ZELFONTHULLING VAN DE THERAPEUT KAN HET, MAG HET?

ZELFONTHULLING VAN DE THERAPEUT KAN HET, MAG HET?

woensdag 1 juni 2016 18:19
Spread the love

De zelf – onthullingen van de therapeut kan een krachtige en invloedrijke interventie zijn, afhankelijk van de vorm en timing van de interactie en het therapieproces. Onderzoeken[1] wijzen er op dat belangrijke formele kenmerken van behulpzame zelfonthulling zijn:

  • de zelf-onthulling wordt geleverd in een collaboratieve manier het bevorderen van wederzijdse dialoog;
  • een heldere en geconcentreerde aanwending afgestemd op de behoeften van de individuele klant

Wat betreft timing, klanten ervaren twee kenmerken als bijzonder belangrijk:
1)Een model met opdrachtgever directe ervaring of impliciete behoeften van de klant of eisen;

2) non – interference interne spoor van de cliënt.

Deze resultaten werden vooral in de cliënt-centered therapie genoteerd. Ik wil graag hieraan iets toevoegen over objectieve – en subjectieve zelfonthulling binnen verschillende therapeutische modellen.

  1. a) begripsbepaling: onderscheid tussen objectieve en subjectieve zelfonthulling.
  • Objectieve: die momenten, wanneer de therapeut feitelijke of historische informatie over zijn eigen leven en ervaringen aan de cliënt onthult.
  • Subjectieve: De therapeut onthult zijn eigen innerlijke ervaringen (gevoelens, gedachten, fantasieën) die hij ervaart in directe reactie op het gedrag van de cliënt tijdens psychotherapie

Laat ons nu eens kijken naar de belangrijkste therapeutische modellen, en wat die over zelfonthulling van de therapeut zeggen. We kijken telkens eerst naar de opvattingen van die modellen over de therapeutische relatie, en dan naar wat zij dan zeggen over objectieve en subjectieve zelfonthulling.

  1. PSYCHOANALYSE
  • De therapeutische relatie: Centraal staat het doorwerken van de overdracht in de therapeutische relatie: de therapeut moet voor de cliënt een spiegel zijn, waarop de cliënt kan projecteren. De therapeut moet ondoorzichtig voor de analysant zijn, en als een spiegel niets anders tonen dan wat hem wordt getoond.
  • Objectieve zelfonthulling is verboden, tenzij om enige essentiële informatie over zichzelf te geven (opleiding, plaats in de organisatie) of informatie, die een belangrijke invloed heeft op de loop van de therapie (ziekte van de therapeut)
  • Subjectieve zelfonthulling: omgaan met tegenoverdracht: De meeste analytici handhaven een neutrale opstelling. Enkele uitzonderingen pleiten voor het nut van het in relatie brengen van de tegenoverdrachtelijke belevingen: Als het gaat over “neurotische” tegenoverdracht om de cliënt te laten zien dat ook therapeuten met onaffe dingen worstelen, en als het gaat om “gezonde” tegenoverdracht, die berust op de realiteit van de cliënt, om de cliënt feedback te geven over het effect van zijn gedrag en daardoor een realiteitstoetsing.
  1. GEDRAGSTHERAPIE
  • De therapeutische relatie is hier in de eerste plaats een deskundigheidsrelatie. De sociale invloed van de therapeut staat centraal, en deze invloed van de therapeut is groter naarmate zijn ervaren deskundigheid en attractiviteit groter zijn. De therapeut is ook een rolmodel: om iemand als een rolmodel te kunnen nemen mag deze niet te ver van de cliënt af staan en moet hij toch een volgende stap in competentie gezet hebben.
  • Objectieve zelfonthulling van de therapeut kan de cliënt tot zelfonthulling stimuleren. (cfr. De sociale leertheorie en sociale ruiltheorie) Deze zelfonthulling mag echter in geen geval een aantasting betekenen van de waargenomen deskundigheid van de therapeut. Dus zeker geen zelfonthulling, die iets problematisch zou kunnen suggereren.
  • Subjectieve zelfonthulling vraagt een gerichtheid op de therapeut – cliënt relatie anders dan een deskundigheidsrelatie. Dus deze is niet aan de orde in dit model.
  1. SYSTEEMDENKEN – COMMUNICATIETHEORIE
  • De therapeutische relatie: Watzlawick gaat er van uit dat de therapeut noodzakelijkerwijs een aantal belevingen heeft en die ook communiceert, verbaal of non-verbaal. De vraag is dus niet zozeer of de therapeut al of niet aan zelfonthulling moet doen, maar hoe hij dat kan doen op een zo effectief mogelijke manier voor de cliënt. Zelfonthulling is geen mogelijkheid, maar een noodzaak.
  • Objectieve zelfonthulling: weinig nadruk.
  • Subjectieve zelfonthulling: De cliënt roept steeds dezelfde respons op in zijn relaties, waardoor hij steeds in dezelfde cirkel van onderlinge beïnvloeding blijft steken. De opdracht van de therapeut is dus om een andere respons te geven dan de cliënt gewend is, en van bovendien over het effect van de cliënt op hem te meta-communiceren. (is dus subjectieve zelfonthulling)

We blijven hier echter zitten met een probleem: de therapeut mag niet complementair reageren op het appel van de cliënt, maar moet zijn reactie op dat appel wel ervaren. De paradox blijft bestaan. Bovendien komt men op die manier ook weer terecht in een deskundigheidsmodel. De therapeut blijft buiten schot.

  1. CLIENTGERICHTE THERAPIE
  • De therapeutische relatie is de kern en het helend element in de therapie. De therapeut moet drie essentiële kwaliteiten bezitten: empathie, onvoorwaardelijke positieve gezindheid en congruentie.
  • Objectieve zelfonthulling mag niet afleiden van de empathie, maar moet ten dienste staan van de empathie. Het bespreken van de eigen achtergrond van de therapeut is zinvol voor zover deze op een bepaald moment bij de therapeut aanwezig is als hulp bij het begrijpen van de cliënt. De therapeut kan dan op een sobere manier naar deze ervaringen verwijzen.
  • Subjectieve zelfonthulling: Rogers zelf heeft daarin een hele evolutie doorgemaakt: eerst legde hij de nadruk meer op empathie, daarna meer op congruentie. De therapie wordt een directe, persoonlijke ontmoeting tussen de cliënt en de therapeut, waar congruentie de therapeutische relatie kan verdiepen. Er wordt dan een onderscheid gemaakt tussen congruentie als de mate waarin de therapeut bewust toegang heeft tot en rustig open staat voor alle facetten van zijn ervaringsstroom, en transparantie als de expliciete communicatie door de therapeut van zijn bewuste percepties, attitudes, gevoelens.( is dus subjectieve zelfonthulling) Deze moet echter in dienst staan van de cliënt en gebracht worden als een ik-boodschap.
  1. CONCLUSIE

Elk van deze modellen zet, afhankelijk van hun opvattingen over de therapeutische relatie, een aspect van die relatie in het licht, wat zijn consequenties heeft voor ons thema van zelfonthulling.

Een samenvatting:

  1. De nadruk op overdracht en tegenoverdracht in de analyse brengt ons in de focus dat zowel cliënt als therapeut in hun beleven van en kijken naar zichzelf en de ander in de relatie zeer sterk beïnvloed zijn door hun verleden. Naarmate de analyticus een spiegel moet zijn, moet hij zijn eigen tegenoverdracht volkomen onder controle hebben, wat nooit helemaal kan, dus dat is ook het failliet van die spiegeltheorie. De therapeut is aanwezig in de relatie, de vraag blijft hoe hij aanwezig kan en mag zijn
  2. De nadruk op de modelfunctie van de therapeut in de gedragstherapie richt onze aandacht op het gegeven dat de cliënt zich in zekere mate met de therapeut moet kunnen identificeren. In een deskundigheidsmodel (de therapeut als specialist in leerprocessen, die het leerproces van de cliënt dient te sturen) is er minder aandacht voor de therapeutische relatie en dus voor de zelfonthulling van de therapeut.
  3. De nadruk op de onontkoombaarheid van communicatie van onze eigen belevingen in de communicatietheorie confronteert ons veel meer met de vraag hoe in plaats van of we onszelf als therapeut dienen te onthullen. Waar die eigen belevingen immers door de therapeut non-verbaal en onbewust gecommuniceerd worden, zal de cliënt er betekenissen aan geven die hij gewend is en in een communicatieve cirkel terechtkomen, die hem zeer bekend is. Dat wijst ons dan weer op het belang van het gewaar zijn van onze belevingen en deze zo congruent mogelijk te communiceren.
  4. De nadruk op transparantie in de cliënt – centered therapie, die er steeds meer is gekomen naarmate de werkelijke, persoonlijke ontmoeting tussen cliënt en therapeut meer in de focus kwam. Als het gaat over grondhouding van de therapeut en hoe die te operationaliseren, hebben we natuurlijk veel te danken aan de cliënt – centered therapie en de studies, die vanuit dit model zijn gedaan daarover.

[1] Jutta Schnellbacher, psycholoog-muziektherapeut, is doctoraatsbursaal in het departement Psychologie aan de KU Leuven. Mia Leijssen, psychotherapeut en hoogleraar, doceert Cliëntgerichte psychotherapie op masters- en postgraduaatniveau in het departement Psychologie aan de KU Leuven.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!