Opinie

Eric Goens en de eenvoud van de 'war on drugs'

Afbeelding
Schermafbeelding uit 'Dealen met coke', Play.tv
Schermafbeelding uit 'Dealen met coke', Play.tv
Wie Dealen met coke en de bijhorende interviews met Eric Goens leest en bekijkt, merkt vooral hoe snel complexiteit wordt ingeruild voor eenvoud. Niet eenvoud als helderheid, maar eenvoud als versmalling. “Drugs” wordt één woord, één probleem, één vijand. Dat is begrijpelijk in televisie, maar schadelijk in beleid.

In de eerste aflevering van de documentaire wordt cannabis expliciet naast cocaïne geplaatst. Niet als onderscheidend middel met een eigen gebruikspatroon, risico’s en geschiedenis, maar als onderdeel van hetzelfde probleem. Het visuele en narratieve effect is duidelijk: softdrugs, harddrugs, synthetische drugs, alles wordt onder één noemer geschoven. 

De urgentie spat van het scherm. De boodschap is helder: drugs zijn overal, de schade is immens en de samenleving staat onder druk. Net die heldere overtuiging vraagt om een kritische lezing. Niet om de problematiek te ontkennen, maar omdat de gekozen invalshoek bepalend is voor het debat dat volgt. 

Het gevolg is dat elke vorm van differentiatie bij voorbaat verdacht wordt. Alsof nuance automatisch neerkomt op vergoelijking. Het loont om de woorden van Eric Goens uit de interviews in HLN en Het Nieuwsblad er af en toe uit te lichten en ernaast te leggen wat ze veronderstellen en vooral wat ze buiten beeld houden.

Wanneer “drugs” één woord wordt

Cannabis verschijnt in de eerste aflevering expliciet naast cocaïne, niet als afzonderlijk beleidsdossier, maar als deel van hetzelfde probleem. “Drugs” wordt zo een verzamelbegrip, een morele categorie die complexiteit vereenvoudigt en nuance verdacht maakt. Dat frame sluit aan bij het klassieke war on drugs-denken, maar botst met internationale inzichten rond differentiatie en regulering.

Uitspraken als “onschuldig een lijntje snuiven, dat bestaat niet” worden daarmee niet beperkt tot cocaïne, maar resoneren impliciet door naar andere middelen. Zo ontstaat een simplificatie waarbij verschillen in risico’s, gebruikspatronen en maatschappelijke impact vervagen.

Het criminele netwerk als argument tegen nuance

In beide interviews met Eric Goens wordt herhaald dat cocaïne onlosmakelijk verbonden is met zware criminaliteit. “Een pint is niet het product van een crimineel netwerk” is daarbij een kernzin. Ze wordt gebruikt om elke vergelijking met alcohol af te blokken.

Het criminele karakter zit niet in de stof, maar in het verbodskader

Vanuit een reguleringsperspectief is dit echter precies het omgekeerde argument. Alcohol is vandaag geen product van criminele netwerken omdat productie en verkoop gereguleerd zijn. Historisch was dat anders. Tijdens de drooglegging in de VS bijvoorbeeld waren geweld, corruptie en maffiastructuren net zo dominant als vandaag bij illegale drugs. Het criminele karakter zit niet in de stof, maar in het verbodskader.

Wanneer cannabis in de documentaire naast cocaïne wordt geplaatst, wordt dat onderscheid uitgewist. Daardoor lijkt regulering per definitie onmogelijk, terwijl net bij cannabis internationaal wordt aangetoond dat regulering criminaliteit terugdringt in plaats van voedt.

Onwetende gebruikers 

Uitspraken als “hipsters beseffen niet welke troep ze opsnuiven” illustreren terecht het gebrek aan kennis over samenstelling en zuiverheid. Maar opnieuw wordt het probleem gepersonaliseerd. Onwetendheid wordt voorgesteld als culturele lichtzinnigheid, terwijl ze in werkelijkheid een structureel gevolg is van illegaliteit.

Bij cannabis is dit bijzonder zichtbaar. In een verboden markt zijn THC-gehaltes onbekend, vervuiling oncontroleerbaar en informatie afwezig. In gereguleerde markten zijn samenstelling en herkomst transparant. Dat verschil is geen detail, maar een fundamenteel beleidsinstrument. Door cannabis in hetzelfde frame te plaatsen als cocaïne, wordt dat inzicht genegeerd.

Banalisering, romantisering en het verlies van onderscheid

De uitspraak “de banalisering moet weg, de romantisering ook” raakt een gevoelige snaar en verdient op zichzelf bijval. De verheerlijking van cocaïne in films, series en popcultuur heeft reële effecten op perceptie en gebruik. Maar in de manier waarop ze in de interviews wordt ingezet, schuift ze ongemerkt op van cultuurkritiek naar beleidsargument. Banalisering en romantisering worden niet alleen aangeklaagd bij cocaïne, maar impliciet bij drugsgebruik in het algemeen.

Bij alcohol wordt romantisering tegengegaan zonder het gebruik te criminaliseren

Daar wringt het. Voor cannabis betekent dit dat elke poging tot normalisering automatisch wordt gelezen als vergoelijking. Terwijl normalisering en romantisering niet hetzelfde zijn. Normalisering is een beleidskeuze die toelaat om gebruik zichtbaar, bespreekbaar en beheersbaar te maken. Romantisering is het esthetiseren van risico’s. Door die twee op één lijn te zetten, wordt elk pleidooi voor regulering verdacht gemaakt, nog voor het inhoudelijk kan worden besproken.

Bij alcohol heeft de samenleving die oefening al gemaakt. Reclamebeperkingen, leeftijdsgrenzen en waarschuwingen zijn precies bedoeld om romantisering tegen te gaan zonder het gebruik te criminaliseren. Bij cannabis blijft men vasthouden aan een discours waarin zichtbaarheid gelijkstaat aan gevaar. Dat leidt niet tot minder gebruik, maar tot minder inzicht.

Almachtige kartels en voorspelbare markten

De veelgebruikte vaststelling “de kartels zijn almachtig” dient als illustratie van de ernst van de situatie. Maar ook hier ontbreekt context. Kartels zijn almachtig binnen markten met extreem hoge winstmarges en zonder legale concurrentie. Dat is geen morele afwijking, maar economische logica.

Hetzelfde gold voor alcohol in de jaren twintig. De almacht van kartels is dus geen argument vóór volgehouden repressie, maar een indicatie dat het marktmodel zelf ontspoord is. Door cannabis in dit verhaal te betrekken zonder onderscheid, wordt ook daar de indruk gewekt dat criminaliteit onvermijdelijk is, terwijl net regulering die dynamiek doorbreekt.

De narcostaat als alarmwoord 

Het idee “we zitten op vijf voor twaalf, en twaalf betekent de narcostaat” is krachtig en werkt mobiliserend. De term “narcostaat” roept namelijk associaties op met falende instituties, corruptie en geweld. Maar net omdat het zo’n beladen begrip is, verdient het precisie. In de interviews wordt de dreiging van een narcostaat voorgesteld als een rechtstreeks gevolg van drugs en drugsgebruik. Dat laat weinig ruimte voor een andere lezing.

Een narcostaat ontstaat niet door het bestaan van psychoactieve middelen, maar door de combinatie van hoge winsten, illegaliteit en beperkte staatscontrole. Dat is geen semantisch verschil, maar een beleidsmatig cruciaal onderscheid. Landen die zwaar lijden onder drugskartels zijn niet per definitie landen met veel drugsgebruik, maar landen waar de illegale markt de enige markt is.

Waar cannabis uit de illegaliteit wordt gehaald, verliest de georganiseerde misdaad een stabiele inkomstenbron

Voor cannabis is dat verschil essentieel. Door het middel onder het narcostaatframe te houden, wordt de indruk gewekt dat regulering de staat verder zou ondermijnen. Internationale ervaringen tonen het omgekeerde. Waar cannabis uit de illegaliteit wordt gehaald, verliest de georganiseerde misdaad een stabiele inkomstenbron en wint de staat net aan controle.

De waarschuwing voor een narcostaat kan dus twee richtingen uit. Ofwel wordt ze gebruikt om het bestaande repressieve model verder op te schalen. Ofwel wordt ze gelezen als een signaal dat het huidige beleid structureel faalt. In Dealen met coke en de bijhorende interviews wordt vooral de eerste interpretatie gevolgd.

Vraag, schuld en individuele verantwoordelijkheid

In beide interviews wordt sterk ingezet op verantwoordelijkheid van de gebruiker. De uitspraken “als er minder vraag zou zijn, zou er ook minder aanvoer zijn” en “drugsgebruik is misdadig” zijn daar expliciete voorbeelden van. Die redenering is logisch, maar onvolledig.

De vraag naar psychoactieve middelen is immers historisch stabiel. Ze verdwijnt niet door criminalisering. Alcohol en tabak tonen dat regulering vraag kan sturen zonder ze te ontkennen. Door gebruik gelijk te stellen aan misdaad, wordt het debat verschoven van beleid naar moraliteit. Voor cannabis, waar gebruik in brede lagen van de bevolking voorkomt, leidt dat tot stigmatisering zonder aantoonbaar maatschappelijk voordeel.

Wanneer wordt gesteld “legaliseren is helemaal geen oplossing”, wordt regulering voorgesteld als een simplistische ingreep. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen cocaïne en cannabis. Nochtans bestaat er internationaal een brede consensus dat cannabis zich fundamenteel anders leent tot regulering.

Objectief bekeken is het probleem niet dat drugs bestaan, maar dat we weigeren onderscheid te maken

Modellen in Canada, Uruguay en meerdere Amerikaanse staten tonen minder zwarte markt, meer controle en betere volksgezondheidsuitkomsten. Door cannabis in hetzelfde narratief te houden als cocaïne, wordt die empirische realiteit buiten beeld gehouden. Regulering wordt zo niet weerlegd, maar genegeerd.

Sterke beelden, smalle kaders

Dealen met coke toont reële problemen en menselijke schade. Dat staat buiten discussie. De beperking zit niet in wat wordt getoond, maar in wat niet wordt bevraagd. Door cannabis naast cocaïne te plaatsen en alle middelen onder één moreel frame te schuiven, wordt het debat over regulering gereduceerd tot naïviteit. 

Objectief bekeken is het probleem niet dat drugs bestaan, maar dat we weigeren onderscheid te maken. Zolang “drugs” één woord blijft, blijft beleid steken in verontwaardiging in plaats van oplossingen.

 

Afbeelding
Word DWM Bondgenoot
Steun ons | De Wereld Morgen

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?