Coda: intellectuele deugden

Teaser fallback community afbeelding

Aansluitend op mijn artikel 'Politisering van de politiek? Repliek op Van Bouchaute & Debruyne' in het ‘debatje middenveld’ op DeWereldMorgen, wou ik nog enkele concrete opmerkingen maken, maar dat is een ondergeschikte discussie, dus eerder van het niveau van een blog.

Van Bouchaute & Debruyne besloten hun repliek met enig advies omtrent de hygiëne van het publieke debat. Ik lees dat als een invitatie om hier ook enkele pastorale tips toe te voegen, meer bepaald inzake drie methodologische problemen in hun betoog.

Cherry Picking

Als eerste, het valt op dat de auteurs in de val trappen van wat in de analytische filosofie al eens ‘cherry picking’ genoemd wordt: je haalt willekeurig enkele voorbeelden aan om een punt te maken. Maar die aanpak is maar logisch legitiem afhankelijk van het punt dat je wil maken. Bijvoorbeeld, als je een universele wetmatigheid wilt falsifiëren, volstaat één tegenvoorbeeld.

Echter, in de sociale wetenschappen zijn er (vrijwel) geen ‘wetten’ van toepassing, het gaat daarentegen om algemene tendensen die zich in meer of mindere mate manifesteren. Het aanhalen van tegenvoorbeelden weerlegt dus geenszins dat die tendens wel degelijk bestaat. Het omgekeerde geldt wel: het aanhalen van één voorbeeld geeft aan dat er toch al op zijn minst één instantie is van die tendens.

Met andere woorden, als de auteurs beweren dat Llesli te kort door de bocht gaat met zijn stelling dat de politisering van het middenveld autonomie vereist, en daarvoor tegenvoorbeelden aanhalen van WWF, een eerder van subsidies onafhankelijke beweging die desondanks wel dermate gedepolitiseerd is dat ze zelfs met Coca-Cola samenwerkt, alsook van een meer afhankelijke beweging als Femma, die wel radicaal politiserend werk levert, dat hebben ze op geen enkele manier aangetoond dat het probleem dat Llesli aanstipt fictie zou zijn.

Het voorbeeld in mijn artikel van ‘het klooster’ op de Muide illustreert dat het dit ook niet is (QED). Bovendien is het best opmerkelijk dat Debruyne de voorbije maanden nooit een publieke kritische nota over deze schandalige aanpak inzake het klooster schreef, of strenger: het is opmerkelijk dat hij, ondanks de vele reflecties over het middenveld gelardeerd van vele voorbeelden uit de praktijk, daar systematisch over lijkt te zwijgen.

Objectivitis

Een tweede probleem heeft betrekking op het feit dat de auteurs hun betoog graag voorzien van de nodige historische duidingen, wat natuurlijk in pedagogisch opzicht zeer welkom is, maar daardoor lijkt het wel alsof hun standpunt logisch zou volgen uit wat ‘de geschiedenis ons leert’. Hier riskeren we ons al gauw aan ‘objectivitis’ te bezondigen: een historische schets wordt misleidend als die eenzijdig blijkt te zijn, of ingezet wordt als onderdeel in de structuur van een betoog. In hun recente repliek lezen we bijvoorbeeld een uitweiding over de geschiedenis van ‘the new left’ waaruit we moeten afleiden dat de auteurs zich in die traditie willen situeren.

Dat wordt dan in contrast gezet met het obligate spookbeeld van de autoritaire dogmatiek van voorbije communistische regimes. Maar willen de auteurs daarmee dan suggereren dat Lleshi of ondergetekende dan eerder in dat kamp te situeren zijn? Illustreren onze bijdragen dan niet precies dat we evengoed in die belangrijke traditie van nieuw-links te situeren zijn, meer nog, dat we daarmee hun positie hieromtrent eigenlijk net in vraag stellen?

Kortom, hier vervallen we dus al snel in de intellectuele luiheid van een bepaald soort links: alles wat afwijkt van de eigen mainstream visie, moet dan wel meteen iets stalinistisch zijn. Nochtans getuigt net de ridiculisering van de dissidente linkse stem vandaag van een stalinistische reflex.

Ter zijde, een dergelijk Sovjet-verwijt kreeg ik in 2012 nog van de coördinator van Oikos op mijn bord, na een kritische analyse van het toch wel marktgerichte cultuurbeleid van de toenmalige partijprogramma’s, ook die van Sp.a en Groen. Intussen is het probleem van de vermarkting van kunst en cultuur op aansturen van de cultuurpolitiek, door zoveel personen en organisaties in teksten en debatten bediscussieerd dat het al algemeen wordt herkend, zowel binnen als buiten de cultuursector.

Vooral het cultuurprogramma (2014) van Groen, in tegenstelling tot dat van Sp.a, maakte een flinke sprong naar links, wat vanzelfsprekend erg goed nieuws is. Om maar te zeggen: ook alle linkse politieke partijen, ook marxistische, kunnen (en moeten) in de leer gaan bij het veldwerk van de verbeelding. Ook politisering van de linkse politiek is immers een permanente uitdaging.

Daarom is het bijvoorbeeld ook uitkijken naar Dirk Holemans (Groen) zijn bespreking van het nieuwe boek No Time (2014) van Naomi Klein, die door DeWereldMorgen aangekondigd werd, in de wetenschap dat hij nog niet zo lang geleden een schampere recensie schreef over het boek De mythe van de groene economie (EPO, 2012). Een boek, dat in wezen eigenlijk hetzelfde punt al maakte als Klein.

Daarom is het ook van belang dat cultuurorganisaties die transitie-evenementen organiseren ook eens het debat voeren over wat echt ter discussie staat, in plaats van nog maar eens open deuren in te trappen, met name hoe politici die ecologie als domein omarmen ook daadwerkelijk over probleemoplossing denken.

In deze optiek is het bijzonder jammer dat iemand als Kristof Calvo (Groen) systematisch elk debat over dit onderwerp weigert met Jos Dhaese. (PVDA+). We hebben in het licht van de politisering toch net herbronning nodig? Was dat niet de boodschap van het Oikos-nummer?

Intellectualitis

Ten derde, het valt op dat de auteurs, wellicht om tegemoet te komen aan de verzuchting van een intellectueel debat, heel wat namen van filosofen de revue laten passeren. Daarmee zit de lezer al snel met enige interpretatiekoorts vanwege ‘intellectualitis’: het invoegen van intellectueel behang dat de autoriteit van de tekst moet stofferen, maar soms vooral als stopverf dienst doet voor het eventuele tekort aan zelfstandig en consequent uitgewerkt denkwerk.

Zo is het mij volstrekt onduidelijk wat de auteurs eigenlijk willen bereiken met de terloopse maar cryptische en dus gratuite verwijzingen naar Lacan en Žižek? Het zijn auteurs die ik hoog heb zitten, vandaar dat ik de relevantie van dergelijke verwijzingen ook graag duidelijk wil kunnen begrijpen. Tips?

Eveneens voor discussie vatbaar is het feit dat de auteurs zo nadrukkelijk bij Rancière een eindhalte opzoeken, eigenlijk een beetje als doorverwijzing: ‘voor al uw verdere vragen, zie Rancière’. Zijn politieke filosofie doet dus dienst als paraplu en back-up van een reflectie over het middenveld die de auteurs willen ontwikkelen. Het is natuurlijk verdienstelijk dat de lezer een filosofische horizon meekrijgt van de bril waardoor de auteurs willen kijken.

Maar verdere uitwerking is wenselijk om te begrijpen hoe ze dit denkkader concreet willen inzetten op hun onderwerp. Momenteel werkt het m.i. eerder tegen dan mee dat er na een voorbeeld over de KAJ een hink-stap-sprong gemaakt wordt naar filosofische concepten als ‘de politie-orde’, ‘le partage du sensible’. Als filosoof vind ik het net aan ons om zelf het gedweep met jargon te temperen, zelfs te contesteren, vooral als het dient om er ons daarna vrolijk achter te verstoppen, als achter een rookgordijn, om kritiek te omzeilen via semantische oncologie.

Gelijkheid als strijd, niet als verdovend middel

Om het dan toch over Ranciëre te hebben, het feit dat de auteurs hier hun startpunt vinden, leert ons misschien ook waarom deze discussie is ontstaan, of toch over de wending die ze nam: de filosofie van Rancière brengt een hele analyse van het politieke. Als hij het heeft over politiseren ervan, dan denkt hij daarbij concreet ook en naar mijn weten toch dikwijls vooral aan de politiek zelf, de partijen dus, via een aanklacht op wat de ‘postpolitiek’ heet: de neoliberale consensus van het beleidstechnische dat zogezegd niet meer ideologisch zou zijn, wel gewoon een zaak van goed bestuur, terwijl de neoliberale ideologie, precies door de ontkenning ervan, voluit aan het werk is.

De auteurs passen deze boeiende analyse vervolgens toe op het middenveld. Maar het probleem dat dan in het leven geroepen wordt, is dat het verschil tussen de politiek en het middenveld, en dan vooral de onderlinge machtsrelaties, meer op de achtergrond verdwijnen. Dat was dan ook de aanleiding van mijn repliek, de oproep tot meer nuance, wellicht deels ook die van Lleshi.

Wat men Rancière begonnen is, mag er hier misschien ook mee eindigen: de auteurs nemen diens waardekader over, de essentie van politisering als de claim naar gelijkheid. Dat is vanzelfsprekend een cruciaal gegeven. Maar een valkuil is hier dat gelijkheid, als streefdoel, bij momenten een veronderstelling wordt, namelijk dat wij als mensen onder elkaar toch gewoon gelijk zijn en er samen het beste van moeten maken, blijven praten, niet kwaad zijn, etc. Dat is echter een veelvoorkomende depolitiserende strategie: elk agonisme of strijd willen afzwakken door te benadrukken dat we allemaal toch gelijk zijn.

In christelijke organisaties begin vorige eeuw werd er zo bijvoorbeeld de nadruk gelegd op de ‘godsvrede’ bij ons (‘Gottesfrieden’ in Duitsland, ‘L’union sacrée’ in Frankrijk), waarbij vooral een pacificatie van de klassenstrijd werd beoogd. Het is de ‘One World’-saga uit het hippietijdperk, dat vandaag in zijn commerciële variant gerecupereerd wordt door hyperneoliberale en ideologische dansfeestjes als Tomorrowland. Helaas zijn we helemaal niet gelijk. In België waren er bijvoorbeeld nog nooit zoveel miljonairs als nu (415 117 personen om precies te zijn, zo berekende Marco Van Hees) en het fortuin van de miljonairs is sinds de bankencrisis verhoogd tot 283 miljard euro, er wordt 0% taks op betaald.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?