Opinie

Lieve kinderen, deze vissen zullen sterven, deze rivier ook

Afbeelding
Bewerkt beeld: Dorosh Elena, Ollyko via canva.com
Bewerkt beeld: Dorosh Elena, Ollyko via canva.com
Kinderen die vissen proberen te redden uit een bijna opgedroogde rivier. "Het is bijna lieflijk", schrijft Katrien Van den Bosch. Maar de reden dat ze het doen, hitte en klimaatverandering, is te prangend om het zo te omschrijven. "Doen we genoeg?", vraagt Van den Bosch zich af.

Terwijl ik aan de rivieroever zit, het waterpeil lager dan ooit tevoren, zie ik kinderen met kommetjes in de weer. Ze zijn bezig met een reddingsactie, meer bepaald van kleine vissen die vastzitten in nog-net-niet-opgedroogde poeltjes die ontstonden in een nog-net-niet-opgedroogde rivier. "Voorzichtig," hoor ik, "dat je hun schubben niet beschadigt". En "laat hen niet te lang in de kom zitten, dan sterven ze". Hun zorg en toewijding is groot. Afspraken rond de shift voor de volgende dag en de dagen nadien worden gemaakt. 

"Ik vertrek overmorgen, kan jij dan komen kijken?" Het tafereel is bijna lieflijk. Zou ontzettend lieflijk kunnen zijn. Maar de reden waarom ze het doen, is te prangend. De urgentie die ze voelen, staat in schril contrast met de urgentie die in de 'wereld van de volwassenen' gevoeld wordt.  

Terwijl deze vissenredders hun aanpak bespreken, extra metgezellen vinden, extra kommen halen, teams vormen en zo meer, doet de volwassen wereld het tegenovergestelde. In tegenstelling tot hen zijn we niet massaal aan het bespreken wat we moeten doen, hoe we in actie kunnen komen tegen deze en toekomstige droogte, hoe we waterpeilen kunnen opkrikken, kringlopen en ecosystemen kunnen herstellen, beter kunnen samenwerken. Hoe we hen kunnen helpen die nu al getroffen worden door droogte, onrecht of schaarste, wie wat op zich kan nemen en wanneer, hoe we kunnen redden wat er nog te redden valt. 

Hij wilde weten of het nog goed komt met het klimaat

Neen, wij denken na over of de verzekeringsmaatschappij onze kosten dekt als onze reisplannen wijzigen door bosbranden. Over hoe we grenzen van een landmassa gaan verdedigen tegen medemensen die door droogte, honger en geweld naar hier trekken (een muur misschien? Iets met drones?). Over hoe exuberante subsidies voor lokale vervoersfossielen wel degelijk nodig zijn en de bewezen oorzakelijkheid hiervan voor de huidige crisiscluster als irrelevant wordt weggezet, veroordelingen in beroepszaken ten spijt. Over of wielrensters valsspelen met hun bustes om zo sneller te rijden.  

Enkele dagen later op een (bloedheet) verjaardagsfeest waarop we in een gekke stoelenrij verkoeling zoeken in de schaduw, fluistert een vriend dat zijn achtjarige zoon, grote broer van de jarige, hem dé vraag heeft gesteld. Nee, niets over waar kinderen vandaan komen of hoe het nu zit met die paasklokken. Hij wilde weten of het nog goed komt met het klimaat. Of de ontwrichting niet te groot is. Aarzelend antwoordde hij hem dat hij hoopt dat we nog dingen kunnen redden, kunnen herstellen. Zoals we ooit vreesden voor het gat in de ozonlaag dat toch weer hersteld raakte. Maar dat sommige zaken ook verloren zijn. Dat gesmolten ijskappen niet plots weer aangroeien. 

"Ik wil niet liegen, maar kan ook niet helemaal eerlijk zijn". Het ongemak van mijn vriend was voelbaar. Ik zei hem dat die andere vraag nog komt. "Wisten jullie dit al toen jullie besloten mij te maken?" Een slikgeluid. Groeiend ongemak. Een vervolggesprek. Doen we genoeg? Wat kunnen we meer doen? Anders doen? Waar ontbreekt het ons aan moed, aan daadkracht, aan betrokkenheid? Hoe te bepalen wat binnen en wat buiten onze macht ligt? Wat met onze machthebbers, regeringsleiders? Een gesprek. 's Avonds een berichtje. "Ik heb me aangesloten als medestander bij de Klimaatzaak." Verder berichtverkeer. Uitnodigingen voor een vervolg. 

"Lieve kinderen, laat maar zitten die vissen. Deze vissen zullen sterven, deze rivier ook"

Dit zijn gesprekken die we moeten voeren. Met onze kinderen maar vooral met elkaar. Ook op verjaardagsfeesten. Wat vinden we belangrijk? Nu en in de toekomst? Hoe geraken we uit hangmatten van onmacht, zelfbedrog, verwijt of moedeloosheid en komen we in actie? Willen we werkelijk onze kinderen toefluisteren van op de oevers: "Lieve kinderen, laat maar zitten die vissen. Deze vissen zullen sterven, deze rivier ook. Après nous, le déluge. Après nous, le désert. Après nous, la honte" (Na ons de zondvloed. Na ons de woestijn. Na ons de schaamte, nvdr). 

Moeten we, om de woorden van Hélène Cisoux te verdraaien, letterlijk eerst deze wereld verliezen voor we ontdekken dat vele andere werelden mogelijk zijn? Of kunnen we dat ontdekken terwijl we hem verliezen? Kunnen we besluiten nu te kiezen voor iets anders? Stappen we, alsnog, met een brandende wereld op de achtergrond en noodgedwongen bijeengesprokkelde moed, zelf mee in het schaarse water en doen we op zijn minst massaal een poging om het weer rijkelijk te doen stromen? 

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?