Rutger Bregman in Reith-lezingen: "Verandering vraagt geen perfectie, wel morele ambitie"
Deze kerst kan u zichzelf geen beter geschenk geven dan te luisteren naar de vier Reith Lectures die de Nederlandse historicus Rutger Bregman de voorbije weken gaf voor de BBC. De Reith Lectures, genoemd naar Sir John Reith, de eerste directeur-generaal van de Britse omroep, zijn sinds 1948 een instituut. Ze vertrekken vanuit een ambitie die vandaag bijna ouderwets klinkt: informeren, onderwijzen én moreel prikkelen. Denk aan stemmen als historica Margaret MacMillan, Robert Oppenheimer en meer recent, Chimamanda Ngozi Adichie. Dat de BBC dit jaar Rutger Bregman uitnodigde, bleek weer een voltreffer, maar ook een steen in de vijver.
Waarom weten we vaak perfect wat juist is, maar kiezen we toch voor comfort, carrière en zelfbehoud?
Bregman brak internationaal door met De meeste mensen deugen (2019), een boek dat velen overtuigde, maar door critici ook als naïef werd weggezet. Zijn rotsvaste geloof in de menselijke goedheid leek soms blind voor machtsstructuren, belangen en instituties die precies het slechtste in mensen belonen. In zijn opvolger Morele ambitie (2023) scherpt Bregman dat punt zelf aan. Het boek gaat niet langer over wat mensen zijn, maar over wat ze doen. Of nalaten. Waarom weten we vaak perfect wat juist is, maar kiezen we toch voor comfort, carrière en zelfbehoud?
Dat spanningsveld vormt de kern van zijn Reith Lectures, die hij expliciet opbouwt als een klassieke tragedie. In de eerste lezing, in Londen, richt hij zijn blik op de hoogopgeleide elite. De slimste koppen van onze generatie, afgestudeerd aan Oxford, Cambridge of Stanford, belanden massaal in wat hij, naar analogie met David Graeber, “bullshit jobs” noemde. Vetbetaald, uitdagend, maar moreel uitgehold. Ze verdwijnen in de glazen torens van consultancyreuzen als McKinsey, BCG of Bain, of bij megakantoren als Clifford Chance en Freshfields. Slechts een minderheid zet zijn kennis daadwerkelijk in voor het algemeen belang. De meerderheid plooit zich terug op zichzelf en de eigen bubbel, op jacht naar status en salaris.
Tegen die morele onderbenutting richtte Bregman de School for Moral Ambition op. Geen klassieke opleiding, maar een netwerk en springplank voor mensen die hun talenten willen inzetten waar ze het meeste verschil maken: klimaat, publieke gezondheid, ongelijkheid, democratie. Niet de vraag “Wat kan ik verdienen?” staat centraal, maar “Waar ben ik het hardst nodig?” Dat de school intussen ook voet aan de grond kreeg in New York, is veelzeggend. Voor Bregman blijft het een stad waar morele ambitie, politieke verbeelding en sociale strijd elkaar blijven kruisen, zelfs in donkere tijden.
Bregman gelooft dat sommige ideeën beter zijn dan andere
Zijn overtuiging komt niet uit het niets. Bregman groeide op in een religieus milieu, als zoon van een protestants predikant, maar nam later afstand van het geloof. Vooral de Britse filosoof Bertrand Russell bleek richtinggevend. Van hem onthoudt Bregman één zin als moreel kompas: dat een goed leven draait rond liefde, kennis en mededogen met het lijden van anderen. Bregman gelooft dat sommige ideeën beter zijn dan andere. Democratie is beter dan fascisme. Solidariteit beter dan egoïsme. En ja: socialisme is een beter idee dan neoliberalisme.
Die overtuiging nam hij mee naar zijn vierde lezing, die hij afgelopen dinsdag gaf aan de universiteit van Stanford, midden in Silicon Valley. In het hol van de leeuw legt hij uit waarom hij AI en sociale media als existentiële bedreigingen ziet. Niet omdat technologie op zich kwaadaardig is, maar omdat het huidige systeem domheid beloont, polarisatie aanwakkert en de publieke ruimte uitholt. Sociale media vervangen het trage, rommelige gesprek door algoritmisch geschreeuw. Ze creëren schijnverbondenheid, maar ondermijnen ons vermogen om samen te denken, te twijfelen en te handelen. Niet langer worden zij beloond die het best kunnen samenwerken (nochtans de eigenschap die onze soort verder bracht dan brute kracht) maar zij die schaamteloos opereren, het luidst roepen en in dat systeem structureel een podium en macht krijgen. Volgens Bregman is het hoog tijd om dat tij te keren.
Hoop zoekt Bregman niet online, maar in kleine, ambitieuze groepen die samenkomen, lezen, discussiëren en plannen smeden
Branie is Bregmans handelsmerk. Al in 2019 confronteerde hij op het World Economic Forum in Davos de superrijken met hun taboe op hogere belastingen. Niet mogen spreken over belastingen, zei hij daar, is als zwijgen over water op een congres van brandweerlui. Ook deze Reith Lectures bleven niet zonder controverse. Bregman noemde Donald Trump “de meest openlijk corrupte president uit de Amerikaanse geschiedenis”. De BBC, die al onder vuur lag wegens een foutieve montage van Trump-fragmenten rond de bestorming van het Capitool in januari 2021, besliste die zin te schrappen na juridisch overleg. Eerst leek zelfs de hele lezing offline te gaan. Uiteindelijk bleef de reeks overeind. Een ironisch voorbeeld van de “buigzaamheid van elites” die Bregman zelf fileert.
Toch zijn deze lezingen geen doemverhaal. Het is een tragedie mét hoop. Die hoop zoekt Bregman niet online, maar in kleine, ambitieuze groepen die samenkomen, lezen, discussiëren en plannen smeden. Hij verwijst naar de Fabian Society, de Britse socialistische denktank rond 1900. Academici, schrijvers en ambtenaren zoals George Bernard Shaw en Beatrice Webb die geloofden in degelijke research, zorgvuldig drukwerk en ja, ook in goede diners en feestjes. Politiek mocht scherp zijn, maar moest ook leefbaar blijven. Hun ooit “absurde” eisen, zoals een achturige werkdag, sociale zekerheid en publieke gezondheidszorg, vormen vandaag de ruggengraat van de verzorgingsstaat.
Ook de abolitionisten dienen hem als voorbeeld. Figuren als Thomas Clarkson, een Britse activist die eind achttiende eeuw minutieus bewijsmateriaal verzamelde tegen de slavernij en dat in kleine netwerken verspreidde. Wat begon als een marginale morele obsessie, werd een van de grootste omwentelingen uit de geschiedenis. Ironisch genoeg ontstond ook het neoliberalisme zo. In 1947 kwam een kleine groep economen en denkers samen in het Zwitserse Mont Pèlerin, onder wie Friedrich Hayek en Milton Friedman. Ze vreesden dat de staat na de Tweede Wereldoorlog te machtig zou worden. Wat begon als een intellectuele minderheid, groeide uit tot een wereldhegemonie, gevoed door het radicale individualisme van Ayn Rand, waarin eigenbelang tot hoogste morele wet werd verheven.
Een “tijd van monsters”: een overgangsperiode waarin het oude sterft en het nieuwe nog niet geboren is
Daarnaast pleit Bregman, als zelfverklaarde ouderwetse sociaaldemocraat, voor brede coalities. Tussen groenen, socialisten, vakbonden, feministen en burgerrechtenbewegingen. Niet ondanks, maar juíst over hun meningsverschillen heen. Kijk naar radicaal-rechts in de Verenigde Staten, zegt hij. Daar vonden libertariërs, religieuze conservatieven, wapenlobby’s en miljardairs elkaar in een efficiënt machtsblok dat vandaag de democratie zelf onder druk zet.
Bregman plaatst dit alles in wat hij, met Antonio Gramsci, een “tijd van monsters” noemt: een overgangsperiode waarin het oude sterft en het nieuwe nog niet geboren is. De monsters zijn autoritarisme en technologische ontwrichting. Maar monsters zijn niet onoverwinnelijk. Verandering vraagt geen perfectie, wel morele ambitie. Geen online verontwaardiging alleen, maar boots on the ground. Leesclubs, debatgroepen, lokale actiecomités en publicaties. Samenkomen, leren, twisten en elkaar verdragen. Dat hoeft niet zonder conflict, maar altijd met mededogen.
Misschien is dat wel de meest radicale kerstboodschap die we elkaar kunnen toewensen. Laten we geen ruzie meer maken over kerststallen of symbolen, maar het licht brandend houden door samen, koppig en zorgzaam, de wereld opnieuw uit te vinden. Luister naar de Reith-lezingen. Ze laten u geheid niet ongemoeid. En wie weet brengen ze u in beweging.
Bekijk hier de eerste aflevering van Rutger Bregman's Reith-lezingen: