Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

'De mythe van de groene economie' ontleed

In 'De mythe van de groene economie' laten Anneleen Kenis en Matthias Lievens zien dat de 'vergroening' van de huidige economie een rookgordijn is dat de verdere vernietiging van ecosystemen en toenemende sociale ongelijkheid aan ons oog onttrekt. Het boek bevat een aantal scherpe analyses die de lezer dwingen zich te positioneren tegenover wat in onze wereld gebeurt. Toch kunnen bij het boek ook een aantal kritische kanttekeningen geplaatst worden.
donderdag 20 december 2012

De mythe van de groene economie · Valstrik, verzet, alternatieven

We kunnen de wereld redden door haar te verkopen. Of het nu gaat om de zogenaamde redding van Zuid-Europese landen door privatiseringen of om het terugdringen van broeikasgassen door een markt op te zetten van verhandelbare emissierechten. Het is deze neoliberale ideologie die de auteurs Anneleen Kenis en Matthias Lievens aan de kaak stellen.

Ze laten zien dat een dergelijke zogenaamde ‘vergroening’ van de huidige economie met haar groeidwang en ongelijke machtsverhoudingen een rookgordijn is dat de verdere vernietiging van ecosystemen en toename van sociale ongelijkheid aan ons oog onttrekt. Het is dus de hoogste tijd dat we hierover een aantal radicale vragen aan de orde stellen.

En dat doet het boek: het bevat een aantal scherpe analyses die aan de hand van sprekende voorbeelden heel tastbaar worden gemaakt. De publicatie komt dan ook op het goede moment: het dwingt iedereen om zich te positioneren tegenover datgene wat in onze wereld gebeurt en (opnieuw) te bepalen wat we al dan niet aanvaardbaar vinden.

Toch kunnen bij het boek ook een aantal kritische kanttekeningen geplaatst worden. De positionering van de auteurs, die als radicale klimaatactivisten de rest van de samenleving als ‘mainstream’ beschouwen, doet onrecht aan de grote groep mensen die vandaag de dag, met hun voeten in de neoliberale modder, werken aan een andere wereld. Ook ontbreekt een nieuw model van regulatie en overgangstraject om te komen tot de ontmarkte wereld waar de auteurs van dromen.

Depolitisering terecht in vraag gesteld

De auteurs beschrijven onze samenleving terecht als gedepolitiseerd of postpolitiek. Dit betekent uiteraard niet dat er niet meer aan (partij-)politiek wordt gedaan. Maar wat grotendeels verdampt is, is ‘het politieke’: dit slaat op de vraagstelling naar de fundamenten van ons maatschappelijk model.

Depolitisering is iets wat je elke dag kan observeren: als commentatoren vaststellen dat er geen wezenlijke verschillen meer zijn tussen de traditionele politieke partijen in het centrum, als we vooral worden aangesproken als individu en consument om de wereld te vergroenen zonder dat er gesproken wordt over de verantwoordelijkheid van de producent, als men beweert dat de klimaatwijziging op een technocratische manier kan worden opgelost. Depolitisering betekent dat we er niet meer bij stilstaan dat de maatschappij er anders had kunnen uitzien dan dat ze de facto is.

In een gedepolitiseerde samenleving gaan we pragmatisch op zoek naar oplossingen die een steentje bijdragen. Zo denken we met een ‘dikke truiendag’ een wezenlijke bijdrage te leveren tot de oplossing van de klimaatcrisis. En ondertussen staan we niet stil bij het feit dat de ecologische kwestie een terrein is waarop macht, conflict, allerlei ongelijkheden en ideologische tegenstellingen aanwezig zijn.

We moeten het ecologisch debat dus herpolitiseren, en de auteurs zien hier vooral een rol weggelegd voor de beweging van climate justice die ijvert voor een andere, meer doeltreffende en sociaal rechtvaardige aanpak, vanuit een systeemkritische invalshoek.

Het boek biedt ook een waaier aan voorbeelden van hoe het huidig economisch systeem (en de hiermee verbonden machtsverhoudingen) onze aarde én menselijke samenlevingen om zeep helpt. Of het nu de winning van olie uit teerzanden is in Canada, waar reusachtige bosgebieden verdwijnen, of de ontginning van fossiele brandstoffen uit schaliegesteenten, keer op keer leidt onze energiehonger tot desastreuze effecten. En vaak zijn het de meest zwakke groepen die de hoogste prijs betalen.

Een ander sterk hoofdstuk analyseert haarfijn de perverse effecten van de emissiehandel. Het te koop stellen van het recht op de uitstoot van broeikasgassen leidt ertoe dat het rijke westen haar verantwoordelijkheid afwentelt op de ontwikkelingslanden (die net het slachtoffer zijn van klimaatverandering zonder dat ze daar een grote verantwoordelijkheid in dragen). Zo is het wraakroepend dat dit systeem nauwelijks effect ressorteert terwijl bedrijven als Arcelor Mittal er veel geld mee verdienen.

Nog zotter wordt het als er ook al gespeculeerd wordt met deze emissierechten, tot en met ‘financiële derivaten’. Emissiehandel is voor de auteurs het toppunt van het neoliberale project dat alles in koopwaar verandert. Het versterkt ook de huidige machtsongelijkheden waar grote bedrijven uit geïndustrialiseerde landen hun verantwoordelijkheid outsourcen naar het Zuiden, ten koste van ecosystemen, culturen en menselijk welzijn. In deze analyses zijn de auteurs op hun best.

Een neutraal milieubeleid bestaat dus niet, het ecologische en het sociale zijn steeds met elkaar verweven. Zo wijzen de auteurs op de gevaren van het beleid in verschillende landen (EU, VS, VK, Brazilië) ter stimulering van de zogenaamd “klimaatvriendelijke” agrobrandstoffen. Dit leidt tot enorme prijsstijgingen van voedsel in andere delen van de wereld, grote verschuivingen in landgebruik, en niet in het minst … honger. Om de kern van agrobrandstoffen samen te vatten: met de landbouwgewassen die nodig zijn om de tank van een 4x4 eenmaal te vullen, kan je een Indisch gezin een jaar lang voeden!

De klimaatwijziging is dus geen crisis van het milieu maar van de maatschappij. Elke klimaatpolitiek wordt geïnspireerd door een bepaald maatschappijmodel, en de vraag is hoe dat model eruitziet: kiezen we voor een type van ‘groene economie’ die in de richting gaat van een totale vermarkting van alles, of slagen we erin opnieuw democratische controle te krijgen over de economie?

De auteurs beschrijven ook de beperkingen van individuele gedragsverandering. Zo kan je wel tegen verpakkingen zijn, maar als de winkels in je gemeente daar geen oor naar hebben, sta je machteloos. Om zo’n probleem aan te pakken, moet je mensen vooral als burgers mobiliseren om politiek tegenmacht uit te oefenen om de afvalproductie onder controle te krijgen. En collectieve acties gaan overigens vaak hand in hand met vormen van gedragsverandering die erg emancipatorisch kunnen zijn.

De auteurs duiden er ook op dat een focus op duurzame consumptie makkelijk tot een nieuw onderscheid leidt tussen de haves en have nots. Wie bijvoorbeeld biovoedsel kan betalen, heeft op die manier een soort van ecologische privilege en kan vermijden om allerlei rommel te moeten eten.

Dit manifesteert zich ook in de verhouding tussen Noord en Zuid: de vraag van westerse consumenten naar biologisch voedsel leidt tot de ontwikkeling van biologische agro-industrie in het Zuiden. Dit wordt ten eerste niet op een ecologisch en sociaal rechtvaardige manier gecultiveerd. En ten tweede moet de lokale bevolking het doen met de minder gezonde, conventioneel geproduceerde gewassen. Deze focus op ecologische rechtvaardigheid, lokaal en op mondiale schaal, vormt een belangrijke dimensie en meerwaarde van het boek.

Het boek wordt ook intellectueel erg boeiend als de auteurs beschrijven hoe het kapitalisme omgaat met verzet en barrières. In het verleden wist het kapitalisme het verzet steeds te recupereren: of het nu gaat om de arbeiders in de jaren ’30 of de sociale bewegingen die opkomen voor het milieu. Hierbij hebben deze groepen niet helemaal verloren, ze zijn er in geslaagd het kapitalisme te dwingen zichzelf te hervormen.

Maar deze recuperatie mag nu net niet meer gebeuren met de nieuwste bewegingen waar de auteurs voor staan. Een belangrijk strijdveld hierbij is het domein van de energie. Volgens de auteurs speelde sociale strijd de voorbije decennia een belangrijke rol in de totstandkoming van de energiesector zoals we die vandaag kennen. Ze verwijzen hierbij onder meer naar landen als Bolivia waar strijd van inheemse groepen en de arbeidersbeweging leidde tot de nationalisering van het gas.

Commons: belangrijk maar niet alles verklarend

De auteurs hechten in hun analyse naar de wortels van de crisis als in hun zoektocht naar antwoorden een groot belang aan de commons. Deze term slaat op wat mensen gemeenschappelijk en autonoom beheren of ontwikkelen. Hedendaagse voorbeelden zijn open source software of Wikipedia.

De auteurs tonen dat er wereldwijd strijd wordt gevoerd voor het behoud van de commons (bvb. strijd tegen de bouw van reusachtige stuwdammen in bosgebied). De auteurs erkennen dat commons niet zaligmakend zijn: ze kunnen ook gepaard gaan met sociale ongelijkheid en machtsrelaties. Daarom vergt een duurzaam beheer van de commons een doorgedreven vorm van democratie met een echt engagement van burgers om het gemeengoed in stand te houden.

Omdat commons kwetsbaar zijn, moeten overheden ze erkennen en beschermen. En de commons zijn ook niet de oplossing voor alles, ze bieden bijvoorbeeld geen antwoord op vragen als hoe je fabrieken ombouwt of de vrijhandelsprincipes aan banden legt. Dit kan enkel via het versterken van de democratie met een meer slagkrachtige overheid die in staat is de marktwerking terug te dringen.

Ondanks deze nuanceringen en het belang van commons dichten de auteurs ze een te grote verklaringswaarde toe. Volgens de auteurs is ‘het kapitalisme ontstaan op basis van de privatisering van de commons, in de eerste plaats de gemeenschappelijke gronden’. Vanuit deze verklaring krijgt hun pleidooi voor het terug op grote schaal ontwikkelen van commons meteen de allure dat men zo het kapitalisme kan afschaffen.

Dit schema is te eenvoudig: je hoeft Braudel of Wallerstein niet lezen om te weten dat het kapitalisme een complexe ontstaansgeschiedenis kent. Uiteraard ondersteunt het kapitalisme privé-eigendom, maar het is niet zo dat in de periode daarvoor er vooral sprake is van autonome boeren die leven van commons. Niet toevallig spreken we in de middeleeuwen van een feodale samenleving (met lijfeigenen en horigen).

De ‘groene economie’: wie kan er nu nog mee aan de slag?

Het begrip ‘groene economie’ wordt door groepen in de samenleving op diverse wijze gebruikt (en misbruikt). Dit is geen nieuw gegeven: hetzelfde geldt voor ‘duurzaamheid’ waar onderzoekers spreken van ‘sterke’ en ‘zwakke’ vormen van duurzaamheid (resp. al dan niet systeemkritisch).

De auteurs maken een dergelijk analytisch onderscheid niet: voor hen komt het merendeel van de invullingen van de ‘groene economie’ neer op veranderingen die de logica van het huidig systeem niet veranderen en dus geen oplossing bieden voor de uitdagingen waar we voor staan. Zelfs de meest radicale invulling van een New Green Deal voldoet volgens de auteurs niet en is dus systeembevestigend.

Dit lijkt toch sterk op het toepassen van de methode die ‘van een rijk begrip een cliché maakt om dan dit cliché te kunnen bestrijden’. Want in hun analyse krijgt zowat iedereen binnen de brede groene beweging, zowel denkers, doeners als politici, ervan langs. Radicale denkers als Susan George, Rob Hopkins of Tim Jackson: ze doen mee aan de ‘groene economie’ omdat ze bijvoorbeeld vinden dat samenwerking met bedrijven een deel van de oplossing is of kan zijn.

Dit is zo ongenuanceerd dat je er moeilijk mee aan de slag kan. De auteurs vernoemen als voorbeeld de NGO Natuurpunt die een tijd terug sponsorgeld aanvaardde van Electrabel. Dit is een terecht voorbeeld van waar depolitisering kan toe leiden.

Maar uit dergelijke voorbeelden de algemene conclusie trekken dat quasi alle bedrijven ‘fout’ zijn, net zoals alle grote NGO’s uit de ecologische beweging fout zitten, is toch wel een brug te ver. Zo is, om een andere grote NGO te noemen, de keuze van 11.11.11 om voor de tweede keer op rij als jaarthema te kiezen voor ‘klimaatvluchtelingen’, zonder meer politiserend te noemen. En de oprichter van een ecobedrijf kan je toch niet vergelijken met Richard Branson van Virgin.

Het problematische gevolg van deze zwart-witbenadering is dat de term ‘groene economie’ onbruikbaar wordt, ook voor mensen die streven naar een sociaalecologische invulling ervan.

Tegen het systeem, maar geen nieuw model of theorie

De auteurs duiden het kapitalisme aan als de grondoorzaak van de ecologische crisis. Daarom moet er werk gemaakt worden van ‘postkapitalistische alternatieven’. Je zou verwachten dat ze, na hun forse kritiek op iedereen die meewerkt aan de ‘groene economie’, ook een alternatief voorstellen. Dit is niet het geval: de auteurs schuiven geen model of theorie naar voor, ze willen enkel ‘de verbeelding prikkelen’.

Hier blijft je als lezer toch met een leeg gevoel achter. Om het concreet te stellen: de auteurs zijn kritisch ten aanzien van een boek Welvaart zonder Groei van Tim Jackson omdat deze de term ‘kapitalisme’ niet in de mond neemt, maar dit laatste boek eindigt wel met een concreet beleidsprogramma met twaalf samenhangende krachtlijnen voor de transitie naar een duurzame economie.

Een land waar we heel wat van kunnen leren, is voor de auteurs Cuba. De reductie tot een tiende van de olie-import begin jaren ’90 leidde er tot het trekken van de ecologische kaart. De succesfacturen van het Cubaanse verhaal zijn onder meer een hoogopgeleide bevolking, een sterke sociaal weefsel, de afwezigheid van marktwerking op grote schaal en een belangrijke rol voor de publieke sector.

De kritiek dat verandering snel gaat als ze wordt gedicteerd door een éénpartijregime snijdt volgens de auteurs maar gedeeltelijk hout. Hier blijft toch een punt onbeantwoord omdat in de rest van het boek de auteurs democratische sturing, bijvoorbeeld in het beheer en uitbouw van commons, zo centraal stellen.

Is wie niet met mij is, tegen mij?

De auteurs verzetten zich terecht tegen een invulling van de groene economie die gewoon de huidige economie een groen tintje wil geven. En als BP haar naam wijzigt in Beyond Petroleum is het helemaal nog geen ecologisch bedrijf geworden, integendeel. Niet toevallig formuleren ook andere milieudenkers als Johan Malcorps dat we terug onze vijanden moeten benoemen, en daar horen de olieconcerns bij.

Je weet als kritisch burger best wie je mogelijke bondgenoten zijn (en wie dus niet). Maar bij de auteurs slaat dit gezond wantrouwen om in een afwijzen van samenwerking met zowat alle maatschappelijke actoren die hun radicaal activistisch standpunt niet delen.

En ook de meeste ecologisten zijn niet goed bezig, want te weinig op zoek naar postkapitalistische alternatieven: “Die opdracht is zo immens, dat veel ecologisten ze liever uit de weg lijken te gaan. Ze zoeken naar binnenwegen: manier om zaken te goede te keren zonder de grote, moeilijke vraag naar maatschappijverandering te moeten stellen.” Een uitspraak die ze als wetenschappers overigens ook niet hard maken met een systematische argumentatie.

Het is jammer dat de auteurs vanuit een conflictmodel hun terechte oproep tot herpolitisering zo zwart-wit formuleren. Het klopt dat een aantal organisaties in het middenveld de weg kiezen van brede partnerships. Vaak doen ze dit vanuit de overtuiging dat dit de beste manier is om naar een sociaal-ecologische samenleving te evolueren.

Zijn ze hierbij te pragmatisch geworden? Sommigen van hen zeker wel. En dan is er inderdaad nood aan een herbezinning over strategie en doelstellingen. Maar in plaats van deze reflectie te voeden, worden er nu harde muren opgetrokken tussen categorieën van mensen en organisaties in onze samenleving. Niet toevallig hanteren de auteurs een citaat van Jaap Kruithof: “Wie niet links is, is rechts”. In hun (onuitgesproken) versie wordt dat: “Wie niet voor ons kamp kiest, wil de ecologische crisis niet oplossen”.

De auteurs verbinden zich zo niet met de vele middenveldorganisaties die initiatieven nemen tot herpolitisering, zowel in de eigen organisatie als naar de brede samenleving. Wat dit laatste betreft is er bijvoorbeeld het initiatief van DeToekomstfabriek in Gent, waar acht organisaties samenwerken rond een hedendaagse vorm van volksuniversiteit. Het zijn dergelijke vormen van hybride samenwerking op stedelijk niveau die m.i. het meest potentieel bezitten om brede lagen van de bevolking te politiseren.

De auteurs delen concreet de samenleving op in drie groepen. De eerste groep is die van de oliebedrijven en de speculanten, die cynisch geld verdienen door de aarde om zeep te helpen.

De tweede groep zijn zij die 'de groene economie’ verdedigen. Hier vinden we groene liberalen,‘verantwoorde ondernemers’ en gemainstreamde NGO’s. Het lijkt er sterk op dat de auteurs onder deze groep ook de “groenen” en “ecologisten” rekenen die het systeem van binnenuit proberen te veranderen. Zelfs de transitiebeweging wordt in dit vakje gestopt. Deze zijn voor de auteurs niet de ‘hoofdvijand’, maar zelf rekenen ze zich tot de derde positie die de twee andere groepen ter discussie durft te stellen.

De derde groep moet een eigen strategie ontwikkelen die systematisch de klemtoon legt op democratie en sociale rechtvaardigheid. Het is deze groep die dan de samenleving in de juiste richting duwt doordat ze de tweede groep onder druk zet om écht groen te zijn en rekening te houden met sociale noden. En verzet is wat nodig is om deze sociale veranderingsprocessen teweeg te brengen.

De vraag is of dit handelingsperspectief -de kleine radicale derde groep die de tweede groep onder druk zet- voldoende vruchtbaar is om de grote omslag op korte termijn te realiseren die de auteurs beogen.

Op weg naar een ecosocialisme

De auteurs pleiten voor een ecosocialisme, waarbij de productiemiddelen niet alleen onder democratische controle worden gebracht, maar ook veranderd worden (kernenergie bvb. vervangen door windmolens). Hele economische sectoren moeten worden afgebouwd of minstens diepgaand veranderd: de industriële landbouw en visvangst, het financieel systeem, kernenergie en energieproductie op basis van fossiele brandstoffen.

Sectoren als reclame, automobielproductie en luchtvaart maart moeten krimpen tot zelfs verdwijnen. De auteurs leggen hier hun hoop bij de arbeidersbeweging om deze systeemverandering, gesteund door de overheid, vorm te geven.

Daarnaast is er nood aan ‘genoeg’ leren zeggen: enkel nog produceren om aan de noodzakelijke behoeften te voldoen en binnen het kader van het ecosysteem aarde. In feite sluiten de auteurs hier aan bij het zogenaamde 'sufficiëntiedenken', wat al in de jaren ’90 in de congresteksten stond van de Vlaamse groenen.

In hun zoektocht naar een antwoord sluiten de auteurs zich meer dan ze vermoeden aan bij het werk van ecodenkers van het eerste uur als André Gorz en Ivan Illich. Het is jammer dat ze zich hier niet meer in verdiept hebben.

Concreet pleiten de auteurs voor ‘ecoplanning’: het bewust organiseren van de productie, als alternatief voor de zogenaamde 'onzichtbare hand' van de markt. Bij deze democratische planning tracht men op voorhand in grote lijnen vast te leggen welke de prioriteiten zijn, en hoeveel moet worden geproduceerd om die te realiseren.

Hoe je zo’n planning moet realiseren op niveau van een land, Europa of de wereld, maken de auteurs niet duidelijk. Terwijl ze wel benadrukken dat de diepgaande reorganisatie op heel korte termijn moet gebeuren. Hierbij verwijzen ze naar de transitie naar een oorlogseconomie tijdens de tweede wereldoorlog.

Een onsamenhangend eindverhaal

Voor een echt sociaalecologisch veranderingsproces gaan de auteurs op zoek naar “sociale krachten die het klassieke groene discours misschien nauwelijks geassimileerd hebben, maar wel potentie hebben om sociaalecologische verandering te realiseren”. In feite zeggen de auteurs hiermee dat heel de ecologische beweging irrelevant is geworden in deze strijd.

De auteurs verwachten het meeste heil van bewegingen in het Zuiden. In eigen land ligt de bal bij sociale bewegingen die druk van onderuit zetten op overheden en bedrijven, waarbij de climate justice-beweging een centrale rol krijgt toebedeeld in haar poging tot herpolitiseren. Hierbij speelt het conflict een centrale rol, het durven radicale actie voeren tegen bijvoorbeeld het kappen van een bos.

Opmerkelijk is hier dat de auteurs verwijzen naar het voorbeeld van Freiburg, waar het ecologisch bewustzijn destijds ontstond in de gezamenlijke strijd tegen de plannen voor een kerncentrale. Dezelfde milieubeweging die toen een belangrijke rol speelde, alsook het huidige groene stadsbestuur wordt nu blijkbaar niet meer relevant geacht. Deze redenering behoeft toch een extra woordje uitleg.

Het laatste hoofdstuk is dan ook verwarrend en soms tegenstrijdig met wat eerder betoogd werd.

Zo lezen we verderop dat de auteurs geïnteresseerd zijn in “een mogelijke alliantie tussen de groene en de arbeidersbeweging”. Hier krijgt de groene beweging terug een cruciale rol toebedeeld en ziet men vooral de vakbonden als grote hefboom in de revolutie naar een andere economie. Terwijl sommige vakbonden nog altijd pleiten voor het behoud van het huidig systeem.

Het wordt helemaal moeilijk volgen als de auteurs daaropvolgend omschrijven wat ecologisten moeten doen om van de arbeidersbeweging een bondgenoot te maken: de bestaande arbeidersstrijd door dik en dun steunen: “ook de strijd voor jobs, al is dat vandaag nog in vervuilende fabrieken, moet door ecologisten worden gesteund.”

Even verwarrend is het naar voor schuiven van een rapport van klimaatbewegingen en vakbonden in Groot-Brittannië dat pleit voor de creatie van een miljoen klimaatjobs en niets anders doet dan een eigen invulling geven aan de Green New Deal, wat volgens de auteurs net deel van het probleem is.

Ik denk dat de auteurs hiermee onbewust zelf de beperkingen van hun toekomstvisie aangeven. Als je het systeem wil veranderen, moet je sociale strijd voeren die slechts mogelijk is door grote groepen uit de samenleving te mobiliseren. Maar deze grote groepen kan je niet bereiken vanuit een louter conflictmodel waarbij je ze in de hoek steekt van systeembevestigers en dus deel van het probleem.

Want zo wordt de visie als een slang die bijt in haar eigen staart. Dit gebeurt nog een keer in de epiloog van het boek waar de auteurs schrijven: “De ecologische beweging heeft haar historische rol gespeeld. Nu allerlei bedrijfs- en regeringsleiders onder de noemer van de ‘groene economie’ hun eigen invulling hebben gegeven aan het groene project, is het tijd om een pagina om te slaan en onszelf opnieuw uit te vinden. We moeten nu onder een andere naam vechten voor datgene waarnaar vele generaties ecologisten initieel streefden.”

Wie in bovenstaand citaat de ‘ecologische beweging’ vervangt door ‘vakbond’ beseft meteen hoe overtrokken dit is. Dat vakbonden en milieubewegingen radicaler moet worden in het licht van de ecologische crisis, daar ben ik het volledig mee eens. Maar het is toch niet omdat we nu in een welvaartstaat leven, dat we nu kunnen bepleiten dat de vakbeweging haar historische rol heeft gespeeld en onder een andere naam moet gaan vechten…

Besluit: het ecologische is ook sociaal

De mythe van de groene economie is een uitdagend boek dat de samenleving een spiegel voorhoudt: zoals we nu bezig zijn verder doen, gaat echt niet. Het vertolkt de onrust en verontwaardiging die bij velen leeft. Er is nood aan een wakeupcall, een herpolitisering van de samenleving.

De auteurs benadrukken ook terecht dat een ecologische transitie hand in hand moet gaan met een sociale omwenteling, en omgekeerd. En dat is wat bij de ‘groene economie’ (volgens hun invulling ervan) niet gebeurt, waardoor het nooit de noodzakelijke sociale steun zal krijgen uit brede lagen van de bevolking.

Dit is net waar de ‘politieke ecologie’ voor staat: het gaat bijvoorbeeld niet om meer natuur in de stad, maar wel om gelijke toegang ertoe voor iedere stadsbewoner. Het gaat niet om zomaar te streven naar meer passiefbouw, maar wel er voor te zorgen dat ook mensen met een laag inkomen in een kwaliteitsvolle en energiezuinige woning kunnen wonen.

Het boek legt zo terecht de nadruk op de rechtvaardigheidsdimensie die vaak onvoldoende aan bod komt in de aanpak van grote ecologische uitdagingen. Het geeft voorbeelden van concrete verandering en legt heel wat hoop in wat mensen kunnen doen buiten de markt (de commons).

Maar tegelijk is positionering gebaseerd op de combinatie van een maatschappelijk conflictmodel en een radicale zuiverheid die veertig jaar denken en handelen binnen de ecologische beweging zomaar aan de kant schuift, niet de juiste weg om te komen tot een breed front om het tij te keren.

Zoals de Duitse groene Böll Stichting in een recente publicatie stelt, is de wereld meer en meer in handen van zo’n honderd multinationals. Het is tegen hen dat we de strijd moeten aangaan, en daarvoor zullen we met veel moeten zijn.

Dirk Holemans

Dirk Holemans is coördinator van Oikos, denktank voor sociaal-ecologische verandering.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

15 reacties

  • door Robrecht Vanderbeeken op donderdag 20 december 2012

    Wie dit boek las, zou verwachten dat Groen dit boek uitermate enthousiast onthaalt. Zoals Holemans hierboven aanstipt, stelt het immers heel wat zaken scherp. Blijkbaar spelen de eigen vooroordelen nog teveel parten, en is het onthaal blauw blauw, want het dwingt Groen tot een aangescherpt engagement als linkse partij. Dat de Groenen moeite hebben om het kapitalisme als oorzaak van de klimaatcrisis te zien, was al langer bekend. Dat zij daarin zo volharden, dat is frappant en electoraal wellicht ook zelfvernietigend.

    Maar elk denkproces heeft zijn tijd nodig, bij kiezers en politici. Holemans vergist zich echter: dit boek houdt niet zozeer de maatschappij een spiegel voor, maar wel de ecologische beweging. Als we naar de mineur van de laatste klimaattop kijken, is dat niet bepaald overbodig.

    Het is natuurlijk goed dat er discussie is. Holemans verwijt de auteurs van de Mythe van de groene economie evenwel een zwart-wit denken. Dat is natuurlijk een al te gemakkelijke retorische repliek op een dergelijk onderbouwd, genuanceerd en degelijk boek. Niettemin geloof ik best dat Holemans dit oprecht meent. Het illustreert ook treffend de pragmatiek van Groen, die welwillende meegaandheid en tolerantie die zeker waardevol is, maar dikwijls ook een notoir gebrek aan strijdbaarheid en duidelijkheid installeert. 50 tinten grijs.

    Als we bijvoorbeeld naar Antwerpen kijken, blijft het verbazen dat de ideologie van deze partij blijkbaar zo rekbaar is dat zij in het district Borgerhout een bestuur kunnen aangaan met PVDA en Sp.a terwijl ze in het district Antwerpen met N-VA, CD&V en Open VLD in het bootje stappen. Wie dergelijke spreidstand aankan, vindt het denken van anderen inderdaad al snel zwart-wit. Dat heeft ook met de christelijke aspiraties te maken, waaruit deze partij is ontstaan en die nog steeds doorspelen. Ook dat is erg waardevol. Maar de honderden multinationals waar Holemans naar verwijst, gaan zich echt niet vanzelf aanpassen, via een gewetensconflict, daar is weerwerk voor nodig. Een zichtbare hand.

    Holemans maakt er zich ook gemakkelijk van af het boek te verwijten dat het geen alternatief biedt en daarom zou eindigen in iets onsamenhangends. Deze kritiek is niet alleen ongegrond – de auteurs bieden weldegelijk een perspectief aan, namelijk trap niet in de val van het eco-kapitalisme en opteer voor een duidelijke sociaal-ecologische strijd – maar ook volkomen ongepast.

    Want was is dan dat fameuze alternatief dat Groen de vorige jaren heeft uitgewerkt? Wat was het plan? De overkoepeling van de Antwerpse ring is een mooi symbooldossier, het afbreken van de viaduct in Gent ergens ook wel, dat klopt. Beter dan de milieubox, zeker. Maar ecologie zonder een duidelijke politiek-economische theorie is helaas gedateerd, naïef zelfbedrog. Dat weten de ecologisten, nu ze uit de postmoderne droom ontwaken, zelf natuurlijk ook wel. Hopelijk leert Groen de hand zonder aarzelen uitsteken, en dan vooral naar die personen die ook hun strijd voeren.

    • door Paul B op donderdag 20 december 2012

      dat u in het wollige jezuïetenproza van Holemans nog zoiets als een opinie kan ontdekken strekt u tot eer.

    • door Pascal Debruyne op donderdag 20 december 2012

      geachte heer Vanderbeeken, beste Robrecht,

      Ik heb de laatste tijd erg genoten van de manier waarop U debat voert. Dan heb ik het vooral over het cultuurdebat op REKTO VERSO tussen U en Holemans. Ik vond daar argument en tegenargument. Uw analyse was ook gebaseerd op het gemis aan (kritisch) antwoord op het formuleren van privaat ondernemerschap en marktcreativiteit in de cultuursector bij hetkartelakkoord in Gent. Eenzelfde argument maakt U hier; een bedenking waarbij ik me op zich aansluit. Zonder een grondige economische analyse, en de politieke fundamenten van dat neoliberaal marktmodel, is elke kritiek en alternatief inderdaad een directe misser.

      Echter, waar zie je Holemans dit hier ontkennen? Ik denk dat dit een faire bespreking is van het boek, dat "jenseits" het warm of koud blazen gaat. Het gaat mijn inziens om een grondige analyse, die vooral mikt op debat over alternatieven, of het gemis daaraan in het boek, en enkele ogenschijnlijke contradicties. Daarnaast wil het vooral enkele nuances aanbrengen in wat soms als eenheidsworst wordt behandeld in het boek (dus "bepaalde zaken" die als zwart-wit worden behandeld). Op geen enkel moment wordt hier de analyse "an sich" in twijfel getrokken over de politieke economie van competitie die zich achter veel greenwashingdiscours en- praktijken bevindt. Meer, zelfs, Gorz die nauw aansluit bij de geest van het boek, wordt ook door Holemans naar voor gehaald.

      Ik betreur vooral de manier waarop Holemans, die hier reageert als coördinator van de denktank OIKOS, hier als "Groen" (de partij) wordt voorgesteld. Meer zelfs, opeens lijkt de man verantwoordelijk voor alle verkeerde ideologische samenwerkingen in de Antwerpse districten, voor het zwaktebod van de milieubox en voor het gebrek aan reële alternatieven bij Groen? In zoverre ik Holemans zijn denken en handelen kan inschatten, en ik daar iets kan uit afleiden, dan vraag ik me af of hij hier zelf geen bedenkingen bij heeft, of dit zelfs onwenselijk vindt. Maar nogmaals, ik hoef niet in zijn naam te spreken. Maar, de reden waarom ik dit aanbreng, is dat ik dit soort van "ad hominem" taktiek nooit heb gezien in uw argumentatie en het onderbouwde debat dat U normaal voert. Als iemand refereert met zijn titelatuur naar zijn functie, dan is het minste wat je kunt doen dit serieus te nemen of ter goeder trouw te nemen. Anders, zo lijkt me, is debat wel erg moeilijk.

      Met vriendelijke groeten

      Debruyne Pascal

      • door Robrecht Vanderbeeken op donderdag 20 december 2012

        Beste Pascal Debruyne,

        Dit is een heel vriendelijke manier om mijn bedenkingen als ad hominem aan de kant te zetten? Ik beschouw Holemans als een boegbeeld van Groen en meen dus dat ik aan zijn adres bedenkingen mag maken ten aanzien van zijn partij. Ik denk ook niet dat hij dat persoonlijk neemt, los van zijn politiek mandaat. Ik zou zijn recensie ook graag los willen zien van partijpolitieke afwegingen, maar die zitten er nu toch wel wat in, hij struikelt namelijk over het idee ‘ecosocialisme’, iets dat linkser ligt dan Groen. Holemans is niet alleen uw en mijn Oikos-collega, dit stukje laat zich ook lezen als een denkoefening van een politicus. Dat is prima, broodnodig en lovenswaardig, het schept duidelijkheid, maar geeft ook een vrijgeleide het debat ruimer te voeren. Vandaar mijn bedenkingen in mijn reactie; Wat verstaan we eigenlijk onder een ‘groene beweging’ en de politieke representatie ervan bij ons? Ik beweer ook helemaal niet dat bovenstaande bespreking gratuit is. Moest ik die indruk gewekt hebben, dan wil ik dat hierbij graag rechtzetten. Ik maakte er aantekeningen bij.

        Maar ik neem uw vraag graag ernstig, vergeet dus mijn vorige reactie, laten we het over Holemans hebben, dat wil dan zeggen, enkel als de auteur van deze recensie, en eens bekijken waar hij hapert in zijn analyse. Holemans hanteert het huidige, gangbare discours op niveau van de termen: we moeten ‘herpolitiseren’. Hij gebruikt dat begrip wel erg ruim. Maar de oproep van de auteurs om te herpolitiseren, met name dat een ‘derde groep’ die de klemtoon legt op democratie en sociale rechtvaardigheid de ‘tweede groep’ van de groene economie alert moet houden, hoort daar dan plots niet bij. Dat is dan ineens geen herpolitiseren maar een zuiverheidsdenken, zwart-wit… . Dat lijkt mij toch betwistbaar. Dat is wel een heel belangrijke invulling van wat herpolitiseren is. Je kan niet enerzijds een pleidooi voor herpolitiseren voeren en dan een fundamentele aansporing tot herpolitiseren tegelijk afwijzen. Het is het een of het ander, niet enerzijds-anderzijds, Torfs achterna.

        De pragmatische invulling die Holemans hanteert is dus veel te dun. De auteurs zeggen ook helemaal niet dat de ecologische beweging irrelevant is geworden. Zij willen geen wig drijven maar aansporen om een stap verder te zetten. Vooruit! Holemans trekt hier een en ander op flessen om een tot een botsing te komen, een wig te drijven tussen zoiets als realo’s en fundi’s, een conflictsituatie genereren tussen een ‘conflictmodel’ en een ‘pragmatisch model’ dat wel veel meer acties en mensen zou insluiten, breder is, etc.. Ik leer dat dit pragmatisch model betekent dat je de arbeidersbeweging en de vakbonden helemaal niet zomaar moet steunen. Daar ziet Holemans een tegenspraak in. Tja, als je sociale strijd en ecologie zo loskoppelt, en geval per geval bekijkt, afhankelijk van hoe het uit komt, zonder de wil om een alliantie aan te gaan, ondermeer om zo ook de vakbonden te overtuigen van het nut van de ecologische zaak, dan denk ik dat we de term ‘herpolitiseren’ toch wat strikter moeten definiëren. Is dit naar uw mening dan wel een serieuze bijdrage tot het debat?

  • door Gerd op donderdag 20 december 2012

    "In hun zoektocht naar een antwoord sluiten de auteurs zich meer dan ze vermoeden aan bij het werk van ecodenkers van het eerste uur als André Gorz en Ivan Illich. Het is jammer dat ze zich hier niet meer in verdiept hebben. " zegt Holemans zonder verpinken.

    Het is vooral jammer dat de mainstream groene partij(en) en beweging het werk van deze en andere groene denkers naast zich hebben neer gelegd of zelfs hebben bestreden. Men vergelijke het dominante groene discours met bvb. "Voeten in de aarde" waarin enkele groene theoretici worden behandeld . ( o.a. Naess, Bookchin, Ullrich, Bahro )

    De radicale systeemkritiek en de noodzaak tot een maatschappelijke U-turn die het ecologische denken die naam waardig ontwikkelt ontbreekt heden vrijwel totaal in de sociale en politieke praktijk van de verregaand genormaliseerde en gerecupereerde groenen.

    Het is daarom goedkoop om niet te zeggen hypocriet de auteurs van "De mythe van de groene economie" het gebrek aan alternatief te verwijten vanuit een mainstream groene positie.

    Dertig jaar groene parlementaire politiek en het bijna geheel opgaan van een belangrijk deel van de georganiseerde groene beweging in het burokratisch staatsapparaat of in vele zichzelf in stand houdende NGO's heeft de levensbedreigende ecologische crisis geen minuut uitgesteld laat staan afgewend.

    Het zwaarst daarbij weegt dat de groene organisaties en kaders zich vooral inhoudelijk en programmatisch aan het systeem hebben aangepast en zodoende zelfs niet meer de basisvoorwaarde vervullen voor het bieden van een reddend alternatief.

    Gezien de impasse van het geglobaliseerde systeem dat met de kinetische energie van een reuzepassagiersvliegtuig met aan boord de voltallige wereldbevolking op de blijkbaar voor velen - ook de piloten - nog onzichtbare steile rotswand afkoerst is het van een ultieme urgentie geworden dat zij die weten durven spreken en zeggen en doen wat nodig is. In de eerste plaats al diegenen die zich op het groene gedachtegoed beroepen.

    Laten we hopen dat grijsgroen waar het ook zit bereid is een zelfkritisch bilan te maken van de voorbije decennia en dat het debat voor een herijking van groen als systeemalternatief geopend wordt.

  • door Lucie Evers op donderdag 20 december 2012

    Ik ben diepgroen, dieprood en ondernemer. Hoewel voldoende is aangetoond dat de vrije markt niet werkt, is het ander uiterste - een centraal geplande economie onder zogezegde democratische controle- zeker geen werkbaar alternatief. De vrije markt bestaat overigens niet echt, Hans Achterhuis toont voldoende aan dat dit ontstaan is uit een utopie waarin het menselijk denken en handelen zwaar wordt miskend en verkeerd ingeschat. De auteurs zijn in hetzelfde bedje ziek, de wens is vaak de vader van de gedachte. Maar dat maakt de gedachte nog niet juist, of werkbaar. Ik ben met een aantal analyses eens, meer nog de auteurs zijn niet de eersten, noch de laatsten om die analyses te maken. Maar als betaalde wetenschappers mochten ze wat mij betreft wat creatiever zijn in het bedenken van strategieën om de bevolking zover te krijgen dat het democratisch gehalte ervan beter wordt en bovendien dat de democratie terug politiek geladen wordt met (grote) ideologische verhalen. Ik herinner me overigens ergens in de jaren 80 ook een halfslachtige poging om marxisme/ socialisme te laten huwen met de ecologische beweging en dat is op een sisser uitgelopen. Kort nadien kwam zwarte zondag, gevoed door stemmen van vakbondsmensen van vnl. de rode vakbond. Wat ik overigens mis, is de 'ethische' dimensie en hoe men het 'individu' denkt in te vullen. Want van individu is hier bijzonder weinig sprake. En zoals altijd in een volwassen benadering is het en/en verhaal: er is een systeemverantwoordelijkheid en een individuele verantwoordelijkheid. En de ecologisten bewegen zich op beide terreinen, in een zoektocht naar wie welke verantwoordelijkheid dient op te nemen en in welke mate. Natuurlijk is er ondertussen te weinig overheid, een zich terug trekkende overheid en een verarmende overheid in een rijk Vlaanderen. En natuurlijk worden wij geregeerd door zo'n 100 multinationals en is dit de facto een democratisch deficiet. Blijkbaar hebben de auteurs geen vertrouwen in het volk, de verkozenen en haar overheden. Blijkbaar moet het totalitaire maar kunnen , al is het voor even, omdat de aarde en de mensheid in nood is. Ik wil ook een grondige systeemtransitie, maar ik ben nog steeds niet bereid om dit te willen realiseren zonder de mobilisatie van het volk, zonder een democratische en politieke werking in een rechtstaat en zonder het recht op privaat en individueel initatief. Ik geloof niet in een deus ex machina die verkondigd wat nu het 'goede leven' is , wat er mag gegeten en gedronken worden, en wie welke rol krijgt toebedeeld... Dan liever het ietwat naïeve van de transitiebeweging, de opkomst van burgercoöperaties en het versterken van de zogenaamde zwakken in de samenleivng. Naast Illich en Gorz, ligt ook Freire nog steeds binnen handbereik...

    • door Anneleen Kenis op donderdag 20 december 2012

      Dag Lucie,

      Als ik lees wat je schrijf, vraag ik me af of je het boek wel gelezen hebt?

      Groetjes,

      Anneleen

  • door An op vrijdag 21 december 2012

    Deze recensie wijst er precies op dat binnen de groene beweging een ‘allemaal samen’ discours heerst: wie kritiek heeft op bepaalde aspecten van de beweging, lijkt per definitie tégen deze beweging te zijn. Net de redenering die Dirk Holemans aan de auteurs van het boek toeschrijft.

    Dat bepaalde kritische aspecten in het boek ook betrekking (kunnen) hebben op de groene beweging en de groene partij, wil helemaal niet zeggen dat deze geen waardevolle actoren zijn. Dat beogen/betogen de auteurs volgens mij nergens in het boek, en dat te stellen, is het kind dat zichzelf met het badwater weggooit.

    Nochtans heeft de groene beweging vanuit het 'allemaal samen' discours soms effectief (te) weinig scrupules om bv. met bedrijven in zee te gaan. Het boek stelt scherp dat bij elk van dergelijke overwegingen de analyse gemaakt moet worden of dit een stap is in de goede richting, naar een sociaal rechtvaardig klimaatbeleid, of integendeel een stap in de andere richting. Dit lijkt me dus geenszins bedoeld als een 'persoonlijke' kritiek naar de groene beweging of Groen toe, noch als een afwijzen van alle samenwerking an sich met bedrijven, maar wel als een vitaal aandachtspunt dat bij alle beleids- en beslissingsprocessen in gedachten gehouden moet worden willen we de klimaatcrisis pogen te keren.

    De auteurs hebben daarnaast m.i. met het boek ook niet de intentie noch de pretentie om een blauwdruk voor 'een alternatief' voor de neoliberale markteconomie aan te bieden. Planeconomie wordt door hen helemaal niet in het boek naar voren geschoven als de oplossing. Het boek vormt een stevige analyse van de 'groene economie' as it is. Er worden tevens handvaten aangereikt in de zoektocht naar alternatieven. Dat lijkt me al veel voor één boek. Voor een concrete en verregaande uitwerking van alternatieven en kristallisering van het groeiende maatschappelijke bewustzijn dient eigenlijk nóg een boek geschreven te worden, een ander boek, zoals de auteurs tijdens hun boekvoorstelling zelf stelden. Te stellen dat dit een tekortkoming is van het boek op zich is mijns inziens niet zo fair.

    Het is hoogtijd om het bestaande project van 'de groene economie' opzij te schuiven en onszelf opnieuw uit te vinden, en hierbij ook kritisch ten opzichte van onszelf te staan. Het boek blijkt bepaalde gevoeligheden bloot te leggen en debatten op gang te brengen, wat hierbij een goede zaak is.

    • door Griet op vrijdag 21 december 2012

      Ik sluit mij daar volledig bij aan, An!

  • door Bram op vrijdag 21 december 2012

    Misschien kunnen we in de sfeer van de kerst ertoe bijdragen dat de geschenken uitgewisseld in deze dagen ook werkelijk geproduceerd werden in respect voor milieu en samenleving , dat ze duurzaam en volledig recycleerbaar zijn en dat tijdens de productie ervan milieuvervuiling optimaal werd beperkt en de arbeidsomstandigheden menswaardig waren en degelijk volwaardig verloond werden, dat er geen onnodige energieverslindende afstanden dienden te worden overbrugd enz. kortom echte eerlijke mens- en milieuvriendelijke producten. Niet te vinden? Waarom dan niet een eindejaarsperiode zonder geschenken als een krachtig signaal dat we verandering , een echte groene economie willen ?

    • door Griet op vrijdag 21 december 2012

      En dat zou mensen véél gelukkiger maken!

  • door Grillet Stefan op zaterdag 22 december 2012

    Het boek heb ik bijna uitgelezen. Ik vind het schitterend en verwonderlijk vlot te lezen voor dergelijke ernstige materie. Het debat dat hier gevoerd wordt vind ik wel leuk, maar na de lezing van het commentaar van Dirk Holemans had ik toch wat het gevoel "'t Is nu weer al niet goed" Ik ben geen specialist maar ben de auteurs van dit boek dankbaar dat zij in begrijpbare taal dit neergeschreven hebben. Dirk Holemans kan misschien met die mensen wat samen werken om de moeilijke weg naar een alternatief gestalte te geven.

    • door Griet op zaterdag 22 december 2012

      Ik kan me absoluut volledig vinden in jouw commentaar. Indien iedereen eens een poging zou doen om dit héél goeie boek grondig te lezen, zouden we hoogstwaarschijnlijk al een reuzestap dichter staan bij een rechtvaardige en leefbare wereld voor elke mens!!!

  • door AnneleenKenis op donderdag 27 december 2012

    Met veel van wat Dirk Holemans zegt, zijn we het eens. Een aantal van zijn kritieken zijn terecht, bijvoorbeeld dat het boek een te grote verklaringskracht toekent aan de commons. Daarnaast zijn er een aantal kleinere punten die voer voor toekomstig debat zijn. We willen hier vooral ingaan op zijn belangrijkste kritiek: Dirk schrijft ons een zwart-wit denken toe en een zogenaamde ideologische zuiverheid van waaruit we zowat alles zouden bekritiseren wat de groene beweging tot nu toe heeft gedaan. Bovendien zouden we zulke scherpe conflictstrategie hanteren dat die tot ‘kampisme’ zou leiden (‘wie niet met mij is, is tegen mij’). Die kritieken vinden we heel verrassend. Enerzijds bevat het boek natuurlijk een radicale kritiek op het huidige economische systeem en op een aantal actuele tendensen in de ecologische politiek, het milieubeleid en de groene beweging. Maar anderzijds hebben we tegelijk geprobeerd strategische handvaten te geven die zinvol zijn voor de brede sociale en groene beweging, ook voor die krachten die misschien niet alle aspecten van onze systeemkritiek volgen. Volgens ons ligt het zwart-wit denken eerder bij een specifieke interpretatie of lezing van het boek die niet kan begrijpen dat je enerzijds kritiek op bepaalde keuzes of tendensen kunt hebben, maar daarom mensen of groepen niet in hun geheel als vijanden aan de kant schuift. Het punt is dat juist in dit soort lezingen een "wie niet met mij is, is tegen mij”-discours binnen dreigt te sluipen. Hierbij aansluitend verwijt Dirk ons dat wij de term ‘groene economie’ met ons boek onbruikbaar zouden hebben gemaakt en dat niemand nu die term nog kan hanteren. Daarover valt te discussiëren. Zou het niet kunnen dat niet wij, maar actoren als de Wereldbank, de OESO, of coalities van beleggers en ondernemers het project van de ‘groene economie’ gedelegitimeerd hebben, precies door er zo’n (neo)liberale invulling aan te geven? Natuurlijk zijn ook wij voorstanders van een vergroening van de economie (en nog veel meer van een vermindering van de plaats van de economie in de samenleving), maar dat wil niet zeggen dat we bij het project van de ‘groene economie’ zoals het vandaag (vooral internationaal) vorm krijgt geen heel belangrijke kanttekeningen moeten plaatsen. Lees het vervolg van ons antwoord op: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/12/24/de-mythe-van-de-groene-economie-voorbij-het-zwart-wit-denken

  • door AnneleenKenis op donderdag 27 december 2012

    Met veel van wat Dirk Holemans zegt, zijn we het eens. Een aantal van zijn kritieken zijn terecht, bijvoorbeeld dat het boek een te grote verklaringskracht toekent aan de commons. Daarnaast zijn er een aantal kleinere punten die voer voor toekomstig debat zijn. We willen hier vooral ingaan op zijn belangrijkste kritiek: Dirk schrijft ons een zwart-wit denken toe en een zogenaamde ideologische zuiverheid van waaruit we zowat alles zouden bekritiseren wat de groene beweging tot nu toe heeft gedaan. Bovendien zouden we zulke scherpe conflictstrategie hanteren dat die tot ‘kampisme’ zou leiden (‘wie niet met mij is, is tegen mij’). Die kritieken vinden we heel verrassend. Enerzijds bevat het boek natuurlijk een radicale kritiek op het huidige economische systeem en op een aantal actuele tendensen in de ecologische politiek, het milieubeleid en de groene beweging. Maar anderzijds hebben we tegelijk geprobeerd strategische handvaten te geven die zinvol zijn voor de brede sociale en groene beweging, ook voor die krachten die misschien niet alle aspecten van onze systeemkritiek volgen. Volgens ons ligt het zwart-wit denken eerder bij een specifieke interpretatie of lezing van het boek die niet kan begrijpen dat je enerzijds kritiek op bepaalde keuzes of tendensen kunt hebben, maar daarom mensen of groepen niet in hun geheel als vijanden aan de kant schuift. Het punt is dat juist in dit soort lezingen een "wie niet met mij is, is tegen mij”-discours binnen dreigt te sluipen. Hierbij aansluitend verwijt Dirk ons dat wij de term ‘groene economie’ met ons boek onbruikbaar zouden hebben gemaakt en dat niemand nu die term nog kan hanteren. Daarover valt te discussiëren. Zou het niet kunnen dat niet wij, maar actoren als de Wereldbank, de OESO, of coalities van beleggers en ondernemers het project van de ‘groene economie’ gedelegitimeerd hebben, precies door er zo’n (neo)liberale invulling aan te geven? Natuurlijk zijn ook wij voorstanders van een vergroening van de economie (en nog veel meer van een vermindering van de plaats van de economie in de samenleving), maar dat wil niet zeggen dat we bij het project van de ‘groene economie’ zoals het vandaag (vooral internationaal) vorm krijgt geen heel belangrijke kanttekeningen moeten plaatsen. Lees het vervolg van ons antwoord op: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/12/24/de-mythe-van-de-groene-economie-voorbij-het-zwart-wit-denken

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties