Analyse

Inheemse volkeren op COP30: gehoord, gedoogd of nog steeds genegeerd?

Afbeelding
President van Brazilië, Luiz Inácio Lula da Silva, tijdens de openingsceremonie van COP30. Foto: Lula Oficial, Ricardo Stuckert / PR, CC BY-SA 4.0
President van Brazilië, Luiz Inácio Lula da Silva, tijdens de openingsceremonie van COP30. Foto: Lula Oficial, Ricardo Stuckert / PR, CC BY-SA 4.0
In de Braziliaanse Amazone, waar de realiteit van klimaatverandering dagelijks voelbaar is, barstte tijdens de COP30-top een moment van waarheid los. Tientallen inheemse activisten drongen het zwaarbeveiligde conferentiecentrum binnen. Een daad die wereldwijd in het nieuws kwam, maar vooral de fundamentele disbalans onthult tussen zichtbaarheid en macht in het klimaatbeleid.

Op 11 november braken inheemse Braziliaanse activisten door de beveiliging van COP30, de jaarlijkse VN-klimaattop, - een confrontatie die twee gewonde veiligheidsagenten achterliet en wereldwijd het nieuws haalde. “Wij kunnen geen geld eten. We willen dat ons land vrij is van olie-exploitatie, illegale mijnbouw en illegale houthakkers”, stelt een Tupinambá-activist. 

Achter deze actie schuilt de urgentere vraag: Wat dreef deze activisten tot actie? En waarom is de stem van inheemse volkeren onlosmakelijk verbonden met het mondiale klimaatdebat?

COP30 in het hart van de Amazone

De COP30-top is de dertigste editie van de jaarlijkse VN-klimaatconferentie, waar bijna tweehonderd landen samenkomen om te onderhandelen over internationaal klimaatbeleid. Dit jaar vindt de conferentie van 10 tot 21 november plaats in Belém, aan de rand van de Amazone in Brazilië. Die locatie is uitzonderlijk symbolisch: de regio vormt niet alleen een van de grootste koolstofreservoirs ter wereld, maar is ook het leefgebied van honderden inheemse gemeenschappen die al eeuwenlang het woud beschermen.

Door de COP30 net midden in dit ecosysteem te organiseren, wordt het mondiale klimaatdebat letterlijk geplaatst in een gebied waar de strijd tegen ontbossing, extractivisme en klimaatschade dagelijks voelbaar is. Volgens Katrien Demuynck, onderzoeker en co-auteur van het boek Voorbij Winnetou en Pocahontas was het net de keuze om COP30 te organiseren in dit ecosysteem, die als katalysator voor de actie diende.

Ze noemt het “geen breekpunt, maar een voorspelbare uitbarsting van een frustratie die wereldwijd al jaren aansleept”. Ze wijst erop dat COP-toppen gedomineerd worden door administratieve structuren en lobbygroepen - “één op de vijfentwintig aanwezigen is een lobbyist”. Hierdoor staan inheemse delegaties structureel buitenspel. 

De Amazone wordt bovendien wel vaker gebruikt als symbolisch decor voor “groene” politiek, terwijl het net vaak diezelfde regeringen zijn die economische projecten ondersteunen die inheems land bedreigen. Zichtbaarheid dient zich hierbij dus aan als politiek instrument, en niet als vorm van echte empowerment.

Activisme in de Amazone: een lange strijd onafhankelijk van COP’s

Ondanks dat het protest van 11 november in Belém wereldwijd in het nieuws kwam, is dit geen alleenstaand incident. Het is een uiting van een veel bredere strijd: die van inheemse volkeren die hun land, hun cultuur en hun toekomst verdedigen tegen een economisch systeem dat hen steeds opnieuw wegduwt. 

In Brazilië is inheems activisme namelijk nooit los te koppelen van de strijd om land en leven. Bewegingen zoals de Articulação dos Povos Indígenas do Brasil (APIB) voeren al decennia campagne voor territoriale erkenning, bescherming tegen grootschalige mijnbouw en ontbossing, en politieke autonomie.

Volgens Demuynck vormt extractivisme daarbij een constante: van goud en hout tot hedendaagse ‘groene’ energie. Ze verwijst naar de opkomst van lithium- en zeldzame metalenwinning voor elektrische batterijen, die nieuwe ecologische rampen veroorzaken. 

“We doen alsof groene energie de oplossing is, maar voor veel inheemse volkeren is dit een herhaling van dezelfde koloniale logica”, zegt ze. Ze waarschuwt dat “oorlogen om lithium eraan komen” en verwijst naar de Sami in Noord-Europa, waar grootschalige windparken ecosystemen ontwrichten en traditionele leefwijzen onder druk zetten.

Zichtbaarheid versus macht

Hun activisme was ook niet geheel zonder effect. Inheemse leiders klaagden namelijk al na de COP21 in Parijs (2015) aan dat de Parijse overeenkomst weinig bindende garanties bevatte voor inheemse rechten, en er beperkte toegang was tot fondsen én juridische erkenning.

Dit leidde onder meer tot de aanwezigheid van een indrukwekkend aantal inheemse deelnemers tijdens de COP30, maar aanwezigheid betekent niet noodzakelijk invloed. Zo hebben niet alle 3.000 inheemse deelnemer ook stemrecht. Dit is voorbehouden voor zij in de 'bluezone', de zone waar daadwerkelijk wordt gestemd. Hiertoe heeft slechts 14 procent van de aanwezige inheemse deelnemers toegang.

Hoewel COP30 op papier dus meer aandacht aan inheemse participatie gaf dan ooit, neemt dat de structurele ongelijkheid niet weg. Demuynck benadrukt dat deze cijfers niet zomaar een organisatorisch detail zijn, maar verwijzen naar een dieper probleem: “Zichtbaarheid is geen macht, zolang de staat weigert de inheemse gebieden juridisch te erkennen.” 

Veel inheemse territoria in Brazilië zijn nooit officieel toegewezen, hoewel ze historisch nooit afgestaan zijn. Die juridische leegte maakt het voor regeringen eenvoudig om economische projecten door te duwen, zelfs wanneer duizenden inheemse vertegenwoordigers fysiek aanwezig zijn op de top.

Thalia Yarina Cachimuel, lid van de Kichwa-Otavalo clan, stelt dat ze "werken in een systeem en instituut waarvan we weten dat het niet voor ons gebouwd is". Deze uitspraak is typerend voor de kloof die veel inheemse deelnemers aan COP30 ervaren. Ze worden uitgenodigd om aanwezig te zijn, maar niet om mee te beslissen.

Worden hun eisen opgenomen in de COP30-agenda? 

De Braziliaanse overheid doet echter wel zijn best. Thema’s als adaptatie, rechtvaardige transitie, koolstofmarkten, bosbescherming, inheemse financiering en territoriale rechten worden door hen op de officiële agenda geplaatst. Doch ontbreken thema’s als landrechten en gebiedsafbakening, belangrijke eisen van inheemse volkeren - zoals de Articulação dos Povos Indígenas do Brasil (APIB) - dan weer op de agenda. 

Ook op het vlak van klimaatfinanciering zijn de resultaten gemengd. Het TFFF-fonds reserveert 20 procent van zijn middelen voor inheemse gemeenschappen. Maar inheemse organisaties dringen aan op directe, structurele financiering zonder tussenkomst van staten. Dit is in lijn met de oproep van Djalma Ramalho Gonçalves: “Als we ontbossing willen stoppen, moeten er fondsen rechtstreeks gaan naar zij die de bossen beschermen.”

Ondanks dat de bescherming van de Amazone dan weer symbolisch gewicht krijgt via de Amazon Declaration, wordt dit inhoudelijk ondermijnd door ontbrekende garanties tegen mijnbouw, soja-expansie en olie-exploratie.

“Het aanhoudend afblokken van de inheemse bevolking, betekent nochtans het afblokken van een positieve toekomst voor iedereen”, stelt inheemse leider, Djalma Ramalho Gonçalves, van de Jequitinhonha Valley. 

Koloniale beeldvorming als rem op echte klimaatrechtvaardigheid

En daar zit waarheid in. Zo vertelt Demuynck dat 80 procent van de globale biodiversiteit wordt beschermd door inheemse volkeren. “Ons volk, land én onze traditionele manier van leven kunnen dus zeker een deel van de oplossing van de klimaatcrisis zijn”, stelt de APIB. Hoe komt het dan dat zij toch zo vaak worden vergeten in het globale klimaatdebat?

“Westerse samenlevingen reduceren inheemse volkeren enerzijds graag tot iets folkloristisch, zoals de man op het paard met zijn veer op de hoed, of tot een probleem dat eigenlijk al tot het verleden behoort”, aldus Demuynck. Die framing maakt het makkelijker om structurele claims zoals landrechten of verzet tegen roofbouw op de natuur te negeren. Ze verwijst naar vergelijkbare framing tijdens #NoDAPL in Noord-Dakota, waar activisten werden gedemoniseerd om pijpleiding-projecten door te drukken.

Anderzijds is onze kapitalistische maatschappij meer gericht op roofbouw op natuur en grondstoffen dan op bescherming en bescherming van de natuur. Volgens haar maakt dit deel uit van een wereldwijd patroon waarbij landroof — van de Black Hills in de VS tot de Sami-gebieden in het noorden — nog altijd voortduurt. 

Het groeiende Landback-verzet ziet ze als een mondiale beweging die op België, Europa en Zuid-Amerika even hard van toepassing is. “Zonder land kan er geen zelfbeschikking bestaan”, besluit ze. “En zonder zelfbeschikking blijft klimaatbeleid koloniale politiek.” De term ‘inheemse bevolking’ is een koloniale uitvinding op zich: “Die term zou niet bestaan zonder kolonisatie. Anders heetten ze gewoon bewoners.”

Volgens Demuynck is het dan ook hoog tijd om de inheemse bevolking wereldwijd een platform te geven om hun kennis, hun problemen en hun strijd zichtbaar te maken. Al is het maar omdat het niet enkel hun strijd is, maar de strijd om de planeet zoals wij die allen kennen.

Van zichtbaarheid naar zeggenschap

De vraag die na COP30 dus overblijft, is niet of inheemse volkeren zichtbaar zijn – dat zijn ze meer dan ooit – maar of hun zichtbaarheid eindelijk zal worden vertaald in echte macht. Want zolang regeringen wel pronken met hun aanwezigheid maar hun landrechten, hun kennis en hun politieke autonomie blijven negeren, blijft klimaataanpak gevangen in dezelfde koloniale structuren die deze crisis mee hebben veroorzaakt. 

De echte test voor COP31 wordt dan ook simpel en tegelijk allesbepalend: durft de internationale gemeenschap eindelijk beleid te maken mét inheemse volkeren in plaats van over hen, of blijven ze opnieuw gehoord, gedoogd, maar toch genegeerd? Want als hun kennis en bescherming van ecosystemen genegeerd blijven, verliest niet alleen hun volk, maar ook onze planeet, met alle gevolgen van dien.

Afbeelding
https://www.dewereldmorgen.be/steun-ons
Steun ons | DeWereldMorgen

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?