“Zelfs de stilte heeft een eind”
Boekbespreking, Ingrid Betancourt -

“Zelfs de stilte heeft een eind”

vrijdag 7 januari 2011 18:10

Wie bij zijn vroegboekactie voor vakantie in een of ander exotisch oord zou overwegen om een ongerept oerwoud bovenaan zijn lijstje te zetten, mag ik aanraden om Paul Theroux’s “Mosquito Coast” nog eerst eens grondig door te lezen. Dit magistrale verhaal over een huisvader die zijn gezin op sleeptouw neemt om in het midden van de broeierige jungle van Honduras ijs te gaan produceren, is hallucinant in zijn beschrijving van het oerwoud als biotoop. Theroux’s “hoofdpersonage” is letterlijk een groene hel waar stank en verrotting de voornaamste ingrediënten zijn.

Ingrid Betancourt voegt daar in haar nieuwe boek “Zelfs aan de stilte komt een eind – Mijn jaren van gevangenschap in de jungle van Colombia” (Uitgeverij Balans, 2010) nog een andere dimensie aan toe: het is een wereld zonder horizon. Een horizon die zij heeft moeten missen gedurende de zes en een half jaar die zij als gijzelaar in handen was van de FARC.

Controversiëler dan de figuur van Ingrid Betancourt wordt het zelden op dit schouwtoneel van het onderhemelse. Terwijl zij, voormalig presidentskandidaat voor Colombië, onmiddellijk na haar bevrijding , nog een approval rating had die varieerde tussen de eenenzeventig en drieentachtig procent en zij in Europa bijna heiligenstatus bereikte, haar verleend door haar ontvangst op het Elysee in Parijs en het Vaticaan in Rome, wordt zij nu op grote schaal in haar geboorteland Colombië uitgespuwd, verketterd en gehaat. Hoofdoorzaak is haar verzoek in september 2010, tot arbitratie van een claim voor morele schadevergoeding en derving van inkomsten ten belope van meer dan zes miljoen dollar voor de tijd die zij in gevangenschap had doorgebracht en hoewel Betancourt later in de media zelf verklaarde dat de claim (en het gigantische bedrag) hoofdzakelijk symbolisch waren bedoeld en zij nooit de intentie heeft gehad de Colombiaanse regering en het leger, die uiteindelijk haar bevrijding hadden bewerkstelligd, voor het gerecht te dagen, was het kwaad geschied. Ingrid Betancourt werd persona-non-grata voor grote delen van de Colombiaanse bevolking. Zelf beweert deze vroegere presidentiële kandidate na haar ervaringen geen verdere politieke ambities meer te koesteren, maar als haar voorbije parcours op politiek vlak en in haar persoonlijk leven een indicatie kunnen geven, hebben we nog niet het laatste van haar gehoord.

Heel de dualiteit van deze complexe figuur zit ook in haar boek verweven. Enerzijds doet zij in “Zelfs aan de stilte komt een eind” het relaas van een leven dat men niet langer zelf in handen heeft en de voortdurende strijd om in dergelijke omstandigheden zijn waardigheid, die zij belangrijker noemt dan het leven zelf, te bewaren. Anderzijds is het nodig om weten dat er voor haar al verschillende van haar medegevangenen waren die hun memoires hadden gepubliceerd: Clara Rojas, Betancourts’ campagnemanager; John Pinchao, een jonge militair die zelf wist te ontsnappen; Luis Eladio Perez, een collega-senator en drie amerikaanse contractanten (Marc Gonsalves, Keith Stansell en Thomas Howes) wiens vliegtuig in de jungle was neergestort. Vooral de boeken van Clara Rojas en van de drie Amerikanen zijn zeer weinig flatterend voor Ingrid Betancourt als mede-gevangene. “Zelfs de stilte ….” heeft dus zeker ook een bepaald apologie-gehalte: ieder heeft zijn waarheid al gezegd en nu is het tijd voor haar waarheid. “Rashomon” revisited, als het ware.

Wanneer men echter dit caveat in gedachten houdt, is Betancourts’ relaas, uitgespreid over bijna vijfhonderd pagina’s in de nederlandse vertaling, ontegensprekelijk een onthutsende en aangrijpende ervaring. Hier is een vrouw aan het werk geweest die zeer diep in zichzelf is gaan graven, zichzelf langs alle kanten tegen het licht heeft gehouden en uiteindelijk dit literair uiterst leesbare verslag heeft geproduceerd. Men kan zich enkel maar proberen voor te stellen hoe pijnlijk dit schrijfproces moet zijn geweest. Betancourt heeft zich tijdens het schrijven teruggetrokken in de bergen, zodat zij telkens, na een dag schrijven, naar buiten door het raam kon kijken en … een horizon kon zien.

De geleding van het boek doet een beetje denken aan Eisenstein’s “Pantserkruiser Potemkin”, dat is opgebouwd rond concentrische cirkels: in het centrum is er het schip, in de middenste ring is er de stad Odessa en de buitenste ring wordt gevormd door de Russische maatschappij. Betancourts’ “Potemkin” bestaat in de binnenste laag uit de verschillende kampen waar zij haar gevangenschap heeft doorgebracht (zij heeft het zelf concentratiekampen genoemd, doch geen uitroeiïngskampen), met het Amazonewoud als een soort groene Alcatraz-gevangenis eromheen in de middenlaag en de buitenwereld ,met al zijn sociale en politieke machinaties, als de buitenring. Het boek brengt het prangende verhaal van haar voortdurende strijd om vanuit die binnenste cirkel naar de buitenste te geraken, door de vijandige omgeving van de middencirkel. De toon is meteen gezet met het a-chronologische begin: het relaas van één van haar vijf ontsnappingspogingen. Mislukt, zoals alle andere, maar meteen de inspiratie om te beginnen plannen voor de volgende, hoe hard en ongenadig de represailles na iedere poging ook zijn, want Ingrid weet: die hoop op ontsnappen opgeven, betekent het einde.

Het boek weet blijvend te boeien door zijn verschillende “verhaallijnen”, in de eerste plaats dat van een vrouw die zichzelf steeds opnieuw analyseert in het licht van de steeds veranderende, maar altijd extreme condities en die zichzelf mentaal vooruit katapulteert naar een punt voorbij haar gevangenschap en vandaar de vraag stelt: zal ik mijzelf, op dat punt aangekomen, nog in de ogen kunnen kijken zonder mijn blik te hoeven neerslaan ? De verhalen van haar medegevangenen ten spijt, is Betancourt erg overtuigend in haar poging ons te laten geloven dat dit haar met brio is gelukt. Niemand zal ooit echt weten wat er allemaal in die jungle is gebeurd. Zijzelf heeft bij herhaling gezegd dat bepaalde dingen die in het oerwoud zijn gebeurd, “in het oerwoud moeten blijven”.# Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat Ingrid Betancourt, tijdens haar gevangenschap, geen foutloos parcours heeft gereden en zij ontkent het ook niet in dit boek, maar men kan geredelijk aannemen dat haar traject, als bijna enige vrouw in de groep én als trofee-gevangene, nog lastiger moet zijn geweest dan voor de anderen. Ook al zijn er relaties die haar helpen overeind te blijven, zoals met “Lucho” (Luis Eladio Perez) of met Marc Gonsalves of John Pinchao, het is duidelijk dat ook voor haar geldt “L’enfer, c’est les autres”, of het nu medegevangenen zijn of haar FARC bewakers.

Er is ook dat altijd aanwezige oerwoud, dat op zeldzame momenten zijn pracht ontvouwt, maar toch vooral een geweldige vijand blijkt te zijn, waar het gevaar nooit verder af is dan de volgende boom. Betancourt overleeft horzelaanvallen, invasies van reuzenmieren en een ontmoeting met een “tijger”; ze overleeft stormen die ze moet doorstaan terwijl ze met haar hals, zonder beschutting, zit vastgeketend aan een boom. Soms maakt ze het tot haar bondgenoot, wanneer ze zich bij een nieuwe ontsnappingspoging met Lucho gedurende dagen stroomafwaarts laat meedrijven met de rivieren die het oerwoud doorkruisen … om uiteindelijk toch weer gevat te worden. Het oerwoud slokt degene die in handen vallen van de guerilla met huid en haar op, om ze in het beste geval op een godvergeten moment weer half-levend uit te braken … Of niet.

Ingrid Betancourt rekent in haar boek, op haar manier, af met de FARC: het zijn terroristen, niet alleen in de politieke zin, maar vooral ook in de letterlijke zin van het woord en wat ze hun gevangenen aandoen is onmenselijk. En toch sluipt er op verschillende momenten in haar betoog een glimp van mededogen met de jongens en meisjes -sommigen kinderen nog bijna- die deel uitmaken van dit “leger”. In interviews heeft ze verklaard dat het schema bijna altijd identiek was: telkens ze werden verplaatst van kamp en ze onder het toezicht van een nieuwe groep kwamen, was de sfeer in het begin -relatief gesproken- nog draagbaar. De nieuwe bewakers waren meestal nog vriendelijk en tegemoet komend, maar naarmate de tijd verstreek werd hun gedrag tegenover de gijzelaars steeds erger, op het sadistische af.

Een woord van kritiek toch bij deze laag van haar verhaal. Het heeft mij verwonderd dat zij, als politica in hart en nieren, niet beter heeft geregistreerd wat deze, althans in naam, Marxistische rebellen drijft. Veel verder dan een korte beschrijving van bijeenkomsten waar wat slogans worden gescandeerd, komt ze niet. Wat is hun ideologische drijfveer ? Wat zijn hun politieke ideeën ? Zijn die er nog überhaupt ? Ik ben er van overtuigd dat Betancourt met haar bewakers daarover heeft gepraat en gediscussieerd, maar men komt het amper van dit boek te weten. Misschien doet het ook niet terzake. De tijd dat FARC als militante groep van de communistische vleugel ideologisch misschien nog een greintje credibiliteit had, is definitief voorbij sinds ze zich volop in de cocaine-handel hebben gemengd.

Wat echter het meest beklijft aan dit boek is Ingrid’s beschrijving van het contact met haar vader, Gabriel Betancourt, voormalig minister van onderwijs en jarenlang topdiplomaat bij de UNESCO, enerzijds en met haar moeder, Yolanda Pulecio, voormalige schoonheidskoningin turned sociaal activiste en politica, anderzijds.

Betancourt vertrekt bijna letterlijk op haar ongelukstrip, die tot haar kidnapping zal leiden, van aan het ziekbed van haar vader. Bijna had ze, door zijn slechte toestand, de trip gecancelled. Hij belooft haar dat hij op haar terugkeer zal wachten, zoals steeds. Dus ze gaat. Ze verneemt zijn dood enkele luttele maanden na de start van haar gedwongen verblijf in de jungle via een achteloos (?) achtergelaten krant. Het is het eerste en misschien zwaarste moment van wanhoop die ze meemaakt.
De hoop die haar overeind houdt komt van de stem van haar moeder op Radio Caracol, die de gevangenen op kleine transistor radiootjes kunnen beluisteren. Elke dag is er een programma waarin familieleden van de gijzelaars zich tot hun geliefden kunnen richten en quasi dagelijks, gedurende die lange zes en een half jaar, gaat Yolanda Pulecio op antenne om haar dochter toe te spreken. Wie de beelden van Betancourts’ aankomst op het de luchthaven heeft gezien na haar bevrijding via “Operatie Schaakmat”, kan zich een vaag beeld vormen van de magie die tussen die twee vrouwen hangt en die zij al die tijd in stand hebben weten te houden. Ongeacht elke terechte of onterechte beschuldiging aan hun adres, is dit boek ook vooral een hommage aan een ongelooflijk grote liefde tussen twee ongelooflijk sterke vrouwen die in hun karakter, hun engagement, hun onrust en zelfs in hun controverses bijna mekaars evenbeeld zijn.

Wanneer men als lezer aan het eind van die bijna vijfhonderd bladzijden het boek dichtklapt, is men een universum gepasseerd die de verbeelding tart: door zijn brutaliteit, door zijn schoonheid en door zijn scherpe observaties van wat het is “mens” te zijn. De mens Ingrid Betancourt maakt fouten en wordt er in haar thuisland en daarbuiten op afgerekend, maar het portret van de vrouw die uit dit boek naar buiten komt hoort thuis in de galerij der groten.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!