about
Toon menu
Opinie

Quo vadis na 54 jaar, erkenningscommissie beroepsjournalist?

Na twee jaar dralen heeft de erkenningscommissie besloten om de titel van beroepsjournalist voor één van onze redactieleden te weigeren. Voor de redactie is dit een opdoffer. Het doet ook vragen rijzen bij bestaan en werking van deze commissie. Journalistiek is in 54 jaar fundamenteel veranderd. De commissie loopt op die evolutie volledig achter.
vrijdag 8 september 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Hoe werkt de erkenningscommissie voor beroepsjournalisten?

De Commissie van eerste aanleg voor de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist (de 'erkenningscommissie') werd in 1966 opgericht op basis van de bepalingen in de Wet betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist van 30 december 1963.

Deze wet legt een aantal voorwaarden op om erkend te worden als beroepsjournalist, één daarvan is dat de aanvrager journalistiek als hoofdberoep moet hebben. De erkenningscommissie beoordeelt of een aanvrager van het statuut aan deze voorwaarden voldoet en heeft daarvoor een zekere interpretatieve ruimte. De wettelijke bepalingen zijn immers niet zo sluitend dat een puur administratieve erkenning mogelijk zou zijn. De erkenningscommissie oordeelt met andere woorden aanvraag per aanvraag. De titel zelf wordt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken toegekend op basis van het advies van de erkenningscommissie.

Het beroep van journalist is daarmee niet echt beschermd, ieder persoon die dat wil kan zich nog steeds 'journalist' nemen. De erkenning als 'beroepsjournalist' geeft een journalist echter een aantal belangrijke rechten en beschermingen, die niet als 'beroepsjournalist' erkende journalisten niet hebben. Een beroepsjournalist krijgt een door het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitgereikte perskaart (die vijf jaar geldig is). Die verzekert toegang tot persconferenties van bedrijven, overheden en Europese instellingen. Die laten immers enkel journalisten toe met deze officiële perskaart. Erkende beroepsjournalisten kunnen tevens een accreditatie krijgen die hen toelaat in het buitenland journalistieke opdrachten te vervullen.

Deze erkenning beschermt journalisten bovendien tijdens betogingen en manifestaties. Erkende beroepsjournalisten mogen zich tevens beroepen op de bescherming van hun bronnen bij ondervragingen door de politie. Verder hebben erkende beroepsjournalisten toegang tot een extra-legaal pensioen en tot juridisch, sociaal en deontologisch advies krijgen bij de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) en de federale Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB).

De erkenningscommissie heeft acht leden (en acht plaatsvervangende leden), vier door de VVJ/AVBB aangeduid en vier door de Belgische Vereniging van Dagbladuitgevers. Er is ook een aparte beroepscommissie waar personen wiens erkenning als beroepsjournalist niet werd toegestaan een tweede beoordeling kunnen aanvragen. Deze beroepscommissie heeft vier leden, twee namens de AVBB en twee namens de Dagbladuitgevers. Deze beroepscommissie wordt geleid door een zetelend of voormalig magistraat.

Waarom wordt een redactielid van DWM niet erkend?

De beroepscommissie heeft besloten de aanvraag van onze collega niet toe te staan, achttien maanden na de negatieve beslissing van de erkenningscommissie. Zij argumenteert dat betrokkene niet zou kunnen aantonen dat journalistiek zijn 'hoofdberoep' is. Betrokkene heeft als 60-plusser gekozen voor een 2/5 deeltijds arbeidscontract. Zijn bijdrage aan de nieuwssite is zijn enige betaalde professionele activiteit. Het is dus zijn enige 'beroep'. Voor zijn negatief oordeel gebruikte de beroepscommissie dezelfde limitatieve interpretatie van 'hoofdberoep' als de erkenningscommissie.

Tegen dit oordeel zouden wij kunnen procederen bij de Raad van State om uitsluitsel te verkrijgen over de correcte juridische interpretatie van de term 'hoofdberoep'. Deze procedure kan echter jaren aanslepen, is niet opschortend voor de beslissing van de erkenningscommissie en is vooral duur, iets waar DeWereldMorgen.be de middelen niet voor heeft.

Als media veranderen, waarom de erkenningscommissie dan niet?

Deze beslissing is voor de redactie aanleiding voor een reflectie over bestaan en werking van deze erkenningscommissie en over de wet waarop ze gebaseerd is. De Wet van 30 december 1963 werd door het parlement goedgekeurd toen de media nog een zaak was van kranten, weekbladen en radio. Overheidszender BRT (VRT) bestond tien jaar, commerciële tv-zenders waren science-fiction. Visuele media waren nog lang niet de dominante media die ze vandaag zijn.

Het voorbijgestreefde karakter van deze wet blijkt ook uit de samenstelling van de erkenningscommissie. De helft van de leden wordt aangeduid door de Belgische Vereniging van Dagbladuitgevers. Daar zitten nu ook commerciële mediabedrijven bij, ook bedrijven die geen 'dagblad' uitgeven.

Wie daarentegen niet in deze organen zetelen zijn de vakbonden. Media-initiatieven die uitsluitend op internet werken zijn er evenmin in vertegenwoordigd. Het minste dat dus kan worden gesteld is dat de samenstelling van de erkenningscommissie niet aangepast is aan het fundamenteel veranderde medialandschap van de voorbije 54 jaar.

In 1963 waren vaste voltijdse arbeidscontracten de enige norm. Het waren bijna uitsluitend mannen, wat vandaag nog zeer concreet wordt bevestigd door de exclusief mannelijke samenstelling van zowel erkenningscommissie als beroepscommissie1. Free lance werk was in 1963 onbekend. De werkomstandigheden van journalisten zijn sindsdien – zoals voor het grootste deel van de werkende bevolking – fundamenteel veranderd en zeker niet verbeterd.

Bovendien zijn de media gecommercialiseerd in een mate die in 1963 nog compleet onvoorspelbaar was. Kranten waren toen nog verbonden met politieke stromingen en waren de overheersende vorm van informatieverspreiding. Sindsdien heeft televisie die plaats overgenomen en werden de nog overblijvende kranten commerciële bedrijven. Freelance werk was pure science fiction.

In meer recente tijden wordt de dominantie van de visuele media uitgedaagd door het internet en wat men de 'sociale media' noemt. Voor het fenomeen van burgerjournalistiek biedt deze erkenningscommissie en de wet van 1963 geen enkel antwoord.

Is de commissie nog aangepast aan de hedendaagse arbeidsrealiteit van journalisten?

Vandaag is het beroep van journalist niet langer een garantie voor een lange, stabiele loopbaan. Kiezen voor journalistiek is nu meestal kiezen voor een onzekere start van een laag betaalde baan en voor ronduit slechte werkomstandigheden, onregelmatige werkuren zonder enige compensatie, een steeds meer toenemende werkdruk om kopij te leveren, geen tijd voor degelijk onderzoek, laat staan context en duiding.

De manier waarop de titel van beroepsjournalist wordt toegekend is niet meer afgestemd op het huidige medialandschap. De erkenningscommissie houdt ook geen rekening met moderne vormen van tewerkstelling. Meer en mensen kiezen nochtans voor deeltijds werken, tijdelijk wegens bijvoorbeeld gezinsomstandigheden of permanent. Daarenboven, in tijden waarin van mensen wordt gevraagd om langer te blijven werken, weigert deze commissie de erkenning van een 60-plusser die bereid is deeltijds langer te blijven werken. Dat is niet aanvaardbaar volgens de commissie.

In tegenstelling hiermee staat de erkenningscommissie wel een verdere erkenning toe voor gepensioneerde journalisten als ze aantonen nog een minimale betaalde journalistieke activiteit te hebben. Deze erkenningscommissie werkt ten slotte niet transparant, zoals uit hun summiere jaarverslagen blijkt.

De wet waarop de erkenningscommissie is gebaseerd is 54 jaar oud en hopeloos onaangepast. Kortom, het wordt dringend tijd voor een grondige hervorming van zowel het statuut van beroepsjournalist als van de erkenningscommissie die deze titel toestaat.

1   Er zetelt één vrouw als plaatsvervangend lid in de erkenningscommissie. De beroepscommissie is 100 procent mannelijk.