Interview

Édouard Louis over extreemrechts: ‘We moeten durven begrijpen wat we haten’

Afbeelding
Édouard Louis. Foto: Heike Huslage-Koch/CC BY-SA 4:0
Édouard Louis. Foto: Heike Huslage-Koch/CC BY-SA 4:0
Geert Schuermans van SamPol-magazine sprak met de Franse literaire auteur Édouard Louis: “Impliciet vinden we dat de mensen waarvoor we strijden dat moeten verdienen. Ook de linkerzijde. Ik vind dat we het beest in de bek moeten durven kijken. Zelfs als iemand hatelijk is, moeten we voor hem strijden."

We treffen Édouard Louis midden in de stakingsdriedaagse die de vakbonden organiseerden tegen het asociale beleid van de Arizona-regering. Als we ernaar polsen, blijkt hij behoorlijk op de hoogte van de politieke toestand in België. De Franse literaire auteur is echter niet in Antwerpen om actie te voeren, maar ter promotie van zijn nieuwste roman De ondergang

Daarin reconstrueert Louis het leven en de dood van zijn naamloze broer. "Hoe meer hij droomde, hoe meer hij stikte", schrijft hij over hem. Verwacht geen ode aan hun broederband - die was er simpelweg niet, aldus Louis - maar een onderzoek naar hoe sociale afkomst, mannelijkheid en psychische kwetsbaarheid iemand langzaam kunnen vernietigen.

De eerste zin van De ondergang luidt: "Ik voelde niets toen ik hoorde dat mijn broer dood was, geen droefheid, geen wanhoop, geen blijdschap, geen genoegen." Is het niet vreemd dat u vervolgens toch een boek van meer dan 200 pagina's over hem schrijft?

"Ik hield niet van mijn broer. Hij was een racist en extreem gewelddadig. Hij sloeg vrouwen en homoseksuele personen gewoon voor zijn plezier. Ik heb meer dan één hond gezien die voor de rest van zijn dagen kreupel liep, enkel omdat mijn broer op één van zijn slechte dagen zijn frustratie op hem had uitgewerkt. Ik ging hem dus uit de weg. Toen mijn moeder me belde om te zeggen dat hij overleden was, had ik 10 jaar niet met hem gesproken. Maar zijn dood maakte dat ik hem niet meer kon mijden."

Afbeelding
Édouard Louis - De ondergang
Édouard Louis - De ondergang

Waarom niet?

"Mijn broer was 38 jaar oud toen hij stierf. Hoewel zijn dood geen emotionele impact op me had, was het een sociologische schok. Mensen sterven niet op hun 38ste. Ik wou begrijpen hoe dat kon. Waarom was hij ook die vreselijke persoon geworden die hij was? Ik vermoed dat zijn overlijden me de nodige afstand schonk om dat te onderzoeken."

Waarom was mijn broer die vreselijke persoon geworden die hij was?

Had u geen schrik dat u er gewoon op zou uitkomen dat uw broer een slecht persoon was?

"Nee, want ik vind dat we het beest in de bek moeten durven kijken. We moeten durven begrijpen wat we haten. Voor mij is dat een politieke keuze, die blijkbaar moeilijk is. Het meritocratisch denken heeft ondertussen iedereen besmet. Impliciet vinden we dat de mensen waarvoor we strijden dat moeten verdienen. Ook de linkerzijde heeft daar last van.

Hoe bedoelt u?

"Er zijn twee manieren waarop gemarginaliseerde groepen worden voorgesteld. Beide visies lijken tegenover elkaar te staan, maar eigenlijk gaat het om één en hetzelfde gedachtegoed. De Franse socioloog, Pierre Bourdieu, noemde dat 'antagonistische medeplichtigen'."

"De rechterzijde doet dat op een reactionaire manier: mensen zijn lui, zwak of gewelddadig. De linkerzijde heeft dan weer de neiging om gemarginaliseerde groepen te idealiseren. Dan zeggen we dat alle vrouwen krachtig zijn, alle queermensen helden, en alle arbeiders solidair. Vaak is dat zo, maar even vaak ook niet."

U verzet zich daartegen?

"Net zoals Ken Loach of de broers Dardenne wil ik in mijn boeken vooral een realistisch beeld van mensen schetsen. Als je hen idealiseert, maak je er een karikatuur van. Je ontzegt hen hun complexiteit, hun nuances en hun menselijkheid. Wanneer je dan een echt persoon voor je krijgt, blijkt die helemaal niet aan dat ideaalbeeld te voldoen. Het systemische geweld dat hem creëerde, is buiten beeld."

"Vervolgens start hierdoor de discussie over of je hem wel of niet moet helpen. Het uitgangspunt van mijn boek is dat we als linkerzijde, zelfs als iemand hatelijk is, toch voor hem moeten strijden."

Als je mensen idealiseert, maak je er een karikatuur van

Het is voor iemand met uw achtergrond in armoede wel makkelijker om dat ideaalbeeld te doorprikken. Als iemand uit de middenklasse hetzelfde doet, wordt dat dan - zeker binnen progressieve kringen - niet als stigmatiserend beschouwd?

"Op die manier zou je enkel over bepaalde groepen mogen spreken als je daar deel van uitmaakt. Dat is toch klinkklare onzin? Karl Marx en Jean-Paul Sartre kwamen allebei uit de bourgeoisie. Nochtans hebben zijn enkele van de belangrijkste pagina's geschreven die er in de geschiedenis over de arbeidsklasse verschenen zijn. De enige vraag die ertoe doet, is niet wie mensen zijn, maar wat ze te vertellen hebben."

Maar uw achtergrond kan u toch bepaalde inzichten verschaffen, waar mensen die zich niet in uw sociale positie bevinden, niet over beschikken?

"Dat spreekt voor zich. De eerste keren dat ik me in een ruimte bevond, waarvan ik wist dat ze vol intellectuelen zat, wist ik me geen houding te geven. Laat staan dat ik mijn mond durfde open te doen. Daar had iemand als Sartre - om het mild uit te drukken - bepaald geen last van. Anderzijds is het ook niet zo dat als je uit de arbeidersklasse komt, het makkelijker is om daarover te schrijven."

Hoe bedoelt u?

"Omdat je het over de mensen dichtbij je hebt en je niet altijd een positief beeld van hen kunt schetsen. Toen ik debuteerde met Weg met Eddy Bellegueule was mijn moeder woedend op me. Ze schaamde zich kapot over het feit dat de wereld zou weten dat zij arm was."

Waarom eigenlijk?

"Die schaamte is er altijd wel geweest, maar de laatste tijd komt daar een moreel element bij. Rechtse politici zijn erin geslaagd om haast heel de samenleving te doordringen van het eigen-schuld-dikke-bult-discours. Zelfs mensen in armoede zijn ervan overtuigd dat ze moreel schuld hebben aan hun toestand."

Rechtse politici zijn erin geslaagd om haast heel de samenleving te doordringen van het eigen-schuld-dikke-bult-discours

Mensen hebben het individueel schuldmodel geïnternaliseerd?

"Voor mij is dat één van de ergste uitingen van het politieke geweld dat het huidige neoliberale beleid op mensen uitoefent: dat het hen blind maakt voor hun eigen levenssituatie. Als een gevolg stemmen veel arbeiders voor extreemrechtse partijen die de belangen van het bedrijfsleven dienen. Als mensen zich wel bewust waren van de dynamieken die hun leven vormgeven, leefden we in een linkse wereld."

In De ondergang speelt de psychologische toestand van uw broer een cruciale rol. Waarom heeft u gekozen om daar zo veel aandacht aan te geven?

"De Franse schrijfster Julia Kristeva schrijft in haar boek Soleil Noir: 'Mijn depressie wijst me erop dat ik niet tegen verlies kan.' Toen ik me in het leven van mijn broer verdiepte, viel het me op dat hij niets kon loslaten. Telkens opnieuw rakelde hij moeilijke gebeurtenissen op: zijn vader had hem verlaten, mijn vader had hem uitgelachen, zijn moeder nam het daarbij nooit voor hem op, … Hij was niet in staat om dingen achter zich te laten. Door dat op een rijtje te zetten, moest ik concluderen dat hij depressief was. Bij leven heb ik dat nooit gezien."

Waarom vond u het belangrijk dat te benoemen?

"Omdat mensen uit de arbeidersklasse ook psychische problemen kunnen hebben, die uit zichzelf komen. In de literatuur zijn ze triest omdat ze hun huis kwijtraken, omdat ze geen geld hebben, omdat de fabriek sluit, enzovoort. Uiteraard zijn die omstandigheden mentaal extreem belastend." 

Afbeelding
Edouard Louis

"Tegelijk schetsen boeken over de bourgeoisie een beeld van mensen die materieel niets tekortkomen, maar verdrietig zijn omdat ze verdrietig zijn. Omdat ze zo'n complex innerlijk leven hebben. Natuurlijk maakte zijn socio-economische context het nog veel erger, maar mijn broer had van zijn geboorte een psychologische wonde in zich. Ik wilde tonen dat dit in elk sociaal milieu voorkomt, niet enkel in de hogere klassen."

U noemt uw broer depressief omdat hij niet kon verliezen. Bijna zijn hele leven lang legt hij zich nergens bij neer en blijft hij vechten. Ik vond net dat hem dat sterk maakte.

"Dat was hij zeker ook. Mijn broer liet zich nooit kaderen door zijn sociale klasse. Daardoor was hij vrijer dan ik. Ik was een feminiene homoseksuele jongen die gepest werd. Mijn droom was om stoer te zijn zoals de andere jongens uit mijn milieu. In het boek schrijf ik hoe het geweld van het sociaal determinisme erin bestaat dat het onze verlangens verkleint."

"Iemand uit de arbeidersklasse wil niet veel meer dan promotie maken in de fabriek, een grotere televisie kopen, of een lening voor een auto krijgen. Mijn broer was anders. Hij bleef groot dromen: hij wou de beste slager ter wereld worden, mee de Notre-Dame restaureren, ... Hij wou uitblinken en net dat maakte hem kwetsbaar."

Hij was gebaat geweest bij psychologische hulp.

"… maar in onze sociale klasse ligt daar tot op de dag van vandaag een taboe op. Zeker bij mannen. Een echte vent gaat niet naar de dokter als hij ziek is. Over een psycholoog bij mentale problemen hoeven we het niet eens te hebben. Voor mijn broer was daardoor de weg naar antidepressiva of therapie afgesloten. Ik geloof er heilig in dat hij minder gewelddadig was geweest, als hij taal aangereikt had gekregen om over zijn psychische pijn te praten." 

 

Dit is het eerste deel van het interview Édouard Louis ‘We moeten durven begrijpen wat we haten’ dat verscheen in SamPol-magazine van januari 2026. Je kan het volledige gesprek lezen via deze link.

Sinds 2026 verschijnt SamPol magazine in een nieuwe lay-out, fris en aangenaam leesbaar. Je kan je hier abonneren online voor 40€/jaar, magazine en online 50€/jaar. Je kan ook steungever worden aan 100€/jaar of SamPol Sponsor aan 500€/jaar.

Édouard Louis. De ondergang. De Bezige Bij, Amsterdam, 2025, 232 pp. ISBN 978 9403 1341 61

Afbeelding
STEUNOPROEP
Word DWM-Bondgenoot

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?