwerpen 2013 in haar leeftijdscategorie met een filosofisch geladen kortverhaal. Ze is sinds 2017 lid van het Letterzettercollectief te Kortrijk en werkt veel rond het thema psychiatrie en wat schrijven betekent in periodes van hoofd-boven-water-houden. Ze verzamelt antieke Riffijns-Berberse juwelen en zeldzame boeken over de Rif.