Het intellectuele debat over politisering en het middenveld
Het zijn barre tijden. Laat ons dat luidop en zonder veel bochtenwerk zeggen. De afrit Vlaanderen, als uitrit voor de crisis, is in de realiteit het afwentelen van politieke en economische verantwoordelijkheid voor wie aan de basis lag van deze crisis. De bankencrisis, veroorzaakt door een bewuste lakse politiek van deregulering en de ideologie van vermarkting, heeft de verzorgingsstaat en het hele institutionele complex van publieke dienstverleners uit overheid en middenveld onder druk gezet.
Na de
kaasschaaf komt het slagersmes. Cultuur, sport en jeugdwerk gaan door
rechtstreekse en onrechtstreekse (het verplaatsen van middelen naar
het Gemeentefonds) besparingen zware tijden tegemoet.
Laat ons maar meteen het grote woord ‘neoliberalisering’ lanceren. Die neoliberalisering is al langer dan 2008 in zwang. Rechts-conservatieve politici als Reagan en Thatcher omarmden deze utopie van marktgeleide ontwikkeling met automatische trickle down effecten en braken met hun hervormingen het bestaande sociale contract in hun samenleving af. Sinds midden de jaren 1990, na de val van de muur, was het hek in Europa van de dam. ‘New Labour’ zocht de terugweg naar de macht met de ideologie van de ‘Derde Weg’ gevolgd door de sociaaldemocratie in Duitsland (‘Die Neue Mitte’), Nederland (Poldermodel) en België (actieve welvaartstaat).
Voortaan zou de markt heersen en de overheid moest het ondernemerschap ondersteunen: “the enabling state” heette dat. De staat moest niet langer een hangmat zijn van sociale rechten, maar een trampoline die activeert. Rechten hielden ook plichten in: ‘voor wat hoort wat’. De overheid zou zich terugtrekken op haar kerntaken en de gemeenschap werd gedwongen tot meer verantwoordelijkheid. Sociale voorzieningen werden omgevormd op basis van marktgerichte managementmodellen (zie bijvoorbeeld de privatisering van the National Health Care in het Verenigd Koninkrijk vanaf 1999). De civiele maatschappij zou een rol krijgen in het marktgericht medebeheer van die samenleving.
De trend van medebeheer op basis van marktgerichte modellen met en van de civiele maatschappij zou ergens rond de eeuwwisseling ook hier in Vlaanderen pas echt goed doorbreken. Medebeheer verschoof stap na stap van een dienstverlening georganiseerd langs ideologische breuklijnen – de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen door vakbonden bijvoorbeeld – naar opgelegde marktmodellen. Voortaan zouden ‘corporatisme’ en te autonome of politieke praktijken zich moeten voegen naar de geijkte standaarden van wat ‘professionalisering’ werd genoemd.
Die tendens van instrumentalisering in een marktlogica brengt een reeks moeilijkheden met zich mee. Ongeplande actie en te spontane praktijken passen niet meer in de boordtabellenaanpak. De inhoudelijke fundamenten van sociale praktijken kregen een markt-retorisch kleedje aan: toeleiding naar de arbeidsmarkt, multi-stakeholder-partnerschappen met de private sector en de achterban die klant werd. Niet dat we nostalgisch beweren dat het vroeger allemaal beter was. Maar het keurslijf van de verzuiling, dat ongetwijfeld ook organisatorisch voordelige kanten had qua machtsopbouw en doordruppeleffect van de top naar de basis, is gaandeweg vervangen door tendensen van vermarkting.
Slogans en tendensen
Niettegenstaande deze tendensen van vermarkting ongetwijfeld depolitiserende effecten hebben, leidt dit al (te) vlug tot erg algemene stellingen over ‘hét middenveld’. We geven twee problematische stellingen weer die werden gedropt in bijdrages van cultuurfilosoof Robrecht Vanderbeeken en Bleri Lheshii.
We starten met de tweede. In een bijdrage in de Beursschouwburg tijdens ‘Hart boven Hard’ gooide Lheshi de knuppel in het hoenderhok door zijn teleurstelling te uiten ten aanzien van het middenveld: “Hoe durven we pas in verzet te komen als onze banen in gevaar komen? Waarom zijn we niet in opstand gekomen voor en samen met de mensen die we moeten ondersteunen?” Verandering is nodig “want het huidige middenveld heeft geen fundamenten en ook geen ziel meer. Het heeft haar ziel ingeruild voor het potje subsidies.” De sterke suggestie is hier dat emancipatorisch werken is verzwakt en doelgroepen bijkomstig zijn omdat organisaties in het middenveld de broodheer dienen.
Vanderbeeken gaat meer het intellectueel engagement aan. Hij mikt in zijn bijdrage op de manier waarop partijpolitieke relaties tussen middenveld en partijen net ‘politiseren’ in de richting van het dominante bestel. Al delen we die stelling niet helemaal, en is er een zeker misbegrijpen van onze recente bijdrages in Oikosii en SamPoliii, toch gaan we in op dit punt. Het is niet zozeer énkel de partijpolitieke relaties die een kernprobleem vormen, als wel het gebrek aan ‘autonome’ tussenruimte. Dat laatste is een sociale relatie tussen actoren waarin een bepaalde positie gekozen wordt. We behandelen dit eerst alvorens we systematisch de kritieken in de bijdrages bespreken.
Over prefiguratie en brede horizonten
Waar we het radicaal mee eens zijn, is het laatste stuk waar Vanderbeeken oproept tot “prefiguratie” (praktische voorafbeelding van een hoopvolle toekomst) door een praktijk te ontwikkelen waarvan de horizon breder isiv. Men moet niet zomaar wachten op de grote omwenteling, maar aan de slag gaan in ‘het kleine’, dat concrete praktische hoop geeft en vooruitzicht op beter. Het toont niet alleen aan dat er wel degelijk een alternatief is, maar het prefigureert die mogelijk toekomstige realiteit ook. In tegenstelling tot zijn schijnbare terughoudendheid ten aanzien van anarchisme, is dit net de kern van wat in sociaal-anarchistische praxis aanwezig is. Ook de Italiaanse autonomenbeweging (‘de Operaïsten’) van Negri, Tronti en Virno en consorten in het autonoom marxisme, en de praxis van ‘nieuw links’ in de jaren ’70 (van Lefebvre tot André Gorz) leunden hier dicht tegenaan. Een radicale participatiepraktijk van ‘participatie nemen’ op basis van zelforganisatie stond centraal. Als er ooit een moment was waar autonome ecologische praxis (eerder anarchistisch-libertair) en sociaal-radicale politiek (eerder communistische autonome arbeidersraden) elkaar raakten en bevruchten – veelal in oppositie tot de communistische partijen en orthodoxe/autoritaire doctrines over de Partij en het Leiderschap –, dan was het in dat tijdsgewricht.
Als een middenveld, of beter: de “civiele samenleving”, inderdaad iets kan doen, dan is het zich terug laven aan deze rijke praxis. ‘Laven’, want vroeger is voorbij. Een reeks van nieuwe radicale(re) praktijken – van vormen van peer to peer tot prefiguratieve politieke praktijk van onderuit – tonen dat de kiemen van deze radicale praktijk nog levend zijn. Let wel, zonder een antagonistische verhouding tot het dominante bestel bestaat evenzeer het gevaar dat deze praktijken verzanden in een gedepolitiseerde ‘participatiemaatschappij’. Enkele voorbeelden van stadstuinen en allerhande transitie-initiatieven doen vermoeden dat deze vrees terecht is. Zonder de dominante ‘politieorde’, naar een begrip van Jacques Rancière, open te breken en te ondermijnen, doet men niet aan politiekv. We komen daar zo op terug. Het engagement over het ‘wat’, ‘wie’ en ‘hoe’ van de civiele samenleving, start ook met deze fundamentele herijking van de praxis, en dus volstaat niet het equilibrium van functies en taken zoals Luc Huysevi stelt – en die Thomas Decreus terecht bekritiseert.vii
Terug naar de hoofdlijn van ons verhaal. Willen we spreken over politisering en depolitisering, dan noopt dit ons tot een verhaal dat veel kanten en lagen heeft. Willen we het likes-niveau van het Facebookuniversum overstijgen, dan moeten we stellen dat de weg naar herpolitisering ongetwijfeld baat heeft bij een degelijker analyse. Laat ons meteen opmerken dat het academisch onderzoek ergens midden de jaren ’90 is verzand in praktijkonderzoek naar sociale cohesie. De historische sociologie viel weg, en het politiserende aspect van de civiele samenleving is op de achtergrond geraakt.
Vier discussies over de politisering van het middenveld
We behandelen vier discussiepunten die de revue passeerden: (1) de ideologische depolitisering, (2 de rol van subsidies en middelen, (3) de betekenis van politiseren als ‘gebonden aan partijpolitiek’ versus ‘het verstoren van de bestaande orde’, (4) ‘de bestaande orde’ en de verhouding tot ‘de staat’. We eindigen met een pleidooi om de alledaagse realiteit niet te bekijken als boom, maar ‘ook’ de fijne wortelnetwerken (‘het rizoom’) te zien die de boom stabiliseren en voeden. Publieke intellectuelen hebben woorden die wegen. Het doel moet zijn die wegende woorden af te wegen tegen die rizomatische realiteit.
1. Ideologische infiltratie en doordruppeleffecten
Laat ons beginnen met een anekdote. Aalst, een dinsdagavond na een lezing over superdiversiteit en solidariteit in de stad. Twee dames die werken in de educatieve sector tijdens de terugrit van Aalst naar Gent. Breeduit vertelt één van hen over hoe haar sector en haar praktijk veranderd zijn:
“Alles waar ik in geloofde, waar we voor stonden, dat is weggeëbd. Ik voel alsof ik deel uitmaak van een praktijk waarin ik niet meer geloof. Dat ging traag. Je gaat er beetje bij beetje in mee,…ook al omdat je denkt dat dat goed is,…dat het je mensen gaat vooruithelpen. Maar je eindigt opeens in zo’n keurslijf dat gestuurd wordt van bovenuit. Vreemd, we leven toenemend in superdiverse tijden met stijgende complexiteit in onze deelnemers, maar wat we doen is steeds simplistischer. Onze aanpak is doorspekt van taalideologie, alsof taal echt het voornaamste probleem is. Basiswerk valt weg, en diensten staan veraf van mensen. Misschien moeten we het beste maken van wat we nu hebben. Maar, van ons – binnen het systeem – zal het niet meer komen.”
Dit verhaal over het wegebben van een ooit radicale “basiseducatie” illustreert hoe onmogelijk het is om de externe druk op organisaties en mensen in het middenveld en de interne verschuivingen, die vaak erg gestaag gaan, uit elkaar te trekken. In onze lezingen en discussies geven we bijvoorbeeld aan dat de depolitisering in de relaties tussen organisaties en de markt en de overheid zit. Die relationele nuance spreekt een al te eenzijdige en makkelijke culpabilisering tegen. De toenemende instrumentalisering van organisaties door overheden wordt ook geïnternaliseerd in een opstelling als nuttige uitvoerder en in een toenemende angst om die overheden voor het hoofd te stoten. Betrokkenen benoemen dit vaak als zelfdisciplinering en zelfcensuur.
De vermarkting is niet enkel een externe druk om zich meer als marktspeler in een concurrentiële omgeving op te stellen, maar heeft ook zijn pendant in de interne werking van organisaties die moeten gerund worden als een bedrijf. Een extreme versie hiervan zagen we in de verschuiving van het coöperatief bankmodel van BACOB naar het dominante marktmodel van de speculatieve grootbank van Dexia in de christelijke arbeidersbeweging ACW (nu Beweging.net), met het ARCO-debacle als uitloper. Daarnaast zien we ook hoe sponsoring en crowdfunding vrij kritiekloos worden toegejuicht als een betere en meer ongebonden financiering van organisaties. Sta ons toe om daar enkele pertinente vraagtekens bij te plaatsen.
De depolitisering zit vervat in beide relaties, met overheden en met de markt, en krijgt ook een vertaling in de depolitisering in de derde relatie van organisaties: namelijk die met de bevolking. De oud-linkse blinde vlek in die relatie, waarbij het emancipatorisch potentieel werd miskend in een voorhoededenken met een passieve achterban (“we gaan de troepen mobiliseren”) wordt dan nog problematischer wanneer de achterban louter klant en afnemer van producten wordt. De individualisering van de bevolking die niet meer zou te vatten zijn voor een vorm van collectieve belangenbehartiging wordt door een dergelijke opstelling wel heel makkelijk een self-fulfilling prophecy.
Nochtans bewijzen praktijken in het middenveld dat die ideologische depolitisering geen onvermijdelijk proces is. We denken bijvoorbeeld aan de interimactie van KAJ. Door van onderuit jonge interimwerkers te ondersteunen in een proces van bewustwording, kwam er een collectieve aanklacht van een systeem dat in onze samenleving aanvaard is als deel van ‘de bestaande orde’ en dat minderwaardig werk in een minderwaardig statuut bestendigt. De verhalen en beelden van jonge interimwerkers zorgen ervoor dat ze letterlijk gehoord en gezien worden. Jacques Rancière noemt dit het doorbreken van “le partage du sensible”, het toebedelen van een plaats aan wat en wie kan gehoord of gezien worden.
2. Subsidies en afhankelijkheid
De directe relatie tussen subsidies en het ‘verlies van de zuil’ die Lleshi suggereert, is ons te kort door de bocht. Het verwondert ons intussen niet dat een dergelijk betoog aanslaat. Het resoneert immers in de vaak gehoorde stelling in brede kringen van het middenveld zélf dat politisering een kwestie van autonomie zou zijn. Die redenering klinkt rechtlijnig en logisch. Maar ze klopt niet. We zien organisaties in het middenveld die heel afhankelijk zijn van subsidies en toch een sterk politiserende rol spelen. Denk aan Femma, met de volgehouden actie voor een dertigurenweek als hefboom voor de verdere emancipatie naar gendergelijkheid. Maar vooral omgekeerd: het is niet omdat organisaties minder afhankelijk zijn van subsidies, dat ze politiserend werken. Kijk naar het WWF dat veel eigen middelen heeft, maar ervoor kiest een depolitiserende campagne op te zetten om de Noordpool te redden met Coca Cola. Of Natuurpunt dat veel eigen middelen heeft uit ledenbijdragen, maar in het verleden zonder meer met Electrabel in zee ging, of nu nog steeds met IKEA – niet echt een voorbeeld van duurzaamheid.
De redenering doet trouwens afbreuk aan
de vele kleine gevechten die jeugdwelzijnswerkers, opbouwwerkers, …
voeren om de contouren van de bestaande instituten en regels aan te
klagen en te wijzigen. Denk aan het project ‘Leeggoed’ of andere housing first-projecten waar het opbouwwerk op betrokken is, en leegstand en de
dominantie van privaat eigendomsrecht aanklaagt. Of denk aan het
jeugdwelzijnswerk, van DBroej tot VZW Jong waar een diversiteit aan
jeugdwerkers met verschillende roots blijven opkomen voor de
emancipatie en stijging op de sociale ladder van en met hun ‘gasten’, vaak in
een uiterst moeilijke economische, politieke en sociale context., .
Ondanks hun volledige subsidiëring – het jeugdwerk is
gedecentraliseerd, dus ongeveer alle middelen zijn lokaal verstrekt –
handelen ze ‘ook’ politiek. Of kijken we naar de
sociaal-artistieke praktijk die inbreekt op het dominante denken rond 'kunst' en culturele capaciteiten alsof dat een (midden)klassecompetentie zou zijn. De slogan dat ‘het middenveld zijn
ziel heeft ingeruild voor subsidies’ zet deze professionals, deze
organisaties ten onrechte aan de schandpaal. Het beschuldigt hen ten
onrechte als laf of gemakzuchtig, terwijl het net die professionals
zijn die vaak in de eerste linie staan als hun ‘gasten’ of hoe ze
die ook noemen, aangevallen worden. Natuurlijk zien we dat dit geen
algemeen beeld is, en het kan op veel momenten ook wat politieker,
maar het is onjuist en oneerlijk om een dergelijke veralgemenende
makkelijke kritiek de wereld in te sturen, hoeveel Facebook-likes dit
ook mag opleveren.
Een dergelijke redenering is bovendien strategisch gevaarlijk binnen een groeiende neoliberale hegemonie. Het geeft een vrijbrief aan overheden om subsidies in te korten en organisaties ‘hun vrijheid terug te geven’ en sluit naadloos aan bij een discours dat fel tekeergaat tegen de professionals die alleen bezig zijn met het eigen belang, hun cliënten pamperen en al bij al weinig sociale vooruitgang bewerkstelligen. Hier gaat een radicaal progressieve kritiek hand in hand met een neoliberaal en/of conservatief beleid dat komaf wil maken met de vervelende ‘linkse hobby’s’.
Het lijkt ons daarentegen inhoudelijk juister en strategisch verstandiger om organisaties en overheden te wijzen op de oorspronkelijke betekenis van ‘subsidies’ in onze democratie. Subsidiariteit verwijst immers naar het uitgangspunt dat ‘hogere‘ overheden geen taken opnemen die ‘lagere’ overheden of actoren uit het middenveld verzorgen, maar die taken ondersteunen. Dit zou zorgen voor een meer vitale en rijke democratie waarbij een mogelijke overmacht vanuit overheden wordt getemperd. Die gedachte is schatplichtig aan de sociale leer van de kerk en was zeer invloedrijk in de invulling van de rol van de overheden tegenover middenveldorganisaties. Subsidies betekent dan net niet dat organisaties door subsidies een verlengstuk van de overheden worden. Die oude maar in het middenveld erg levende visie is gaandeweg verdrongen door een New Public Management-benadering waarbij overheden als principals de agents in het middenveld sturen en opvolgen en de inzet van subsidies gekoppeld worden aan monitoring van efficiëntie en effectiviteit.
Op zich is er niet zoveel mis met het verantwoorden van de besteding van overheidsmiddelen natuurlijk, maar indien de bemiddeling tussen organisaties en overheden hiertoe wordt verengd, verdwijnt de politieke waarde van het middenveld in een vitale democratie natuurlijk naar de achtergrond. Helemaal gevaarlijk wordt het als onder het mom van efficiënte en effectieve uitvoering elke vorm van tegenspraak over de politieke finaliteit wordt afgesneden. De door ons beschreven evolutie in de inburgerings- en integratiesectorviii spreekt in dat verband boekdelen. Onder een voortdurend discours van ‘goed bestuur’ en ‘betere besteding van de middelen’ zagen we hier een verschuiving van een potentieel ook kritisch middenveld naar uiteindelijk een extern verzelfstandigd agentschap (EVA) waarbij agency volgzame uitvoering betekent. Hierin schuilt een groot gevaar voor de democratie. In een vitale democratie ondersteunen overheden organisaties in het middenveld, ook en vooral als ze een lastige luis in de pels zijn. Dat lijkt ons de kern van de zaak. In plaats van subsidies als dwangbuis af te wijzen, moeten we ze dus verdedigen in naam van de politieke opdracht van het middenveld in een democratische samenleving.
3. Partij, partijtje, partijdig
Vanderbeeken claimt dat er, in tegenstelling tot de depolitisering, net een ‘politisering’ is van organisaties. What’s in a word natuurlijk. Er is inderdaad een andere betekenis van ‘politisering’, zoals ook in de ‘politisering van de overheidsdiensten’ waarmee verwezen wordt naar de partijpolitieke benoemingen en aanhorigheid. Vanderbeeken gebruikt die term om te wijzen op de partijpolitieke horigheid van bepaalde, historisch zuilgebonden organisaties in het middenveld. Vanderbeeken heeft gelijk om tegengas te geven ten aanzien van het discours over ontzuiling, als zouden deze relaties niet meer functioneren: denk aan de relatie tussen CD&V en Beweging.net die de partij als “preferentiële partner” uitriep of aan Caroline Copers (ABVV) die opriep niet op de PVDA te stemmen, en aan de ABVV-elites die in het partijbestuur van de sp.a zitten.
In ons discours heeft ‘politisering’ echter een andere betekenis, namelijk aan politiek doen vanuit ‘het politieke’ als de kunst van het onmogelijke, het verstoren van de bestaande orde vanuit de hypothese (niet de realiteit) dat we gelijk zijn, in een strijd voor democratisering van de samenleving. Beide invullingen zijn erg verschillend. Daarom kun je inderdaad stellen dat ‘depolitisering’ (in ons discours) gevoed wordt door ‘politisering’ (in de andere betekenis) waarbij organisaties een deel zijn van de bestaande orde. We wijzen er wel op dat veel organisaties in het middenveld op beide polen actief zijn, tegelijk als zakelijke en betrouwbare beheerders (depolitiserend) als in de contestatie als luis in de pels (politiserend). Het voorbeeld van de vakbond die ’s maandags werkloosheidsdossiers indient en op dinsdag gaat betogen tegen de werkloosheidspolitiek spreekt voor zich.
4. Politisering, de bestaande orde en de staat
Wanneer we pleiten voor een invulling van politisering als 'het verstoren van de bestaande orde', dan zou dit volgens Vanderbeeken het risico met zich meebrengen dat we “verzeild geraken in een vaag anarchistisch schema waarbij de bestaande orde al snel ‘de staat’ wordt, waartegen we ons moeten afzetten.”ix
Hier willen we graag op ingaan. Het is namelijk een misverstand dat we al meer opgevangen hebben en het staat haaks op onze visie. Met de bestaande orde verwijzen we immers naar het begrip van de ‘politieorde’ bij de Franse filosoof Rancière: “De essentie van de politie is een manier van de verdeling van wat zichtbaar en hoorbaar is dat geen tekort of overschot erkent. In de opvatting van de politie is de samenleving een totaliteit die bestaat uit groepen die specifieke functies uitvoeren en welbepaalde ruimtes en posities bezetten.”x
Die politieorde valt niet samen met ‘de staat’ maar omvat eigenlijk de hele ordening van een samenleving, waarin alles en iedereen zijn vaste plaats krijgt (of net niet) en waarin die ordening ook als quasi-af en als normaal wordt voorgesteld. Dit is dus ruimer en breder dan de staat als apparaat. Ook allerlei voorzieningen en organisaties maken daar deel van uit: het toegangsbeleid van de universiteit, het toegang krijgen tot publieke ruimtes op basis van sociale achtergrond of klassepositie, het al dan niet noodzakelijk beschikken over papieren om recht te hebben op leren binnen de centra voor basiseducatie,…
In die redenering gaan we dus verder dan de simpele dichotomie tussen staat (als de bestaande orde) en middenveld (dat die orde zou kunnen of moeten verstoren) maar kunnen organisaties ook zelf deel uitmaken van die bestaande orde. Of zoals Vanderbeeken terecht schrijft: "...een aantal organisaties zijn heel goede beheerders geworden van die bestaande (wan)orde."
De radicale eyeopener in het denken van Rancière zit er net in dat middenveldorganisaties zich juist niet kunnen wegstoppen achter die dichotomie maar ook zichzelf moeten bevragen, zeker wanneer groepen burgers kritiek in hun richting formuleren. Zo stond de gevestigde hulpverlening onder druk van activistische jongeren die de paternalistische, ongelijke behandeling van jongeren in de hulpverlening door de concrete praxis van de oprichting van Jongeren Informatie- en Adviescentra (JAC’s).
Verder is het te eenvoudig om ‘de overheid’ en ‘het middenveld’ als een monolitisch blok voor te stellen. Wellicht bezondigen we ons daar zelf ook nog te vaak aan. Maar we willen vooral pleiten voor een genuanceerde analyse van de relaties tussen actoren in het openbaar bestuur (politici, ambtenaren, instellingen) en in het middenveld. Ook in het openbaar bestuur zitten medestanders, bijvoorbeeld in de kritiek op de vermarkting van overheid en middenveld, bijvoorbeeld in de afwijzing van besparingen als macro-economisch goed. Het is dus niet verstandig om geen slimme coalities te sluiten met die actoren bij het uittekenen van een eigen strategie.
Bomen en rizomen
We eindigen met de nuance door te duwen op het vlak van positionaliteit van intellectuelen. Publieke intellectuelen hebben een verantwoordelijkheid. Meer dan anderen weten ze, theoretisch en vaak ook in praktijk, dat de woorden en de dingen samenhangen. Woorden zijn retorische machtsinstrumenten waarmee spreekrecht wordt toegeëigend. Dus: “woorden wegen”. De positie van waaruit je spreekt, geeft gewicht aan die woorden. Wanneer slogans en conclusies in de massamedia terecht komen, dan is het belangrijk zich vooraf bewust te zijn van hun impact. Belangrijk is zowel het moment waarop zaken gezegd worden, als de manier waarop, als de inbedding van die woorden in een analyse die afdoende complex is. De realiteit is een vaak ongrijpbaar ding, letterlijk een rizoom dat vertakt en verworteld is met rollen, posities, context, discours en middelen.
De uitspraak alsof alle middenveldorganisaties gedisciplineerd zijn door subsidies, het leegroven van vetpotten hun doel is, en die middelen vooral dienen om hun voortbestaan te garanderen, geeft gewicht aan het cafédiscours van populisten en de rechterzijde. Mocht je nog twijfels hebben waarom je organisaties vooral géén geld moet geven, dan heb je hier meteen een antwoord gevonden. Beter nog, doe zo’n uitspraak tijdens protesten door een brede coalitie tegen de besparingsregering, en alle aandacht wordt naar de spreker getrokken. Gramsci indachtig lijkt de rol van de (organische) intellectueel net het omkeerde te eisen: dat je de grondstroom tijdens dat moment van protest analyseert en grijpt, om het dan mee te versterken. De wereld bestaat nu eenmaal ook uit een laag van machtsverhoudingen (‘machtsplateaus’ waar de rizomatische vertakkingen samenkomen) die, ondanks de aanwezige complexiteit, in een keurslijf van 'zij' versus 'wij' duwen.
In het aangezicht van de voortschrijdende aanvallen op de civiele samenleving door de nieuwe Vlaamse regering, heeft een deel van het middenveld zijn herdynamisering die het reeds had ingezet (van jeugdwelzijnswerk over Samenlevingsopbouw over Socius en ACW/Beweging.net tot koepels als De Verenigde Verenigingen) verder doorgezet, terwijl anderen wakker worden in “de woestijn van de werkelijkheid” (Zie Zizek, 2002)xi.
In ieder geval, ook die crisis versterkt nu de samenwerking tussen en positionering van organisaties. En het is doorheen die nieuwe connecties en sociale relaties tussen elkaar dat de herpolitisering is ingezet: eerst tussen organisaties onderling, en hopelijk later ook met een zelfkritische blik naar eigen praktijken die vernieuwing nodig hebben – zie ‘prefiguratieve politiek’ – en ten aanzien van de eigen achterban. In plaats van het generieke discours over 'hét middenveld' staat ons doorheen praktijken als “HartBovenHard” een boeiende herpolitisering te wachten. Afwachten wat die eerste stap geeft.
Bronnen
ihttp://www.dewereldmorgen.be/artikel/2014/09/24/hart-boven-hard-en-toch-sta-ik-hier
http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2014/09/18/politiek-ploegen-in-het-middenveld
ii Debruyne Pascal & Van Bouchaute, Bart, (2014). 'De bestaande orde verstoren. Over depolitisering en herpolitisering.' OIKOS 69/2, 2014.
iii Debruyne, Pascal & Van Bouchaute, Bart (2014), 'De politieke rol van het middenveld in barre tijden. Het Vlaamse regeerakkoord ontleed'- See more at: http://www.sampol.be/samenleving-en-politiek/zoeken-in-sampol/1760#sthash.g8aaSuCO.dpufhttp://www.sampol.be/samenleving-en-politiek/zoeken-in-sampol/1760
iv Boggs, Carl. (1977). 'Marxism, Prefigurative Communism, and the Problem of Workers' Control'. Radical America 11 (November), 100; cf. Boggs Jr., Carl. 'Revolutionary Process, Political Strategy, and the Dilemma of Power.' Theory & Society 4, No. 3 (Fall), 359-93.
vDebruyne Pascal & Van Bouchaute, Bart, (2014). 'De bestaande orde verstoren. Over depolitisering en herpolitisering.' OIKOS 69/2, 2014.
vi Huyse, Luc (2014). De democratie voorbij. Van Halewyck.
vii http://www.dereactor.org/home/detail/gebrek_aan_politieke_verbeeldingskracht/
viiiGroffy Luk & Debruyne Pascal (2014). 'Integratie is dood. Leve de integratie. Van integratiepioniers tot migratiecontrole.' Oikos 69/2.
ix Vanderbeeken, Robrecht (2014). 'Politieke ploegen in het middenveld' http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2014/09/18/politiek-ploegen-in-het-middenveld
x Debruyne Pascal & Van Bouchaute, Bart, (2014). 'De bestaande orde verstoren. Over depolitisering en herpolitisering'. OIKOS 69/2, 2014.
xihttp://rebels-library.org/files/zizek_welcome.pdf Slavoj
Žižek. Welcome
to the Desert of the Real,
London and New York: Verso, October 2002.