about
Toon menu
Opinie

Rector Torfs' drogredeneringen over Law Train

Cultuurfilosoof Lieven De Cauter fileert de argumentatie van KU Leuven rector Rik Torfs over de Law Train-controverse, een onderzoeksproject waarbij zijn universiteit en het Belgische ministerie van justitie met de Israëlische politie samenwerken ...
zaterdag 18 februari 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Er is veel te doen dezer dagen over Law Train, het onderzoeksproject in samenwerking met de Israëlische politie, waarbij de KU Leuven en de Belgische staat (met name de Federale Overheidsdienst Justitie) betrokken zijn.

De argumentatie van KU Leuven rector Rik Torfs is vanaf het begin van de Law Train-controverse steeds dezelfde. Het begon met zijn repliek op de open brief van 34 Leuvense academici in september 2016 tot de heropflakkering van de discussie met het opiniestuk in De Standaard van Eva Brems en de discussie in het VRT-programma De Afspraak een paar dagen terug.

Torfs argumenten zijn als volgt samen te vatten: ten eerste, de verscheiden ethische commissies, die van de EU, die van de KU Leuven, en de commissie die zich buigt over dubbel gebruik van onderzoeksresultaten (dual use: burgerlijk en militair) hebben hun werk gedaan, dus moet ik dat als rector respecteren; ten tweede, de onderzoekscel van professor Vervaeke van het Instituut Criminologie (die concreet aan het onderzoek Law Train meewerkt) heeft de academische vrijheid die ik als rector moet respecteren en beschermen.

Beide argumenten lijken op het eerste zicht heel solide, maar blijken bij nader toezien verre van waterdicht. Het legalistische argument van de rector dat de Europese Commissie en de ethische commissies van de KU Leuven zich met de zaak bezighielden en dus alles in orde is, houdt juridisch geen steek. Het gaat om een andere vraag, of, zo men wil, om een andere misdaad.

De vraag is niet en nooit geweest: "Is dit onderzoek op zich ethisch verantwoord?". De vraag is daarentegen: "Is het verantwoord om samen te werken met een staat en een instantie die systematisch misdaden pleegt tegen mensenrechten en tegen het internationaal oorlogsrecht als bezetter?".

Laat ik dat illustreren aan de hand van een eenvoudig voorbeeld. Stel, rechtbanken hebben tot drie keer toe vastgesteld dat een moordenaar geen verkeersinbreuken of belastingfraude heeft gepleegd. Maar moord? Euh, die vraag hebben de rechtbanken niet gesteld, maar we moeten de rechtbanken toch respecteren, dus er is niets aan de hand. Dit is, hoe ongelofelijk ook, precies de structuur van de argumentatie van de rector. Dit is voor een jurist een heel vreemde drogredenering, een soort van omgekeerd Barbertje: Barbertje moet niet hangen, want heeft geen verkeersovertredingen of belastingfraude gepleegd, maar over verkrachting of moord kunnen we ons dus niet meer uitspreken.

Een grondregel van het recht zegt dat je geen twee keer voor dezelfde zaak kan worden berecht. Torfs past die heel gezonde regel echter toe op twee totaal verschillende zaken en vertoont daarbij een 'legalistische hardnekkigheid' die merkwaardig is.

Tegen iedereen die zegt dat samenwerken met Israël en de Israëlische politie neerkomt op het legitimeren van een misdadig beleid, blijft hij er koppig op hameren dat de ethische commissies hun werk hebben gedaan over de vraag of het onderzoeksproject wel op zich in orde was. Een beetje onbegrijpelijk toch. Een rector of een universiteit kan de politieke vraag niet vermijden of men kan samenwerken met Israël, laat staan de Israëlische politie, door zich weg te steken achter commissies die die vraag niet hebben gesteld (en procedureel ook niet konden stellen).

Hetzelfde kan gezegd worden van het tweede argument, dat van de academische vrijheid. De vraag of het verantwoord is voor de Leuvense universiteit om met een misdadig regime en zijn politiediensten samen te werken is geen vraag voor individuele onderzoekers, maar een beleid dat de universiteit moet bepalen. Dus, zich wegsteken achter de academische vrijheid is ook geen overtuigend argument. Het is wel degelijk aan de universiteit als zodanig om zich over die vraag te buigen.

Het is tijd dat de universiteit haar verantwoordelijkheid opneemt en die vraag beantwoordt. Dat de EU er geen graten in ziet, is ook geen argument, integendeel: de misstap van de EU om Israël geassocieerd lid te maken van de EU, moet van onderuit worden gecorrigeerd. En universiteiten zijn net goed geplaatst om dat te doen, juist vanuit hun academische vrijheid, als instanties die het debat moeten aanzwengelen (onze rector verdient overigens alle lof omdat hij daar keer op keer voor pleit).

Het opstellen van een charter voor een academisch mensenrechtenbeleid kan in elk geval niet langer wachten, om dergelijke ongelukkige samenwerkingen te voorkomen.

Uiteraard zou het van moed getuigen als ook collega Vervaeke en zijn team, door ‘voortschrijdend inzicht’, tot de juiste beslissing komen of worden gebracht en de stekker trekken uit hun samenwerking met de Israëlische politie.

Ook de rechtsfaculteit zou hier als instantie die toch het internationaal recht en de mensenrechten zou moeten verdedigen en respecteren, haar verantwoordelijkheid kunnen nemen. Ook als de rector, in zekere zin, verstek laat gaan.

Hoopgevend is in elk geval dat hij zelf tijdens een gesprek met een delegatie van de Leuvense academici die een open brief schreven over Law Train herhaaldelijk benadrukte dat hij zelf aan dergelijk onderzoek niet zou deelnemen.