De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Wortels in de lucht: Beklijvende ervaringen in een Gentse zomerschool  
Opinie - Brigitte Puissant

Wortels in de lucht: Beklijvende ervaringen in een Gentse zomerschool  

maandag 7 september 2020 12:09
Spread the love

 

Ik loop wat verloren in het shoppingcentrum van het Zuid, ’s morgens vroeg. Een doodse aanblik, die grijze gesloten luiken, die vanaf tien uur vrolijke commerce moeten zijn. Tot ik een jongere ontmoet met een ‘hipgescheurde’ zwarte jeans. Ik vraag hem naar de school. ‘Kom!’, hoor ik achter zijn mondmasker, maar het is vooral zijn vriendelijke wenk die meteen welkom voelt.

Op het nieuws hoorde ik van de zomerscholen[1]. Ik gaf me op als vrijwilliger bij de stad Gent. Het was al midden juli vooraleer ik duidelijkheid kreeg over wat, hoe en wanneer. Een minister knipt met zijn vinger, maar het middenveld moet wroeten om zo’n school in vakantietijd rond te krijgen.

Ik heb vier jongeren van twaalf tot veertien jaar onder mijn hoede. Geen overbodige luxe, want de jongeren verblijven nog maar één jaar in België en om taalvaardigheid te versterken[2] is interactie ontzettend belangrijk. In de pauze zie ik ze alle dertig, de oudsten zeventien en de jongsten elf jaar. De jonge jongens rollebollend met een bal, de meisjes leunend bij elkaar of op de schommels, de oudste kerels grappend in een kring. De meesten hebben één of twee jaar OKAN[3]-klas achter de rug in de school voor technisch- en beroepsonderwijs waar de zomerschool doorgaat. Volgend jaar stromen ze door naar het reguliere secundair onderwijs, vaak in een andere school. Een gekleurde bende, afkomstig uit alle uithoeken van de wereld!

Foto: Brigitte Puissant

De escape-room is een van de spannendste opdrachten deze week: via allerlei verstopte opdrachten en cryptische aanwijzingen, wachtwoorden en cijfercodes zullen we de sleutel naar buiten terugvinden. Tijdens deze eerste sessie zijn mijn vier gasten erg gemotiveerd. Maar ze zijn wel individueel op zoek, met minimale, bijna woordeloze communicatie onderling. Ze spreken me (nog) niet aan. A. rukt tevergeefs aan een cijferslot, loopt onrustig rond, meldt meer als nodig waar we mee bezig zijn via de walkie talkie aan de coördinator, I. zoekt onder de tafels, en U. stelt een puzzel samen. Ik ben ‘het hoge woord’ dat samenwerking stimuleert (‘U en I , kunnen jullie samen de puzzel in elkaar steken?’), verwoordt (‘A., je krijgt dat cijferslot niet open?’), stimuleert, (‘nu nog één opdracht’), bemoedigt (‘dat cijfercode hebben jullie vlug gekraakt!’), …

In de volgende doorschuifsessie maken we fruitsla. De goedlachse A. haalt de snijplanken, messen, schalen, fruit … met een sprint uit de keuken en gooit ze met veel lawaai op tafel, alsof hij hiermee een einde wil maken aan de stilte en het aftasten in ons groepje. Bij het opensnijden van zijn watermeloen, deelt hij de eerste rode stukken spontaan uit. Ze prijken uitdagend op zijn mespunt. Stoere jongen en hyper kinetisch schatje, denk ik dan. In het bijzijn van de hoofdbegeleidster ‘bestoef’ ik zijn gedienstigheid en gulheid. Ze bedankt me daarvoor achteraf. A. krijgt immers, zoals de meeste A.D.H.D.- kinderen vaak negatief commentaar.

Fruitwoorden als watermeloen, framboos, blauwe bes, perzik, vullen de gekende woorden ‘appel’, ‘peer’ en ‘banaan’ aan. Evenals schillen, pit, mengen, weinig, niet veel méér, minder dan, graag lusten, lekker vinden, bitter, zoet, … Tijdens het opeten van onze heerlijk gevarieerde fruitsla gebeurt iets waarop ik al een tijdje wachtte. W. met Afghaanse roots vertelt dat zijn land primus is in cricket. A. kijkt hem aan met gefronste wenkbrauwen. ‘W. wil je eens uitleggen aan A. wat cricket is?’, vraag ik en … we zijn vertrokken. W. haalt zijn smartphone boven, A. komt naast hem zitten, anderhalve meter afstand of niet en er volgt een levendig gesprek tussen hen over de spelregels van cricket. Het mondmasker zakt weg tot onder de kin. W. is taalvaardiger dan A. en dat is de meerwaarde van heterogene groepjes, namelijk dat minder taalvaardige kinderen veel leren van kinderen met een sterkere taalvaardigheid.

De twee meisjes kijken naar zanggroepen op YouTube: A. naar erotisch getinte Amerikaanse popmuziek, S. naar sierlijke zang en dans op muziek uit haar land. Ze vertelt me met pretlichtjes dat zij thuis ook zo dansen als er feest is. A. en S. kijken elk om beurt gefascineerd naar elkaars videoclip.

De meeste vrijwilligers zijn leerkrachten van de school die de leerlingen kennen. Toch voel ik me in die korte tijd deel van de gemeenschap. Ondanks mondmaskers en gel die soms alle kanten opspuit, is het contact dicht en ‘morsig’. ‘Hé, dag A., blij je terug te zien! Was je gisteren ziek? Oei, stond je al aan je nieuwe school? Dat is pas volgende week! Je hebt je vergist!’, begeleider en jongere lachen. ‘Wat we vandaag gaan doen? In de voormiddag is het les, deze namiddag is het kajakken voor de oudsten en theater voor de jongsten.’ ‘Oh, neen, ik wil geen theater, ik wil kajakken.’ ‘Waarom wil je niet naar het theater? Je bent expressief, weet je dat, … en je bent zelfzeker als je spreekt.’ ‘Nee, ik doe het niet graag.’ ‘Er zijn geen plaatsen genoeg voor de jongsten, A.’. Later regelt de begeleider toch een plaats voor haar in de kajak …

Waar deze jongeren naar snakken is bescherming, steun en affectie. Ze hangen van ons af om eerste stappen te zetten, de taal te leren, de hemelhoge bureaucratie te overleven, zich hier wat thuis te voelen … Een leerkracht vertelt me dat lesgeven aan anderstalige nieuwkomers niet aanvoelt als werk maar wel als ‘in relatie staan’. Verbondenheid en vertrouwen staan centraal.

Foto: Brigitte Puissant

Een groep jongens van zestien, zeventien stellen zich niet op als stoere bonken, maar als een open kring. Hoewel ik niet met hen werk, heb ik gemakkelijk toegang tot hen tijdens de pauzes in het park. Met I. ga ik naar de apotheek omdat hij zoveel last heeft van een ontsteking in zijn mond. P. neemt me in vertrouwen: hij voelt zich ziek van heimwee naar zijn ouders in Afghanistan. O. zit gedurende een kwartier op de leuning van een bank terwijl hij in de diepte staart. Eén meisje hangt voortdurend rond de begeleiding om aandacht. Als ik voorstel om in een kring een simpel bewegingsspel te spelen, zijn er onmiddellijk kandidaten, hoewel het spel in mijn ogen best wat kinderachtig is. (Gewoonlijk werk ik met jongere kinderen). Een kring vormen is immers om-geven zijn.

Mijn groepje tekent zijn familie in stamboomstructuur. U. en J. hebben minstens twee A4’tjes nodig om de grootouders, de ooms, tantes, langs beide kanten een plekje te geven. U. heeft meer dan veertig ooms en tantes, acht broers en zussen, en meer dan honderd nichten en neven. Van de bijvrouwen van haar vader kent ze enkele namen. J. uit Albanië moet ook uitwijken op haar blad omwille van een stiefvader en – moeder die beide uit een ander huwelijk kinderen hebben. J’s familie woont in Frankrijk, Italië, Duitsland en Albanië. U’s familie verblijft verspreid in Europa en de Verenigde Staten. Zij woont hier met haar moeder. Enkel bij W. zie ik een vrij eenvoudige stamboom verschijnen: Ouders met drie kinderen naar hier gemigreerd, grootouders nog in het thuisland.

Het gesprek achteraf is ontnuchterend. Ik vraag aan wie ze het meest gehecht zijn. Dat blijkt een oom te zijn bij wie W. inwoonde omdat hij daar naar school kon, een grootmoeder die zich om de tweejarige J. ontfermde na de scheiding van haar ouders en een nonkel van U. die het huishouden runde toen een tweede kindje geboren was. Haar vader pendelde immers van België naar Ivoorkust.

De tieners uit mijn groep wonen hier nu met hun beide ouders of één van hen. De hechtings- en vertrouwensfiguur is dus in het thuisland gebleven. Het roept bij mij vragen op over de hechting en de vertrouwensrelatie met de ouders, die toch de basis vormen van elke opvoedingsrelatie?

De coördinator vertelt me in verband hiermee nog een andere netelige kwestie. De jongeren die hier alléén toekomen verblijven momenteel in een opvangcentrum. Zodra ze geldige documenten hebben, kunnen ze zelfstandig wonen. En dan starten ze de procedure van gezinshereniging. Ze zijn immers als wegbereiders alléén het pad op gestuurd. Naast de verantwoordelijkheid voor de aankomst van hun gezin van herkomst – zij zijn dan gezinshoofd – studeren ze en leren ze voor zichzelf zorgen. Ze zijn volwassen als hun familie na twee of drie jaar eindelijk overkomt. En dan, na al dat bloed, zweet en tranen, wordt hun prille jonge leven in sommige families op zijn kop gezet. Vader is nu gezinshoofd, zij terug kind. Vaders wetten komen recht uit het thuisland. Zo gebeurt het dat jongeren hun studies niet mogen afmaken of een relatie moeten afbreken. Meestal leggen ze er zich bij neer. Vermits ze zoveel in het werk hebben gesteld om de familie naar hier te krijgen en ze zo naar hen verlangden, is een breuk wel de laatste optie.

Hoewel ik maar even heb deelgenomen aan deze tijdelijke zomerschool, ervaar ik pijn bij het afscheid. Ik hechtte me al een beetje, ik aan hen, zij aan mij. En neen, ik kan niet bij hen lesgeven (want dat was hun vraag naar mij toe). De broze hechting moet dus weer worden afgebroken. Alsof ik hun vertrouwen beschaam.

De zomerschool meemaken was een ontroerende tijd. Ik zag plots heel scherp hoe deze jongeren de zwakke plekken in onze samenleving uitvergroten. We hebben nood aan een hartelijke en warme opvang van gezinnen en jongeren die vaak een zware en vaak traumatische tocht achter de rug hebben en hier van nul moeten beginnen, met hun wortels ‘in de lucht’. Uit onderzoek blijkt dat sommige vluchtelingen hier méér trauma’s doormaken dan in hun land van herkomst. Omwille van het kastje naar de muur, het in weer en wind aanschuiven in Brussel, de anonimiteit van hun dossier, het lange wachten zonder enig perspectief, de afwijzende blik van ambtenaren, de onderbezetting van personeel en kwalitatieve opvang in asielcentra en vluchtelingenonthaal, de discriminatie op de arbeidsmarkt, de onderschatting van hun mogelijkheden op school, …  alsof ze voortdurend moeten vechten om er te mogen zijn.

Geraakt door de noden van jongeren in de zomerschool, kan ik niet anders dan verontwaardigd zijn over harteloosheid op zoveel niveaus (de Griekse kustwacht doet maar door met het laten sterven van vluchtelingen terwijl Europa wegkijkt). Dan volgt aanklacht en roep tot verantwoording, zoals de weduwe van Chovanec doet. Tegelijk nodigt deze ervaring uit tot een radicale keuze en engagement voor een warmhartige samenleving. Hopelijk maakt onze nieuwe regering hier werk van. Grondig. Zodat de wortels van vluchtelingen kunnen gronden en ze opgroeien tot geëngageerd burgerschap.

 

Brigitte Puissant was afgelopen zomer vrijwilliger op een zomerschool en is pedagoge met rustpensioen.

 

Notes:

[1] Zomerscholen waren een uniek initiatief deze zomer vanuit de Vlaamse Overheid, bedoeld om opgelopen achterstanden tijdens de coronatijd te compenseren.  

[2] Deze zomerschool heeft niet als doel om te compenseren, wel om spreek- en luistervaardigheden te versterken bij leerlingen die de voorbije periode niet veel Nederlands hebben gehoord of gesproken 

[3] OKAN: OnthaalKlas voor Anderstalige Nieuwkomers: leerlingen krijgen het eerste jaar dat ze in België zijn een taalbad. Dit geldt enkel voor leerlingen vanaf het secundair onderwijs.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!