Analyse

De Gucht nieuwe voorzitter Open Vld: betekent val van de partij het einde van liberalisme?

Afbeelding
Foto: Depositphotos
Foto: Depositphotos
Frédéric De Gucht is verkozen tot nieuwe voorzitter van Open Vld. De Vlaamse liberalen, ooit een van de drie pijlers van het Belgische politieke landschap, dreigen momenteel weg te zakken onder de kiesdrempel. Hoewel hun historische erfenis onmiskenbaar is, kampen ze nu met interne verdeeldheid, zwakke leiders en moordende concurrentie ter rechterzijde.

In West-Europa en ook in ons land is het liberalisme de laatste 200 jaar een heel belangrijke en invloedrijke stroming geweest. Het kende zijn bloei in de 19de eeuw en weerspiegelde op dat moment de ideeën en belangen van de opkomende burgerij, de zogenaamd derde stand.

Een nieuwe maatschappelijke kracht: de burgerij

In de eeuwen voordien heerste het feodalisme waarin alles draaide om grondbezit en een rigide standenstructuur. De adel en de geestelijkheid hielden alle macht stevig in handen. Hun autoriteit claimden ze te ontlenen aan geboorte en goddelijk recht. Je plek in het leven stond bij je geboorte voor altijd vast en er was geen ontsnappen mogelijk.

Voor de groeiende groep van handelaars, bankiers en ambachtslieden voelde dit aan als een benauwend keurslijf. Het systeem hield hen bewust tegen met zijn talloze beperkende regels, lokale tollen en belastingen. Zij vergaarden rijkdom, maar kregen geen echte politieke stem of invloed. De spanning tussen het oude en het nieuwe, tussen landbezit en kapitaal, werd steeds ondraaglijker.

De ideologie, die de opkomende burgerij uitdroeg en als wapen gebruikte, heette liberalisme

Deze nieuwe klasse, de burgerij, werd gedreven door handel over continenten heen en later door grootschalige industriële productie. Hun macht kwam niet van land of titels, maar van kapitaal: geld, machines, fabrieken, schepen. Hun economische belangen botsten steeds frontaler met die van de gevestigde aristocratie.

Deze strijd was veel meer dan een simpele ruzie tussen twee groepen rijken. Het was een fundamenteel conflict tussen twee totaal verschillende manieren van leven, produceren en samenleven.

De opkomst van nieuwe technologieën, zoals de stoommachine, maakte het oude feodale systeem in snel tempo onwerkbaar en hopeloos verouderd. Een radicale verandering was onvermijdelijk geworden. De vraag was alleen hoe die eruit zou zien.

Vrijheid, gelijkheid en individualisme...

De ideologie, die deze opkomende klasse uitdroeg en als wapen gebruikte, heette liberalisme. Haar leuzen waren krachtig, universeel en moeilijk te weerspreken: vrijheid, gelijkheid en individualisme. Ze klonken als een bevrijding voor iedereen.

Maar in de praktijk betekende vrijheid vooral vrijheid van handel en investeringen, en het afschaffen van oude belemmeringen die winst in de weg stonden.

Het liberalisme was ontegensprekelijk een historische vooruitgang. Het verbrak de starre, verstikkende structuren van het verleden

Gelijkwaardigheid voor de wet was vooral een rechtstreekse aanval op de erfelijke voorrechten van de adel. Het maakte een rijke burger juridisch evenveel waard als een hertog, wat op zich een enorme stap vooruit was.

Individualisme benadrukte het recht op eigen bezit en ondernemingszin boven het collectieve van de rigide en onveranderbare stand.

... maar niet voor iedereen

Het liberalisme was dus ontegensprekelijk een historische vooruitgang. Het verbrak de starre, verstikkende structuren van het verleden. Het opende de deur voor ongekende technologische, wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen. De wereld zou nooit meer hetzelfde zijn.

Afbeelding
Montesquieu (schilderij 1794). Public Domain
Montesquieu (schilderij 1794). Public Domain

Tegelijkertijd betekende deze stroming een breuk met de zeer conservatieve ideeën van de kerk. Deze progressieve invloeden zijn tot op vandaag een essentieel kenmerk van het liberalisme, denk maar aan ethische kwesties als abortus, euthanasie, huwelijksmoraal, homorechten en andere persoonlijke vrijheden.

Ook op politiek vlak waren een aantal ideeën revolutionair voor hun tijd. Zo kwam het liberalisme op voor vrije meningsuiting, geïnspireerd door John Stuart Mill (1806-1873) en introduceerde het de idee van checks and balances, waarbij de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke machten elkaar controleren en in evenwicht houden om machtsmisbruik te voorkomen, het idee dat voor het eerst werd beschreven door Montesquieu (1689-1873).

Terwijl het liberalisme vocht tegen de privileges van de adel, creëerde het onmiddellijk nieuwe privileges voor zichzelf

Met zijn waarschuwing voor de 'tirannie van de meerderheid' waarschuwde Alexis de Tocqueville (1805-1859) echter voor het gevaar dat de meerderheid haar wil zo dominant kan doorvoeren dat ze de rechten en belangen van minderheden en individuen onderdrukt.

Het liberaal gedachtengoed leidde daarom tot de eis voor constitutionele staten, parlementen en republieken, instellingen waar de belangen van de bezittende klasse veilig konden worden gesteld en verdedigd tegen de oude elite maar, zoals later zou blijken, ook tegen de rest van de bevolking onder hen, zij die voor hen werkten.

Nieuwe privileges

Terwijl het liberalisme vocht tegen de privileges van de adel, creëerde het onmiddellijk nieuwe privileges voor zichzelf. Het principe ‘één persoon, één stem’ was verre van hun ideaal.

Afbeelding
John Locke (schilderij 1696). Public Domain
John Locke (schilderij 1696). Public Domain

John Locke (1632-1704), een van de grondleggers van het liberalisme, waarschuwde dat een politieke democratisering een gevaar met zich kon meebrengen voor de bezittende klasse. Er was de vrees dat het arme deel van de bevolking - dat de grote meerderheid uitmaakte - het kiesrecht zou gebruiken voor een herverdeling van de rijkdom.

Om dat gevaar te counteren voerden liberale regimes - hierin gesteund door katholieke en andere conservatieve krachten - overal het cijnskiesstelsel in: enkel mannen die een bepaalde hoeveelheid belastingen (cijns) betaalden, mochten stemmen. Dit sloot uiteraard arbeiders, boeren en het groeiende industriële proletariaat volledig uit van politieke macht.

De beloofde gelijkheid was vooral een gelijkheid tussen de oude aristocratie en de nieuwe burgerij

In landen zoals België kwam daar later nog meervoudig stemrecht bij: academici, hoge ambtenaren en uiteraard grootgrondbezitters en industriëlen kregen extra stemmen. Soms wel drie of vier. Zo kon een kleine economische elite decennialang de politiek controleren.

De beloofde gelijkheid was dus vooral een gelijkheid tussen de oude aristocratie en de nieuwe burgerij. De vrijheid was de vrijheid van de bezittende klasse om haar belangen te verdedigen zonder inmenging van de meerderheid van de bevolking.

Adam Smith (1723-1790), een van de grondleggers van het liberalisme op economisch vlak, wond er in elk geval geen doekjes om: “Voor zover de burgerlijke regering is ingesteld ter bescherming van de eigendom is de staat in feite ingesteld voor de verdediging van de rijken tegen de armen, van degenen die enig eigendom bezitten tegen degenen die in het geheel geen eigendom hebben.”

Bevrijdingsideologie, voor de elite

Het liberalisme was de ideologische uitdrukking van de machtsverschuiving in de samenleving ten voordele van de burgerij. Voor de overgrote meerderheid van de bevolking was die machtsverschuiving allesbehalve positief. De oude, zichtbare ketens van de lijfeigenschap werden vervangen door nieuwe, meer verhulde maar even harde ketens.

In plaats van uitgebuit te worden door een landheer, werd de gewone mens nu volledig afhankelijk van de fabriekseigenaar of de baas. Formeel was iedereen vrij en gelijk. Maar in de harde realiteit van alledag betekende deze vrijheid voor de arbeider enkel dat hij de 'vrijheid' had om te kiezen voor welke baas hij ging werken, onder welke slechte voorwaarden dan ook. Het was de vrijheid om zichzelf te verkopen.

De liberale vrijheid en gelijke rechten waren niet  bedoeld voor de niet-Europese volkeren en de werkende bevolking

De ‘gelijkheid’ stopte abrupt aan de fabriekspoort. De machtsverhouding tussen wie de fabriek bezat en wie erin werkte, was allesbehalve gelijk. Het leven van de arbeider was een constante strijd tegen armoede en onzekerheid. Het nieuwe systeem presenteerde zichzelf, net zoals het oude dat ooit deed, als het enige natuurlijke en onvermijdelijke pad vooruit.

Afbeelding
De Franse koloniale slavendrijvers stelden de bevrijdingsstrijd voor als een strijd van de beschaving van het licht tegen de barbarij van de duisternis (schilderij 1845). Public Domain
De Franse koloniale slavendrijvers stelden de Haïtiaanse bevrijdingsstrijd voor als een gevecht van de liberale beschaving van het licht tegen de barbarij van de duisternis (schilderij 1845). Public Domain

De vrijheid en gelijke rechten waren ook niet bedoeld voor de niet-Europese volkeren. Denkers als De Tocqueville en J.S. Mill rechtvaardigden met hun ideeën de onderwerping van de volkeren in het Zuiden en kolonisering van hun landen. In de 19de eeuw speelde het liberalisme zelfs een rol in het aanwakkeren van racisme.[1]

Twee jaar na de Franse Revolutie en in navolging ervan brak ook in de toenmalige Franse kolonie Haïti een revolutie uit om de slavernij af te schaffen. Maar het nieuwe liberale regime in Parijs deed er alles aan om dat te verhinderen.

De nieuwe Haïtiaanse leider werd door het Franse leger gekidnapt en het nieuwe onafhankelijke land werd in ruil voor erkenning een loodzware herstelbetaling opgelegd. Die afbetaling wurgde de Haïtiaanse economie tot 1947 en is nog steeds een van de hoofdoorzaken van de diepe armoede van het land.

De idealen van de Franse Revolutie golden dus blijkbaar niet voor de Haïtianen. Vrijheid en gelijkheid werden door de Franse burgerij beperkt tot hun eigen klasse en de eigen huidskleur.

Recente geschiedenis

Tot zover de ontstaansgeschiedenis van het liberalisme. Sedert de 19de eeuw zijn er een aantal belangrijke evoluties geweest. Op de rechterflank van het politiek spectrum kregen de liberalen er nieuwe belangrijke nieuwe concurrenten bij.

Tussen de twee Wereldoorlogen ontstonden in heel Europa nationalistische partijen, met een autoritaire inslag. Denk aan de NSDAP van Adolf Hitler en de Partito Nazionale Fascista van Benito Mussolini. In België waren dat onder andere het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) en Rex (van Léon Degrelle).

Na 1945 bleven dergelijke partijen bestaan in gemarginaliseerde vorm, maar vanaf de late 20ste eeuw duiken nieuwe extreemrechtse partijen op  zoals het Front National in Frankrijk, het Vlaams Belang in België, de FPÖ in Oostenrijk, enzovoort.

In Vlaanderen heb je het fenomeen van de Volksunie, waarvan de dominante rechtervleugel in het begin van deze eeuw vervelde tot de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA). Deze nationalistische partij zal een veel rechtsere en conservatievere koers varen dan zijn voorganger.

Rechts-liberale concurrentie

Op sociaaleconomisch vlak hebben de nationalistische en extreemrechtse partijen een vrij gelijkaardig programma als de liberalen (pro vrije markt, gunstmaatregelen voor kapitaal, tegen vakbonden, …), maar zij voegen een cultureel en identitair element aan hun partijprogramma toe: nadruk op nationale homogeniteit, traditionele waarden en vaak afkeer van immigratie.

Doordat VB en N-VA uitgegroeid zijn tot de twee grootste partijen blijft er voor de Vlaamse liberalen veel minder speelruimte over

Ook vertonen veel van die partijen autoritaire trekken: ze nemen het niet zo nauw met de scheiding der machten, ze zetten de media onder druk, ze proberen het maatschappelijk middenveld aan banden te leggen en flirten met de ‘tirannie van de meerderheid’ (zie hoger).

Afbeelding
Voorzitter Eva De Bleeker werd ondergraven van binnenuit, voorbode van de ondergang van de partij? Foto: Nick Decombel/CC BY-SA 4:0
Voorzitter Eva De Bleeker werd ondergraven van binnenuit, voorbode van de ondergang van de partij? Foto: Nick Decombel/CC BY-SA 4:0

Opvallend is de situatie in Wallonië. In tegenstelling tot in de rest van Europa komen nationalistische of extreemrechtse partijen daar niet van de grond, waardoor de liberale MR ter rechterzijde weinig concurrentie kent.

In Vlaanderen is het precies omgekeerd, daar zijn VB en N-VA uitgegroeid tot de twee grootste partijen, waardoor er voor de Vlaamse liberalen veel minder speelruimte overblijft.

Nog een toekomst voor Open VLD?

Dat brengt ons bij de prangende kwestie waar de Vlaamse liberalen vandaag voor staan. In de peilingen doen ze het slecht en dreigen ze onder de kiesdrempel te geraken.

Het verdwijnen van Open VLD zal het pad volledig vrijmaken voor extreemrechts

Er zijn wellicht verschillende redenen voor die achteruitgang: na bijna 25 jaar onafgebroken regeringsdeelname kapot geregeerd, geen sterke en mediagenieke leidersfiguren à la Bart De Wever, verouderd ledenbestand, interne verdeeldheid, nepotisme aan de top, verwatering van ‘liberale identiteit’, … Het is aan de liberalen om die diagnose te erkennen en deze kwalen aan te pakken.

Progressieven hebben het terecht moeilijk met heel wat standpunten van de Open VLD, maar toch zou het ook voor hen ongunstig zijn als deze partij van het toneel zou verdwijnen.

Het politiek spectrum zou nog meer naar rechts opschuiven waardoor in Vlaanderen het pad volledig wordt vrijgemaakt voor extreemrechts. Met een verdwijnen van Open VLD zullen de kansen op een meerderheid van VB en N-VA in elk geval sterk toenemen. Een dergelijke alliantie van extreemrechts en bijna-extreemrechts zou een dijkbreuk betekenen met het verleden die ten allen prijze moet worden voorkomen.

Dit scenario zou ook kwalijke gevolgen hebben voor een aantal ethische dossiers als abortus en euthanasie. Daarnaast zou het middenveld nog meer gevaar lopen dan voorheen.

Het zijn allemaal redenen om géén leedvermaak te hebben bij de huidige gang van zaken bij de Open VLD. We moeten integendeel hopen dat ze hun boeltje alsnog geregeld krijgen.

 

Note:

[1] Zemni S. Vrijheid Gelijkheid Solidariteit. Een overzicht van de belangrijkste sociale en politieke ideologieën, Gent 2021, p. 113.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?