about
Toon menu
Boekrecensie

Kan Kate Raworth het ecologisme reanimeren?

In ecologische middens gaat een boek over de tong: Doughnut Economics, van Kate Raworth.[1] Op het achterplat van het boek staat waar de auteur voor gaat: ze wil afrekenen met de traditionele, academische economie en een nieuw economisch model aanreiken dat de mensheid naar een duurzame en sociale samenleving moet leiden. George Monbiot, onderzoeksjournalist van The Guardian, noemt het boek “briljant, opwindend en revolutionair”.
dinsdag 3 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

George Monbiot vergelijkt Doughnut Economics met het werk van John Maynard Keynes, de meest gerespecteerde traditionele econoom van de 20ste eeuw. Kate Raworth werkte ooit als VN-expert aan het Human Development Report, was 10 jaar actief in Afrika en Azië voor rekening van Oxfam, en is vandaag werkzaam aan de universiteit van Oxford. Een academica met beide voeten in het alternatieve én officiële ontwikkelingswerk. Op Ecopolis, het boekenfestival van de traditionele groene beweging, is de auteur de keynote speaker, zoals dat tegenwoordig heet. Maakt het boek de torenhoge ambities waar? Of is het de zoveelste mislukte poging om een roadmap voor een duurzame economische transitie uit te werken zonder aan de pijlers van het kapitalisme te raken?

Donut

Kate Raworth stelt in Doughnut Economics dat bedrijven ‘nood hebben aan een doelstelling die veel inspirerender is dan het louter maximaliseren van aandeelhouderskapitaal’ (p. 89). De economie moet de vorm krijgen van een donut, dat rond gebakje met een gat in het midden. We mogen niet te weinig produceren, want dan is er een tekort aan voedsel, woningen, comfort en gezondheidszorg en belanden we in het gat in het midden; maar ook niet te veel, want dan gaan we door het ecologische dak van de planeet en belanden we buiten de donut. Met die metafoor confronteert Raworth de lezer met de irrationele, onmenselijke kanten van het vigerend economisch stelsel. Het laatkapitalisme ontwikkelt zich zowel in het gat van de donut als erbuiten: het eet de aardse reserves in sneltreinvaart op, maar slaagt er desondanks niet in om armoede, honger en gemakkelijk geneesbare ziekten uit te roeien. En dan zwijgen we nog over de onderontwikkeling en overheersing van het Zuiden, waarmee een gigantische transfer van biomassa naar het Noorden wordt gewaarborgd.

Doughnut Economics plaatst ook vraagtekens bij de doorgaans onuitgesproken aanname van politici, bedrijfsleiders en vrijwel alle groene partijen dat de reductie van broeikasgasuitstoot nodig om de planeet van een voorthollende klimaatverandering te redden mogelijk is met een combinatie van cleantech, de interneteconomie en pogingen om afvalvrij te produceren. De opvatting dat economische groei niet langer houdbaar is, is erg ongemakkelijk, zegt Raworth, maar dat is wel de conclusie van wie de moed opbrengt om “de Medusa” in de ogen te kijken. (p. 266) De economie is een vliegtuig dat moet landen, zo besluit ze met een andere metafoor. Het zijn prima stellingen, en een goed vertrekpunt voor een diagnose en een remedie voor de grote maatschappelijke problemen van deze tijd.

Raworth gaat nog een stap verder, en schetst de contouren van een duurzame economie: “Om er te geraken zijn veel sectorale transformaties nodig, met inbegrip van een grote krimp van industriële sectoren zoals mijnbouw, olie en gas, industriële veeteelt, afvalopslag, speculatieve transacties, tezamen met de expansie van langetermijninvesteringen in hernieuwbare energie, openbaar vervoer, commons-based circulair produceren en de renovatie van gebouwen. Het vereist investeren in de natuurlijke, menselijke, sociale, culturele en fysieke bronnen van welvaart waar alles van waarde, in geld uitgedrukt of niet, van afhangt. En met het oog op onze behoeftenvoorziening zorgt het voor mogelijkheden om de evenwichten tussen de markt, de staat en de commons te herbepalen.” (p. 267) Wat Raworth hier neerzet is een transitieproject dat de behoeften van mensheid en planeet, en niet winstzucht, centraal stelt. Degrowth van vervuilende sectoren en growth van koolstofarme, duurzame sectoren en diensten is de kern van haar “donuteconomie”.

Een behoefte-economie

We slaan even Doughnut Economics dicht en vragen ons af wat er nodig is om zo’n behoefte-economie in de steigers te zetten. Dat vereist een dynamische overheid die met streng wetgevend werk vervuilende activiteiten afbouwt en inzet op koolstofarme openbare diensten. Een overheid die nutsbedrijven en sleutelsectoren zoals de energiebedrijven, de financiële sector en geprivatiseerde openbare diensten in handen neemt. Een overheid die zorgt voor goedkoop geïntegreerd openbaar vervoer, dat voorgaat op privévervoer. Een overheid die werkt met een marshallplan om achtergestelde wijken te renoveren en energiezuinig te maken. Een overheid die gaat voor preferentiële steun aan een korteketenlandbouw. Voor stadsplanning die mikt op een hoge woondensiteit en op het samenbrengen van essentiële diensten zoals crèches, scholen, ouderentehuizen en gezondheidszorg langs openbaartransportroutes. Voor een verbod op reclame voor kinderen en voor producten als vlees, tabak, auto’s en reizen. Voor massale steun voor een korteketenlandbouw en coöperaties. Voor de uitbreiding van de waarborg van twee jaar op consumptiegoederen – vandaag opgenomen in het Europees recht – tot tien jaar, wat fabrikanten zal verplichten om de ingebouwde veroudering van producten terug te schroeven.

Onbetaalbaar? Het geld is er. Middelen die nu gaan naar subsidies voor fossiele energie, de wapenindustrie en aandeelhouders in het algemeen. Enkele fiscale maatregelen dringen zich onverwijld op. Een taks op het verhandelen van beursproducten en op het vermogen van de 1 procent rijksten. Snoeien in de fiscale aftrekken voor bedrijven, die zorgen voor een legale belastingontwijking waardoor de staatskas vele miljarden misloopt. Een voorbeeldje: IKEA boekte in 2015 in ons land een winst van bijna 504,5 miljoen euro, maar dankzij de aftrekken betaalde het amper 2,1 procent vennootschapsbelasting. Als het bedrijf tegen het normale tarief van 33,99 procent zou zijn belast, zou de overheid 171,5 miljoen euro hebben geïnd – genoeg voor de bouw van meer dan 1200 goed geïsoleerde sociale woningen.

En dan is er nog de aanpak van de fiscale fraude, in België alleen al 30 miljard euro per jaar. Die grootschalige diefstal wordt ongemoeid gelaten. De schijn wordt zelfs niet hooggehouden: het staatssecretariaat voor fraudebestrijding is gewoon afgeschaft. Michel Claise, onderzoeksrechter gespecialiseerd in financiële criminaliteit, is woedend:

“De onrechtvaardigheid is zo groot, ik wil de mensen wakker schudden. Wat moet je doen om in België geen belastingen te betalen? Dat is simpel: je moet gewoon heel rijk worden. (…) Als men de financiële criminaliteit echt zou aanpakken (…) zouden we niet verder roofbouw hoeven te plegen op democratische pijlers zoals de cultuur, het onderwijs, de gezondheidszorg en justitie.”[1] 

Een ingezakte soufflé

Terug naar Doughnut Economics. Trekt Kate Raworth praktische conclusies uit haar pleidooi voor een behoefte-economie? In haar boek van 372 bladzijden heeft ze geen woord veil voor wat nodig is om zo’n begeesterend transitie te schragen: een brede volksbeweging die er haar schouders onder zet. Raworth mikt daarentegen op heil van… inventieve economen om ons op weg te zetten. We weten (nog) niet hoe van groeidwang en winstmaximalisatie af te geraken, schrijft ze, want “economen zijn niet gevormd en hebben geen ervaring opgedaan om het vliegtuig te laten landen [= de economische groeimotor stil te leggen] en een economie te creëren die bloeit, of die nu groeit of niet. (…) Er zijn geen gemakkelijke antwoorden. Omdat het probleem zo lang woekert, zal het enkele decennia van experimenten en ervaringen vereisen om met slimme oplossingen te kunnen komen.” (pp. 270, 272) Als een soufflé zakt zo haar toekomstschets in, onder de koude windvlaag van de hoop dat een briljante geest de mensheid van klimaatchaos, armoede, ongelijkheid en de exploitatie van het Zuiden zal redden.

Kate Raworth plaatst zich zo in de traditie van een lange rij traditionele ecologisten zoals Tim Jackson, Herman Daly, Dirk Barrez, John Restakis, Peter Tom Jones en Dirk Holemans. Ze hopen op een vrijwel automatische, pijnloze geboorte van een nieuwe samenleving uit de puinen van de oude. Raworth zegt het zo, met een geleend citaat: “Je verandert nooit de gang van zaken door de realiteit te bevechten. Om iets te veranderen, bouw een nieuw model dat het bestaande model verouderd maakt.” (p. 4) Ze ageren alsof het kapitalisme niet bestaat, vanzelf zal verdampen, onder invloed van acties in de marge van de samenleving. Ze kijken op zo’n manier naar de economie dat een structurele remediëring achter de horizon verdwijnt. Ze gebruiken vage, impressionistische noties, zoals de “doorholeconomie”, de “graai-economie”, “ecologische gulzigheid” of het verlangen naar “Keeping up with the Joneses” – waar we ons van moeten afkeren.

Tim Jackson en co gaan de cruciale vragen over macht uit de weg. Begrippen als accumulatie- en winstlogica, concurrentie, kartelvorming, oligopolies, monopolies, lobby’s, kapitaalvlucht, speculatie, hefboomfondsen, belastingparadijzen: ze komen zelden of nooit voor in hun analyses. Uit hun teksten zijn the powers that be weggefilterd. Zeldzaam zijn verwijzingen naar de klasse van kapitaalbezitters, laat staan dat mainstream ecologisten haar hegemonie over de samenleving en de wereldeconomie analyseren. Ze zijn systeemblind. Zolang ze weigeren om die machtscentra en machtsmechanismen in de analyse te betrekken, en wegkijken van kapitaalconcentratie, monopolievorming, ongelijke ruil en imperialisme, het financieel-industrieel complex, enzovoorts… zullen ze geen hefbomen vinden om een transitie naar een duurzame samenleving te realiseren. Ze komen dan niet verder dan goedbedoelde morele oproepen om “van houding” te veranderen, genre “anders te gaan leven”, om te “consuminderen” of om een repaircafé op te zetten. 

Gerommel in de marge

Zolang ecologisten denken dat “opvattingen” en “houdingen” het kapitalisme draaiend houden, en weigeren om de vinger te leggen op de ingebouwde accumulatiedwang die CEO’s geen keuze laat dan te accumuleren, op straffe van ontslag of bankroet, blijft het bij gerommel in de marge. De bladzijden waarop Raworth vertelt hoe ze nu al 5 jaar lang CEO’s probeert ervan te overtuigen om duurzaam te produceren zijn pijnlijk. Ze kan geen enkel grootbedrijf noemen dat ondubbelzinnig voor 100 procent duurzame productie gaat en daarvoor bereid is winst op te offeren; alleen maatregelen die winst opleveren zijn acceptabel. (pp. 215 ev.) Raworths oproep aan CEO’s om “de natuur als model, maatstaf en mentor” te nemen valt op een koude steen. Logisch: we weten toch dat bedrijven er zijn om geld te verdienen en niet om de wereld te redden, zoals de neoliberale topeconoom Milton Friedman ooit zonder omwegen schreef?

In De Standaard confronteert de journalist haar met die realiteit: “De meeste bedrijven zullen niet vrijwillig duurzaamheid nastreven, als dat ten koste gaat van hun winst.” Raworth protesteert: “Daar ben ik het niet mee eens. De ondernemers en uitvinders die ik ontmoet, hebben twinkelingen in hun ogen. Ze zijn niet gedreven door een financiële return, maar door het oplossen van problemen of door het veranderen van de wereld.”[2] Ondernemers zijn niet gedreven door een financiële return… hoe wereldvreemd kan je zijn? Moraliserende oproepen en basiswerk is wat er dan nog rest. Coöperaties, voedselteams, deelprojecten zijn prima, maar als die lokale inzet van vele duizenden activisten geen politiek verlengstuk krijgt, zijn het doodlopende straatjes voor de aanpak van de grote maatschappelijke problemen van deze tijd. Wezenlijke verandering staat of valt met progressieve regeringen die steunen op een zelfbewuste, gemobiliseerde bevolking en die op ramkoers gaan met de industriële mastodonten en de haute finance - een gemakkelijke shortcut is er niet.

Twijfels

Af en toe klinken bij ecologisten twijfels door. Tim Jackson erkent in zijn Welvaart zonder groei (2010) dat “ecologische ondernemingen” niet voor een omslag kunnen zorgen: “Binnen het grotere geheel tellen deze activiteiten – laten we ze ecologische ondernemingen noemen – nauwelijks mee. Ze vertegenwoordigen een soort assepoestereconomie die verwaarloosd in een hoekje zit van de consumptiemaatschappij (…) het idee dat ze in staat zou zijn (of zou moeten zijn) om een altijd groeiende economische productie op te leveren, snijdt geen hout.” Wat staat er dan wel te gebeuren? Zoals Raworth schuift Jackson de hete aardappel door naar academici: “Het uitwerken van een economie die de toekomst aankan, is iets voor slimme, jonge economen.” (pp. 136, 176) Dat schrijft Jackson, bijna 20 jaar nadat hij begon na te denken over de weg naar een duurzame samenleving!

Drie jaar na de publicatie van zijn boek Coöperaties. Hoe heroveren we de economie? (2014) lijkt ook Dirk Barrez (Pala) ontnuchterd: “Alle voedselteams samen maken geen andere landbouw- en voedseleconomie, alle wereldwinkels samen geen systemische eerlijke handel, alle repaircafés samen geen circulaire economie. Daarmee is in geen geval gezegd dat voedselteams, wereldwinkels of repaircafés geen waarde en geen nut zouden hebben, wel dat ze geen transitievermogen hebben zoals ze nu functioneren.” Ook Barrez verwacht soelaas van economen: “Na tientallen jaren is het economische verhaal van transitiewetenschappers nog steeds héél onaf en blijven ze ons de antwoorden op vele vragen schuldig. (…) Hoe landen we uiteindelijk zonder zware ongelukken (…) in een stationaire economie? Transitiewetenschappers moeten ons een geloofwaardig antwoord verschaffen op die vraag.”[3] 

Renteloos krediet als panacee? 

Barrez herinnert aan het standpunt van transitie-economen dat de heffing van rente op geleend kapitaal bedrijven dwingt om te groeien. Volgens hen zouden bedrijven niet langer gedwongen zijn te groeien als ze niet langer rente op hun leningen moeten betalen. De financiële sector met rentevrij geld laten werken: het is een van de recepten waarmee traditioneel-groene denkers zoals Barrez economische groei hopen af te remmen of te stoppen.[4] Ook Kate Raworth pakt met het recept van renteloos krediet uit. Ze ziet er de kiemen van een nieuw “financieel ecosysteem” in. Nochtans zijn de mogelijkheden ervan, zo lezen we in Doughnut Economics, eerder beperkt. Een overheidsbank kan met renteloze leningen langetermijninvesteringen in sociaalecologische projecten financieren, maar dat zal de groei-economie zelf niet aan banden leggen. Raworth breekt ook een lans voor lokale munten, die in principe rentevrij ‘geld’ zijn. Ze denkt dan bijvoorbeeld aan de zorguren die mantelzorgers in het Zwitserse Sankt Gallen bij ouden van dagen kunnen ‘verdienen’. Later, wanneer die mantelzorgers zelf zorgbehoevend worden, kunnen ze dat zorgkrediet dan omzetten in thuishulp. Lokale munten injecteren sociale stabiliteit in lokale gemeenschappen, maar Raworth erkent ook dat ze onvermijdelijk complementair aan de nationale munten zijn, en die laatste niet zullen vervangen.

In een markteconomie is een renteloos financieel stelsel onmogelijk – tenzij de hele financiële sector wordt genaast en uit de markt wordt gelicht, want banken die geen winst maken en met andere banken moeten concurreren worden uit de markt geprijsd. Maar zelfs een genaaste financiële sector die bij wet wordt verplicht renteloos krediet te verschaffen, zal niet voor een stationaire economie zorgen. Het klopt gewoon niet dat het geldsysteem de economie dwingt om te groeien. Het is omgekeerd: de groeidwang in de reële economie dwingt het financiële systeem ‘te volgen’. Onder druk van de concurrentie zijn bedrijven onderworpen aan de accumulatiedwang. Wie niet accumuleert, kan niet voor productiviteitswinsten zorgen en wordt uiteindelijk uit de markt geprijsd. Bedrijven blijven dus mikken op groei, ze hebben geen keuze, en het doet er niet toe of ze voor geleend kapitaal nu 5, 3, 1 of 0,1 procent moeten betalen. De financiële sector moet die groeilogica volgen. Als financiers hun kapitaal in de financiële sector injecteren doen ze dat omdat ze denken dat daar meer winst te halen valt dan in de materiële productie. Als een financiële instelling geen interesten meer zou aanrekenen, dan verplaatsen investeerders hun kapitaal om dezelfde winstredenen van de financiële sector naar het grootbedrijf.

Een heilloos horizontalisme 

Het ecologisme hangt in de touwen. Vier decennia van campagnes om te consuminderen of anders te consumeren, marktconforme heffingen op vervuilende activiteiten en producten, en dagdromen over CEO’s die duurzaamheid boven winst prefereren verhinderen niet dat het roofzuchtige kapitalisme de planeet verwoest. Getuige het meest urgente probleem: de vervuiling van de atmosfeer met broeikasgassen, die de mensheid op weg zet naar een voorthollende, oncontroleerbare klimaatverandering. Inzetten op coöperaties en de deeleconomie zijn de jongste recepten van een ideologie die de centrale machtsstructuren onaangetast laat. Lokale initiatieven zijn prima, maar moeten een opstapje zijn naar een globaal-maatschappelijke aanpak. Men bestrijdt het kapitalisme en zijn gevolgen immers niet door het te imiteren met lilliputterige bedrijfjes. Srecko Horvat heeft het treffend over een ‘heilloos horizontalisme’, dat de grote financieel-economische groepen vrij spel geeft om de staat en internationale organisaties te koloniseren en hen in te zetten om hun dominantie te continueren.

De ideologische bloedarmoede spoort met de politieke praktijk. De politieke partijen die zich op het traditionele ecologisme beroepen zijn ingekapseld in het bestel. In het beste geval gaan ze voor steun aan de niche van het groene kapitalisme. Zonder programmatorische en ideologische ruggengraat leidt elke deelname aan het beleid een stap verder naar de onderwerping aan de neoliberale pensée unique. In mijn boek zoom ik in op de catastrofale regeringsdeelname van Agalev/Groen aan de regering-Verhofstadt I (1999-2003) – hoe de partij de speelbal werd van technocraten in de kabinetten, machtspolitici als Johan Vande Lanotte en een ideologisch offensief van de burgerlijke politici en pers tegen de ‘regelneven’. Is het verwonderlijk dat ondanks aandringen de partij me geen balans van die regeringsdeelname kon of wou bezorgen? 

Bij de Duitse Grünen, die op een veel langere bestuurservaring kunnen bogen, is die inkapseling het best zichtbaar. Toppolitici van de partij recycleren zich na hun politieke carrière complexloos tot pr-figuren van de industrie. Zodra ze zich niet langer aan morele standaarden moeten houden, helpen ze zelfs grote vervuilers greenwashen. Joschka Fischers Consultancybureau werkt voor BMW, Siemens, de supermarktketen REWE en het consortium Nabucco, dat met een pijpleiding de gasbekkens aan de Kaspische Zee met West-Europa wil verbinden. Ook andere oud-politici van Die Grünen gooien zich met enthousiasme op lucratief werk voor de tegenstanders van weleer, zelfs voor bedrijven uit de gok-, tabaks-, farmaceutische en nucleaire industrie.[5]

Een gat in de redenering

De aanhef van Doughnut Economics is een devies dat de lezer op de weg naar de conclusies moet zetten: ‘Het belangrijkste instrument van de economie is niet geld, en evenmin algebra. Het is een potlood. Want met een potlood kan je de wereld hertekenen.’ Op papier oogt de metafoor van de donut aardig. Op papier toch, want de realiteit is weerbarstig. Uiteindelijk lijdt Doughnut Economics aan een zwakte waar ook de traditionele burgerlijke economie aan lijdt. In die academische discipline komt de biofysische werkelijkheid maar aan bod in de mate dat die relevant is om kapitaal te accumuleren. Zo is in de neoklassieke economie de roofbouw op de planeet volkomen irrelevant, want bedrijven “externaliseren” die sociale kosten. Raworths donuteconomie is al even abstract. Het ontgaat haar dat economie steeds politieke economie is: een geheel van productiekrachten en productieverhoudingen die vormgeven aan sociale groepen en klassen. Die groepen en klassen ‘dragen’ of veruitwendigen de economie, maar bezitten tezelfdertijd het potentieel om die te hervormen of te overstijgen.

Blind voor die sociale realiteit komt ze niet verder dan een zwaktebod: ‘slimme’ economen zullen ons een nieuw model moeten uittekenen, opgehangen aan het beeld van de donut. Het geloof dat zo’n visuele framing een hefboom wordt voor “een nieuw economisch verhaal” dat ook het stadium van het papier kan overstijgen is absurd. Richard Toye besluit in The Guardian zijn recensie van haar boek zo: “hoewel taal belangrijk is, bestaat het risico dat het overschatten van zijn macht ertoe leidt dat men bepaalde fundamentele economische belangen en doelstellingen uit het oog verliest. ‘Wijzig één woord en je kunt subtiel maar fundamenteel houdingen en gedrag wijzigen’, zo vertelt Raworth. Misschien, maar is dat nieuwe woord ‘donut’? Er zou een gat in de redenering kunnen zitten.”[6]

(*) Ludo De Witte schreef Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op. Het kapitalisme versus de aarde, EPO, Berchem, 2017.


[1] “De cultus van de winstmaximalisatie ontwricht de maatschappelijke

Verhoudingen”, 23 november 2016, www.foundationpv.be.

[2] “Om de planeet te redden, moet iedereen de donut in”, De Standaard 30/9/2017.

[3] “Hoe van klein verzet naar groot verzet van duurzame economie?”, 12/11/2016, www.globalsociety.be.

[4] D. Barrez, “Herexamen voor transitiewetenschappers”, 26 juni 2017, www.pala.be.

[5] Zie bvb. O. Cyran, ‘M. Joschka Fischer et les “golden Grünen”’, Le Monde Diplomatique, augustus 2011, of O. Cyran, ‘Dans le laboratoire de l’écolo-bourgeoisie. Enquête chez les Verts allemands’, Ibidem.

[6] “Doughnut Economics by Kate Raworth review – forget growth, think survival”, The Guardian, 8/6/2017.

[1] Kate Raworth, Doughnut Economics, Penguin/Random House, London, 2017.