Waarom staken werkt en zo belangrijk is
Bij elke staking gaan werkgevers door het dak. “De vakbonden ondergraven de welvaart van de Vlaming met deze actie. In economisch moeilijke tijden brengen ze honderden miljoenen schade toe aan de economie”, zei Voka-topman Hans Maertens na de staking in maart. VBO-baas Pieter Timmermans sprak vorige week over “schade die het half miljard euro nadert”.[1]
Die verontwaardiging verraadt iets belangrijks: als er niet gewerkt wordt, valt niet alleen de loonmassa stil, maar vooral de winst. De “schade” waar ze het over hebben, is in grote mate de meerwaarde die werkenden normaal creëren en niét als loon terugzien.
Deze citaten zijn interessant omdat ze ongewild aangeven wie de rijkdom in ons land creëert en waarom staken zo belangrijk is.
Wat een staking duidelijk maakt
Elke arbeider of bediende produceert meer rijkdom dan wat zij of hij aan loon ontvangt. We nemen een voorbeeld: een werknemer produceert per dag 250 euro aan toegevoegde waarde. Die persoon zal daar niet het volledige bedrag van krijgen, maar slechts een gedeelte, bijvoorbeeld 200 euro, als brutoloon.
Het verschil - 50 euro - is de meerwaarde. Dat deel vloeit naar de werkgever en (via dividenden) naar aandeelhouders, of gaat naar investeringen en financiële beleggingen.
Die ‘meerwaarde’ of winst[2] is precies datgene waar het bij de werkgever om draait. Want grondstoffen en machines leveren op zichzelf niets op. Het is arbeid die goederen en diensten maakt, en dus waarde schept. En zolang die arbeid méér waarde oplevert dan er als loon terugkeert, loont het voor werkgevers om mensen aan te werven.
Dat is het hart van het kapitalisme – zedig verzwegen in de meeste economie-handboeken.
Op een stakingsdag wordt de bron van de verrijking drooggelegd en wordt het kapitalisme in zijn hart geraakt
We hebben dat mechanisme meestal niet in de gaten, maar op een stakingsdag komt het aan de oppervlakte, omdat die meerwaardecreatie dan wegvalt. Werkgevers moeten die dag weliswaar geen loon uitbetalen aan de stakers, maar zij verliezen wel de meerwaarde die die werknemers anders hadden gecreëerd. En dat is wat hen zo woest maakt.
Op een stakingsdag wordt de bron van de verrijking drooggelegd en wordt het kapitalisme in zijn hart geraakt. Daarom gaat de elite zo tekeer tegen stakingen. Als de werkgevers zeggen dat ze 500 miljoen verliezen, dan wil dat eigenlijk zeggen dat de werknemers die dag normaal 500 miljoen rijkdom creëren die ze zelf niet als loon ontvangen.
De kern van de sociale strijd
De sociale geschiedenis in België is één lange worsteling over wie welk deel van de koek krijgt. De logica is eigenlijk heel eenvoudig: hoe lager de lonen en hoe slechter de werkomstandigheden (langer of harder werken voor hetzelfde loon) hoe hoger de meerwaarde of de winst.
De werkgevers willen zo hoog mogelijke winsten. Daarom streven ze, hierin gesteund door rechtse overheden, naar zo laag mogelijke lonen en werkomstandigheden die hun zo weinig mogelijk kosten. Omgekeerd leveren arbeiders en bedienden al sinds meer dan 150 jaar strijd om hun lonen en werkomstandigheden te verbeteren.
En het gaat niet alleen om het loon zelf, maar ook om het zogenaamde 'uitgesteld loon'. Dat is dat gedeelte van het brutoloon of van de winst, dat opzij gezet wordt voor pensioenen, vakantie, ziekte- en werkloosheidsuitkeringen (sociale zekerheid). Dat is ook loon, een deel van de waarde die de werknemer gecreëerd heeft, maar dat niet direct uitbetaald wordt.
De huidige stakingsgolf past in een lange traditie van sociale strijd
De huidige stakingsgolf past in een lange traditie van sociale strijd. Sinds het einde van de negentiende eeuw draait de Belgische sociale strijd rond de strijd over de meerwaarde, of anders gezegd, over de verdeling tussen (uitgesteld) loon en winst.
Voorbeelden hiervan zijn de stakingen in Luik en Henegouwen van 1886. Deze eisten kortere werkdagen, hogere lonen en eerste werkloosheidskassen via vakbonden.
Andere voorbeelden: na de zware stakingen van 1936 volgden loonsverhogingen, de 40-urenweek (in delen van de industrie) en betaalde vakantie. Met het Sociaal Pact (1944) ontstond de sociale zekerheid - pensioen, ziekte en werkloosheid - gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers.
De Winterstaking van 1960-61 verzette zich tegen de Eenheidswet die uitgaven voor sociale zekerheid en openbare diensten zou terugschroeven. In de jaren 1990 drukten het Globaal Plan (1993) en de Wet op het concurrentievermogen (1996) de loonruimte en leidden ze tot een herschikking van de uitkeringen, wat het arbeidsaandeel onder druk zette.
De indexsprong van 2015 pakte de automatische loonindexering aan en raakte de koopkracht rechtstreeks. De pensioendebatten sinds 2020 over minimumpensioen, strengere loopbaanvoorwaarden en pensioenbonus, samen met de loonblokkering, hebben de laatste jaren opnieuw geleid tot mobilisatie.
Gunstige krachtsverhoudingen
De verdeling van de meerwaarde en de uitkomst van de sociale strijd worden bepaald door de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal. Deze wordt op haar beurt voor een groot deel medebepaald door vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Als er meer vraag is naar werk dan er aanbod is, dan moet een werknemer tevreden zijn met wat zij of hij kan krijgen. In dat geval staan de werknemers zwak en de werkgevers sterk. In het omgekeerde geval zal de werkgever bereid zijn om betere lonen en arbeidsomstandigheden te bieden om toch maar aan voldoende werknemers te geraken. In dat geval staan de werknemers sterk en de werkgevers zwak.
De krachtsverhoudingen zijn de laatste jaren zeer gunstig geëvolueerd voor de wereld van de arbeid
Die verhoudingen zijn nu de laatste jaren zeer gunstig geëvolueerd voor de wereld van de arbeid. Als gevolg van vergrijzing en lagere immigratie wordt de poel met beschikbare arbeidskrachten almaar kleiner en is de arbeidsmarkt nog nooit zo krap geweest als vandaag. Dat verstevigt de onderhandelingspositie van de werknemers.
Normaal gesproken moet zich dat onvermijdelijk vertalen in betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen. Dat is nu eenmaal de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Voorlopig worden hogere lonen in ons land tegengehouden door de loonnormwet. De rechterzijde probeert de gunstige krachtsverhoudingen op de arbeidsmarkt ook te verminderen door enerzijds mensen langer te laten werken (hogere pensioenleeftijd) en anderzijds meer mensen aan het werk te krijgen. Dat laatste gebeurt door de jacht op werklozen en langdurig zieken.
Met de huidige arbeidskrapte zijn de omstandigheden dus gunstiger dan ooit voor de arbeidersbeweging. We staan voor een tijdperk waarin de wereld van de arbeid in het offensief kan gaan en een verloren deel van de koek terug kan opeisen en verwerven. Na de hete herfst zou het wel eens een hete winter kunnen worden.
Notes:
[1] De berekening kan je als volgt maken. Jaarlijks wordt er in België voor 642 miljard euro aan toegevoegde waarde geproduceerd (het bnp). De privé-bedrijven zijn goed voor 56 procent daarvan, ongeveer 360 miljard euro. Dat betekent als je feestdagen en weekends in rekening brengt ongeveer 1,4 miljard euro per werkdag. In de veronderstelling dat een derde van de werknemers het werk neerlegt kom je dan aan 460 miljoen euro per werkdag.
[2] Meerwaarde is potentiële winst, want de geproduceerde goederen of diensten moeten ook daadwerkelijk verkocht worden, dan pas zijn ze winst.