about
Toon menu
Boekrecensie

John Berger over de boer voor hij bedrijfsleider werd

De boerenstiel wordt tegenwoordig of irreëel geromantiseerd of denigerend weggezet als voorbijgestreefd. John Berger ziet wat anders. Hij schreef in 1979 'Het varken aarde' over de vernietiging van eeuwenlang opgebouwde kennis en ervaring door niets ontziende en minachtende modernisering. Net opnieuw uitgegeven. Of hoe goede boeken actueel blijven en vooroordelen over het verleden ontkrachten.
vrijdag 15 april 2016

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De hedendaagse wetten van de boekenmarkt zijn meedogenloos. Een boek is een succes binnen de eerste weken na publicatie. Lukt dat niet, dan verdwijnt het in de ramsj of erger nog in de papierverwerking. Dat heeft een nefaste invloed op wat nog gepubliceerd geraakt. Boeken krijgen geen kans meer om te groeien, boeken die niet veel verkopen op korte tijd maar wel jarenlang meegaan, het mag niet meer. De 'markt', weet je wel.

Goede boeken zijn van alle tijden

Hoedje af dus voor de Nederlandse uitgeverij Schokland die ingaat tegen de tijdsgeest met haar reeks Kritische Klassiekers. In zeer mooi ontworpen hardcovers brengt deze reeks werken van onder meer Arthur Koestler, Peter Kropotkin en J. Rentes de Carvalho opnieuw uit. Klassiekers in de ware zin van het woord.

Nummer 11 in de reeks is Het varken aarde van Brits auteur John Berger, vertaling van Pig Earth, dat hij oorspronkelijk in 1979 publiceerde. Het werd vertaald in 1990 en toen uitgegeven door De Bezige Bij, later heruitgegeven in een trilogie, samen met de twee andere boeken van Berger over dezelfde thematiek, onder de titel De vrucht van hun arbeid. Nu dus opnieuw in de reeks Kritische Klassiekers.

Herkenbare verhalen

John Berger wordt 90 in 2016. Hier werd hij nooit erg bekend, maar in Groot-Brittannië is hij een grote naam. Hij schreef boeken, gedichtenbundels, over zijn werk werden tv-series gemaakt en hij werkte mee aan filmscenario's. Het varken aarde is 37 jaar oud maar leest alsof het gisteren werd geschreven.

Voor de +60 generatie in Vlaanderen die nog in een plattelandsdorp heeft gewoond is dit boek zeer herkenbaar. Vlaanderen heeft zijn industrialisering en verstedelijking pas gekend na de Tweede Wereldoorlog. Zelf woon ik al 37 jaar in de stad, of beter in de Vlaamse verstedelijkte randstad rond Brussel. Aan mijn jeugd op de boerderij van mijn oom, net naast ons eigen huis, houd ik een gezonde weerstand tegen allergieën over. Daar overtraden we immers dagelijks alle hedendaagse regels qua hygiëne, wondjes ongekuist laten in het stof, met vuile handen bessen eten... Het woord 'allergie' heb ik pas opgepikt in de laatste jaren van de middelbare school. Het was iets wat alleen de stadsmussen van de klas hadden. Nu hebben al mijn kinderen en kleinkinderen er last van.

Die jeugdherinnering is vast te positief ingekleurd. We zaten mee op de tractor zonder beveiligde zitjes, zonder afscherming van de draaiende delen, zonder gepantserde cabine tegen het omslaan, zonder masker tegen de spuitmachine (allemaal dingen die nu verplicht zijn). We sprongen op en af het smalle, slipperige trapje vlak voor de grote achterwielen, terwijl mijn oom gewoon verder reed met de blik achter hem op de ploeg. Vandaag durf ik mijn kleinkinderen geen ogenblik alleen laten op een boerderij en geven ze me bijwijlen nachtmerries over wat er allemaal had kunnen mislopen.

Nog steeds bekijk ik landbouwmachines, ik lees de merken, de types, ik zie de nieuwe technische aanpassingen. Waar ik echter niet meer bij kan is hun omvang. Hedendaagse landbouwmachines worden als metafoor van de hedendaagse samenleving nauwelijks nog opgemerkt. Onterecht. Tractoren en machines zijn mastodonten geworden, hun aankoop zo duur dat ze alleen met leningen bij agrobedrijven nog kunnen, wat de boer dan weer aan hen bindt voor meststoffen, leveringen van graan enzovoort.

Deze mastodonten rijden de akkers zo vast met hun lompe overgewicht, dat steeds dieper ploegen nodig wordt om de harde onderlaag te doorbreken. Absurd. Een landbouwtractor op de weg is bovendien levensgevaarlijk. Deze bolides 'botsen' niet, ze walsen gewoon over alles heen. Voor ze stilstaan hebben ze in een paar seconden een aanrijdende auto als een conservenblik platgedrukt.

We eten dagelijks vlees, meer dan ooit tevoren (hoewel, terug minder en minder) maar weten liever niet dat dat ding op ons bord ooit een levend wezen was. We romantiseren de koetjes in de wei maar horen liever niet gezegd dat melkrunderen zonder permanente vaccinaties, krachtvoeder, permanente verzorging, antibiotica, keizersnedes (veel te grote kalveren) op één generatie tijd zouden uitsterven, wegens compleet ongeschikt om op zichzelf te overleven.

Stedelijke vervreemding van de natuur

Ondertussen is de verstedelijkte bevolking compleet vervreemd geraakt van de boerenstiel,  die ze of op het idiote af romantiseren of denigrerend afwijzen als voorbijgestreefde onzin (en soms beide tegelijk). Een eigen groentetuin is een droom van velen, maar het zware werk schrikt af. Denkt men, uitonwetendheid. In werkelijkheid is niets zo eenvoudig, geen aangenamer tijdverdrijf.

Het probleem is de veel te hoge, onrealistische verwachtingen. Zelf een moestuin wordt dan een opdracht, een streefdoel. Het moet immers direct heel divers, superbiologisch, veel nieuwe 'oude' onbekende groenten. Kortom, veel te veel in eens, terwijl een moestuintje met wat basic groenten als uien, prei, spinazie, worteltjes, een kleine serre met tomaten nog zo eenvoudig, aangenaam en ontspannend kan zijn. 

Hard maar ook volhardend

Dat alles ging door me heen terwijl ik Het varken aarde las. In prachtig proza schreef John Berger over de vernietiging van eeuwenoude ervaring met het leven op het land, met boeren en tuinieren. De verhalen in zijn boek spelen zich af ergens in de Franse Alpen, waar Berger in de jaren 1970 woonde. Hij vertelt over wat hij ziet maar gaat ook op zoek naar oude verhalen van de lokale boeren, over hoe het ooit was.

Dat boerenbestaan was noch romantisch, noch armzalig. Het was wel hard en vooral monotoon. Elk jaar, elk seizoen was een herhaling van het voorgaande. Niet dat dat de boeren stoorde. Zij keken totaal anders op tijd en bezig zijn. Het idee dat er een onderscheid zou bestaan tussen 'werk' en 'vrije tijd', dat kenden ze niet. Vrije tijd was even rusten tussen twee taken door. Enkele dagen na elkaar niet 'werken', of erger nog, enkele dagen weggaan, het was niet aan hen besteed. Ze kenden het wel, van bezoekers en familie uit de stad, maar het interesseerde hen niet.

Herkenbaar is ook Berger's verhaal over de slachting van een varken en wat daar bij komt kijken. Als kind keek ik zelf ook toe hoe op de boerderij een varken werd geslacht, gewoon op de binnenkoer. Ik dacht er niets bij, was een beetje gefascineerd en een beetje afkerig tegelijk, zonder leedvermaak maar ook zonder medelijden, met in het achterhoofd het vooruitzicht op lekker eten. Vandaag eet ik geen varkensvlees meer – nauwelijks nog eender welk vlees eigenlijk - en walg ik van de varkens- en vleesindustrie die massaal dieren mishandelt, afmaakt, verwerkt, behandelt en een product levert dat een aanval op de volksgezondheid is. 

Herkenbaar, zelfs voor een stadsmus

Elk verhaal wordt afgewisseld met een gedicht. Meest pakkend zijn de drie verhalen over het leven van Lucie Cabrol, een gehandicapte, kranige vrouw die alleen overleefde, tegen haar broers in, die zo snel mogelijk van haar af wilden.

De boeren van Berger zijn noch dromers, noch reactionaire onbenullen, het zijn realisten. Zij voelen 'de stad' oprukken is en begrijpen dat hun levenswijze gedoemd is te verdwijnen. Desondanks staan ze dagelijks op en gaan door met hun werk.

Berger observeert en luister. Hij werkt soms mee op de akkers en in de stallen, maar maakt zichzelf niet wijs dat hij zo ook maar enig idee krijgt van wat het boerenbestaan echt is. Stuk voor stuk prachtige verhalen. Als laatste hoofdstuk voegde Berger er een 'Historisch nawoord' bij. Volgend citaat vat zijn gedachten over de boeren goed samen:

“De bewering dat de boerenstand in een continue overlevingsstrategie verwikkeld is, lijkt misschien een bevestiging van wat de steden met hun gebruikelijke arrogantie altijd hebben gezegd over boeren: dat ze achterlijk zijn, een restant uit het verleden. Maar de boeren zelf delen de opvatting van tijd niet die spreekt uit een dergelijk oordeel.”

“Ondanks zijn onvermoeibare ijver om de aarde een bestaan te ontworstelen ziet de boer, veroordeeld tot een realiteit van arbeid zonder eind, het leven als een tussenfase. In deze zienswijze wordt hij gesterkt door zijn dagelijkse omgang met de cyclus van geboorte, leven en dood. Mogelijk is hij daardoor ontvankelijk voor godsdienstigheid, maar godsdienst is niet de grondslag van zijn levenshouding, en los daarvan is de godsdienst van boeren nooit precies die van overheden en priesters.”

Actueel

John Berger (WikiMedia Commons)

Dit is geen pleidooi voor een terugkeer naar een ideaal dat nooit heeft bestaan, maar een herinnering aan het feit dat de moderniteit met het badwater enerzijds veel terecht verwerpelijke aspecten van het verleden heeft verworpen maar anderzijds ook heel wat goede lovenswaardige dingen heeft verkwanseld.

Wie een meer realistische omgang met de natuur en met de landbouw wil kan veel leren bij deze waardevolle ervaringen uit het verleden, ver weg van de verstikkende agro-industrie van Monsanto en co, maar evengoed weg van de ook wel enge aspecten van datzelfde verleden. Neen, het verleden was niet mooi en idyllisch, maar dat is het heden al evenmin.

De slechte dingen van het verleden verbeteren en terwijl toch de goede bewaren, leren we het dan nooit? John Berger is een auteur voor alle tijden.

John Berger. Het varken aarde. Schokland, de Bilt, 2016 (met een nawoord van Cyrille Offermans). 218 pp. ISBN 978 90 824546 0 4

reageer

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.