Arizona knipt in de index: loondiefstal in ‘light’-verpakking
De automatische indexering van de lonen en uitkeringen zijn het resultaat van een jarenlange sociale strijd. In 1920, te midden een zware economische crisis, werd daarover de eerste CAO (Collectieve Arbeids-Overeenkomst, die heeft in België kracht van wet, nvdr) afgesloten in de sector ‘mijn-, hout- en stoffering’. Die koppelde de lonen aan de stijging van de consumptieprijsindex.
De index werd een belangrijk instrument in de strijd tegen de armoede en een belangrijk instrument van solidariteit
Dat instrument volgt hoe de prijzen evolueren van goederen en diensten die gezinnen dagelijks kopen. Die index moet “representatief” zijn: de korf waarvan men de prijzen meet, moet zo goed mogelijk overeenkomen met wat een gemiddeld huishouden verbruikt.
Dankzij het systeem van automatische loonindexering, stijgen de lonen en sociale uitkeringen betrouwbaar met de levensduurte en wordt de uitholling van de koopkracht tegengehouden. Sinds 2015 wordt de index jaarlijks geactualiseerd. Sommige goederen of diensten worden minder gekocht (zoals vaste telefoonlijn), andere komen erbij (zoals mobiel internet).
Zo werd de index een belangrijk instrument in de strijd tegen de armoede en een belangrijk instrument van solidariteit.
Steeds maar morrelen aan de index
De regering De Wever-Rousseau is niet de eerste die knabbelt aan die automatische indexering De eerste volledige indexsprongen werden beslist door de regering Martens IV in 1982 en 1984. De prijzen stegen toen met meer dan 2 procent, maar lonen en uitkeringen werden niet aangepast. Mensen konden dus vanaf toen minder kopen met hun loon.
De gezondheidsindex is een pure besparingsmaatregel die verkocht werd als gezondheidsbeleid
De Regering Di Rupo deed dit in 2013 nog eens over en ook de regering Michel kopieerde dit recept in 2015. Dit lijkt misschien niet zo erg want het is telkens eenmalig. Maar niets is minder waar. Je sleept elke indexsprong heel je carrière mee.
Twee voorbeelden. Je bent vandaag 56 jaar en je hebt een brutomaandloon van 3.500 euro. Door één indexsprong verlies je 70 euro per maand. Dat betekent een brutoverlies van ongeveer 8.400 euro op je 66ste. Als je vandaag 27 jaar bent en een brutomaandloon hebt van 3000 euro, verlies je 60 euro per maand of in totaal 28.800 euro wanneer je op 67 jaar op pensioen gaat.
Gezondheidsindex en andere truken van de foor
Sinds 1983 gebeurt de aanpassing van de lonen en uitkeringen aan het viermaandelijkse gemiddelde van de index (dat is de afgevlakte index), niet meer aan de maandelijkse stijging. Daardoor worden prijsstijgingen met vertraging doorgerekend, wat een tijdelijk koopkrachtverlies oplevert.[1]
In 1994 werd de ‘gezondheidsindex’ ingevoerd. Uit de indexkorf werden alcoholische dranken, tabakswaren en benzine en diesel gehaald. Hierdoor volgen - vandaag nog steeds dus - de lonen en uitkeringen de reële prijsstijgingen niet meer. Vooral door de enorme prijsstijgingen van benzine en diesel sindsdien, voel je dit sterk in de portemonnee. De gezondheidsindex is een pure besparingsmaatregel die verkocht werd als gezondheidsbeleid.
Het is een duidelijke politieke keuze, ook van deze regering met Vooruit en CD&V, om aandeelhouders cadeaus te blijven geven
Nieuw is de verschoven toepassing van de automatische indexering van de pensioenen. Vroeger werden deze aangepast aan de levensduurte één maand nadat de spilindex werd overschreden. De regering De Wever besliste de pensioenen pas aan te passen de derde maand na de overschrijding van de spilindex. Zo verliest een gepensioneerde met 1500 euro per maand 60 euro bij elke indexaanpassing.
Arizona: ’indexsprong light’
In de begroting wordt twee keer een gedeeltelijke indexsprong voorzien: in 2026 en in 2028.
Tot aan een brutoloon van 4.000 euro zal er wel nog geïndexeerd worden. Wie meer verdient, zal het bedrag daarboven niet geïndexeerd zien. Voor pensioenen is de grens 2.000 euro bruto. De helft van het bespaarde bedrag moet de werkgever doorstorten naar de staatskas, de andere helft mag hij zelf houden.
Dat komt neer op een nieuwe diefstal en verdere afbouw van de automatische indexering van de lonen en uitkeringen. De krant De Standaard schrijft dat het over 41 procent van de werknemers gaat en over 45 procent van de gepensioneerden.
Het gaat dus helemaal niet over de ‘rijke toplaag’ maar over mensen met een klein beetje meer dan het gemiddeld pensioen van 1.640 bruto of een mediaan loon dat 3.850 euro bruto bedraagt.[2]
Omgekeerde Robin Hood
Deze ‘indexsprong light’ wordt verkocht als besparingsmaatregel maar dat klopt niet helemaal. De overheid wint er wel bij doordat ze de indexering van de ambtenarenlonen en pensioenen slechts gedeeltelijk moet toepassen. Maar de overheid verliest ook doordat het niet volledig indexeren van de lonen en pensioenen ook minder inkomsten genereert via belastingen en sociale zekerheidsbijdragen.
Het belangrijkste effect is het verschuiven van inkomen van de werknemers naar de bedrijven. De regering neemt van de ‘net niet arme’ werknemers om daarvan de helft aan de rijke aandeelhouders te geven. De bedrijven besparen nogmaals flink op de lonen, bovenop de 25 miljard jaarlijkse subsidies die ze al ontvangen van de overheden.
Regering van de rijken
Deze grafiek toont dat het aandeel van de lonen daalt en het aandeel van de winsten van de bedrijven stijgt. Er gaat dus een steeds groter deel van de geproduceerde rijkdom naar de aandeelhouders. Daar bovenop komt nu nog de helft van de opbrengst van de twee gedeeltelijke indexsprongen voor de lonen boven de 4000 euro.
Het is een duidelijke politieke keuze, ook van deze regering met Vooruit en CD&V, om bedrijven en dus de aandeelhouders cadeaus te blijven geven, ten koste van diegene die moeten werken voor hun inkomen. Dit is opnieuw regelrechte loondiefstal. En ondertussen is de winsthonger van de aandeelhouders niet te stillen.
Notes:
[1] Stel dat je nettoloon 2.000 euro is. De index staat drie maanden lang op 100 en springt in februari plots naar 110, een stijging van 10 procent. Nadien blijft hij drie maand onveranderd. Als lonen meteen met de maandindex zouden volgen, dan krijg je in februari onmiddellijk 10 procent erbij en ga je naar 2.200 euro.
Met de afgevlakte index gebeurt dat trager, omdat men met het viermaandelijks gemiddelde werkt. In februari wordt dat gemiddelde (100 + 100 + 100 + 110) / 4 = 102,5. Je loon stijgt dan niet met 10 maar met 2,5 procent, naar 2.050 euro. In maart wordt het gemiddelde 105 en ga je naar 2.100 euro. In april is het gemiddelde 107,5 en stijg je naar 2.150 euro. Pas in mei, wanneer het viermaandelijks gemiddelde volledig op 110 uitkomt, beland je op 2.200 euro. Het eindpunt is hetzelfde, maar je voelt de prijsstijging meteen en je loon volgt na drie maand.
[2] Een mediaan loon van 3850 euro betekent dat de helft van de werknemers een loon heeft dat hoger is dan dat bedrag en de helft lager dan dat bedrag.