Wolfi Landstreicher – De macht van de staat en andere essays
Anarchisme, Staat, Kapitaal -

Wolfi Landstreicher – De macht van de staat en andere essays

donderdag 13 december 2012 13:04

Volgende essays zijn geschreven door Wolfi Landstreicher, een pseudoniem van een hedendaagse anarchist die ook schrijft als Appio Ludd.  Ze maken deel uit van een grotere collectie gerelateerde essays, genaamd The network of domination.  De vertaling van de overige essays van The network of domination volgt nog.

Op zijn wikipediapagina, http://en.wikipedia.org/wiki/Wolfi_Landstreicher, vindt u links naar de meeste van zijn werken.

Inleiding
De macht van de staat
De kost van het overleven
Van proletariër tot individu: naar een anarchistisch begrip van klasse

Inleiding

Volgende essays gaan dieper in op de verschillende instituties, structuren, systemen en relaties van overheersing en exploitatie die ons huidige bestaan bepalen.  Deze essays zijn niet bedoeld als volledige of finale antwoorden, maar als onderdeel van een discussie waarvan ik hoop dat ze zal blijven woeden in anarchistische kringen die gericht zijn op het ontwikkelen van een specifiek anarchistische theoretische exploratie van de realiteit waartegenover we staan.  Veel huidige analyse in anarchistische kringen is afhankelijk van marxistische of postmodernistische categorieën en concepten.  Deze kunnen inderdaad nuttig zijn.  Het zou echter intellectueel lui zijn om deze zomaar a priori te accepteren zonder de sociale realiteit te onderzoeken in termen van ons specifiek anarchistisch revolutionair project.  Ik hoop dus dat we kunnen beginnen discussiëren en de wereld onderzoeken in termen van onze eigen projecten, dromen en verlangens.  We kunnen daarbij gebruik maken van alle analyse die we nuttig achten.  Het doel is echter om ons eigen theoretisch en praktisch revolutionair project te creëeren.

De Macht van de Staat

De dag van vandaag is het niet ongewoon om, zelfs in anarchistische kringen, te horen dat de staat omschreven wordt als het loutere slaafje van multinationals, het IMF, de Wereldbank en andere internationale economische instituties.  Volgens dit perspectief is de staat niet zozeer de macht-hebber en macht-arbiter maar slechts een coördinator van deze instituties van sociale controle waardoor corporate economische heersers hun macht handhaven.  Vanuit dit perspectief is het mogelijk om conclusies te trekken die behoorlijk schadelijk zijn voor de ontwikkeling van een anarchistisch revolutionair project.  Indien de staat enkel een politieke structuur die stabiliteit verleent en heden ten dage ten dienste staat van de grote economische machten is, in plaats van een macht an sich met eigen belangen die zich handhaaft door overheersing en repressie, zou de staat democratisch hervormd kunnen worden en een institutionele oppositie kunnen worden tegen de macht van multinationals.  “Het Volk” zou enkel maar een tegenmacht moeten vormen en controle nemen over de staat.  Dergelijk idee lijkt schuil te gaan achter de absurde notie van sommige huidige antikapitalisten dat we de belangen van de natiestaat zouden moeten verdedigen tegen de internationale economische instituties.  Een duidelijker begrip van de staat is noodzakelijk om deze trend tegen te gaan.

De staat zou niet kunnen bestaan indien onze capaciteit om de voorwaarden van ons eigen bestaan als individuen in vrije associatie met elkaar te bepalen ons niet was afgenomen.  Deze ont-eigening is de fundamentele sociale vervreemding die de basis vormt voor alle vormen van overheersing en exploitatie.  Deze vervreemding kan teruggebracht worden tot het ontstaan van de eigendom (ik zeg bewust eigendom en niet privaat eigendom, omdat veel eigendom vanaf het prille begin institutioneel was – dwz. toegeëigend door de staat).  Eigendom kan gedefinieerd worden als de exclusieve claim van bepaalde individuen en instituties over gereedschappen, ruimtes en materialen die noodzakelijk zijn om te leven, en deze daardoor ontoegankelijk maakt voor anderen.  Deze claim wordt afgedwongen door expliciet of impliciet geweld.  De onteigenden zijn niet langer in staat om vrijelijk te nemen wat noodzakelijk is om hun leven vorm te geven.  Om hun bestaan in stand te houden worden ze gedwongen te conformeren aan condities die bepaald worden door de zelfverklaarde eigenaars van eigendom.  Hun bestaan wordt dus een bestaan in verknechting.  De staat is de institutionalisering van dit proces dat de vervreemding van de capaciteit van individuen om de voorwaarden van hun eigen existentie te bepalen, verandert in de accumulatie van macht in handen van een minderheid.

Het is futiel en onnodig te proberen vaststellen of er eerst accumulatie van macht en vervolgens accumulatie van rijkdom was of omgekeerd toen de eigendom en de staat voor het eerst de kop opstaken.  Het is zeker dat beide nu door en door geïntegreerd zijn.  Het lijkt waarschijnlijk dat de staat de eerste institutie was die eigendom accumuleerde om een surplus te creëeren dat onder zijn controle viel.  Dit surplus gaf het zijn reële macht over de sociale condities waaronder zijn onderdanen moesten existeren.  Dit surplus liet de staat toe om de verschillende instituties te ontwikkelen waarmee het zijn macht versterkte: militaire instituties, religieuze/ideologische instituties, bureaucratische instituties, politie-instituties, enz.  De staat kan dus vanaf zijn oorsprong begrepen worden als een kapitalist in zijn eigen recht, met zijn eigen specifieke economische belangen die net dienen om zijn macht over de voorwaarden van het sociale bestaan te handhaven.

Zoals elke kapitalist voorziet de staat een specifieke dienst tegen een prijs.  Meer bepaald voorziet de staat twee integraal gerelateerde diensten: bescherming van eigendom en sociale vrede.  Het biedt bescherming aan privaat eigendom d.m.v. een systeem van wetten die de eigendom definiëren en beperken.  De staat beschikt ook over een gewapende arm waarmee deze wetten afgedwongen worden.  Echt privaat eigendom kan de facto enkel bestaan wanneer er staatsinstituties zijn om het te beschermen tegen diegenen die zonder deze institutionele bescherming gewoon zouden nemen wat ze willen.  Zonder institutionele bescherming is er enkel een conflict van individuele belangen. Stirner omschreef privaat eigendom daarom als een vorm van sociaal of staatseigendom die door unieke mensen geminacht moet worden.  De staat beschermt ook de “commons” tegen piraterij van buitenstaanders en bepaalt wat misbruik door de onderdanen is.  Als de enige beschermer van alle eigendom binnen zijn grenzen – een rol die de staat handhaaft door een geweldsmonopolie – vestigt het een concrete controle over al deze eigendom (relatief natuurlijk ten overstaan van zijn reële capaciteit om deze controle effectief uit te oefenen).  De kostprijs van deze bescherming bestaat niet alleen uit taksen en verschillende vormen van verplicht dienstbetoon, maar ook uit conformiteit aan rollen die noodzakelijk zijn voor het sociale apparaat dat de staat handhaaft en de aanvaarding van, in het beste geval, een vazalverhouding tot de staat.  De staat kan alle eigendom claimen of  kan ten allen tijde elke “common ruimte” insluiten “in het common belang”.  Het bestaan van eigendom vereist een staat om die te beschermen en het bestaan van de staat houdt de eigendom in stand.  De staat handhaaft de eigendom uiteindelijk altijd als staatseigendom, hoe “privaat” het zogezegd ook moge wezen. 

Het impliciete geweld van de wet en het expliciete geweld van leger en politie waarmee de staat de private eigendom beschermt, zijn dezelfde middelen waarmee de staat de sociale vrede bewaart.  Het geweld waarmee mensen onteigend worden van de capaciteit om een leven te creëeren onder hun eigen voorwaarden is niets anders dan een sociale oorlog die elke dag tot uitdrukking komt in de gewoonlijk graduele (maar soms zo snel als een politiekogel) slachtpartij van diegenen die door de sociale orde geëxploiteerd, uitgesloten en gemarginaliseerd worden.  Wanneer mensen die aangevallen worden hun vijand beginnen herkennnen, gaan ze frequent in tegenaanval. 

De taak van de staat om de sociale vrede te bewaren is dus een daad van sociale oorlog van de kant van de regeerders tegen de geregeerden – het is de onderdrukking en preventie van elke dergelijke tegenaaval.  Het geweld van de regeerders tegen de geregeerden is inherent aan de sociale vrede.  Een sociale vrede die louter gebaseerd is op brute kracht is altijd precair.  De staat moet het idee in het hoofd van de mensen planten dat ze een aandeel hebben in het verderbestaan van de staat en de sociale orde die de staat in stand houdt.  In het oude Egypte verkondigde religieuze propaganda bijvoorbeeld dat de heiligheid van de farao de afpersing rechtvaardigde waarmee hij al het graansurplus opeiste en daarmee de bevolking afhankelijk maakte van zijn goodwill in tijden van hongersnood.  Of het kan een subtielere vorm van afpersing aannemen van instituties voor democratische participatie als we willen klagen, maar waarin we allemaal verplicht worden om “de wil van het volk” te aanvaarden als we meedoen.  Achter deze vormen van subtiele of openlijke chantage, zijn er echter altijd wapens, gevangenissen, soldaten en flikken.  Dit is de essentie van de staat en de sociale vrede.  De rest is enkel vernis.

Hoewel de staat gezien kan worden als kapitalistisch (in de zin dat de staat in een dialectisch proces macht accumuleert door surplus eigendom te accumuleren), is het kapitalisme zoals we dat kennen met zijn “private” economische instituties een relatief recente ontwikkeling die gesitueerd kan worden aan het begin van de moderne tijd.  Deze ontwikkeling heeft zeker belangrijke veranderingen in de machtsdynamieken teweeggebracht, aangezien een significant deel van de heersende klassie nu geen rechtstreeks onderdeel is van het staatsapparaat behalve als burgers, net als al diegenen die ze exploiteren.  Deze veranderingen betekenen niet dat de staat onderworpen is aan de verschillende globale economische instituties of dat het perifeer geworden is in het functioneren van de macht.

Als de staat zelf een kapitalist is en eigen economische belangen najaagt en handhaaft, dan is de reden dat het werkt om het kapitalisme in stand te houden niet dat het ondergeschikt gemaakt is aan andere kapitalistische instituties, maar dat het, om zijn macht te behouden, zijn economische macht als kapitalist onder kapitalisten moet behouden.  Bepaalde zwakke staten worden geknecht door globale economische belangen wegens dezelfde reden als kleine bedrijven: omdat ze de kracht niet hebben om hun eigen belangen veilig te stellen.  De grote staten spelen een minstens even belangrijke rol in het bepalen van globaal economisch beleid als de grote corporaties.  Het zijn, de facto, de armen van de staat die dit beleid zullen afdwingen. 

De macht van de staat ligt in zijn legaal en institutioneel monopolie op geweld.  Dit geeft de staat een erg concrete, materiële macht waarvan globale economische instituties afhankelijk zijn.  Instituties als de Wereldbank en het IMF bestaan niet alleen uit gedelegeerden uit alle belangrijke staten in alle beslissingsprocessen, deze instituties zijn ook afhankelijk van de militaire macht van de machtigste staten om hun beleid op te leggen.  Achter economische extortie moet er nog altijd een dreiging van fysiek geweld staan als deze effectief wil zijn.  Omdat de reële macht van het geweld in hun handen rust, zullen machtige staten niet louter gaan functioneren als knechten van globale economische instituties.  In zuiver kapitalistische vorm, is hun relatie er een van wederzijdse afpersing die aanvaard wordt ten voordele van het welzijn van de gehele heersende klasse.

Naast zijn geweldsmonopolie controleert de staat ook vele netwerken en instituties die noodzakelijk zijn voor handel en productie.  Snelwegsystemen, spoorwegnetten, havens, luchthavens, satelliet- en vezelkabelsystemen die noodzakelijk zijn voor communicatie en informatienetwerken worden over het algemeen beheerd door de staat en vallen altijd onder controle van de staat.  Wetenschappelijk en technologisch onderzoek dat noodzakelijk is voor nieuwe ontwikkelingen in de productie is voor het merendeel afhankelijk van staatsuniversiteiten en het leger.

Corporate power is dus afhankelijk van state power om zichzelf in stand te houden.  Het is geen kwestie van de onderwerping van de ene soort macht aan de andere maar het is de ontwikkeling van een integraal machtssysteem dat zichzelf toont als de tweekoppige hydra van kapitaal en staat.  Dit  systeem functioneert als een éénheid om overheersing en exploitatie, de condities die opgelegd worden door de heersende klasse om onze existentie in stand te houden te handhaven.  Binnen deze context kunnen instituties als het IMF en de Wereldbank best verstaan worden als instrumenten waarmee verschillende staten en corporate machten hun activiteiten coördineren om een eenheid in de overheersing over de geëxploiteerde klassen temidden de competitie van economische en politieke belangen te bewaren.  De staat dient deze belangen dus niet, deze instituties dienen eerder de belangen van de machtigste staten en kapitalisten.  

Voor wie de vernietiging van de sociale orde voorstaat, is het dus onmogelijk om de natiestaat uit te spelen tegen de kapitalisten en daar iets bij te winnen.  Hun voornaamste belang, het behoud van de huidige orde, is hetzelfde.  Wat ons betreft is het noodzakelijk om de staat en het kapitalisme met alle macht aan te vallen, en beide te herkennen als de tweekoppige hydra van overheersing en exploitatie die we moeten vernietigen als we ooit onze capaciteit om de voorwaarden van onze eigen existentie te bepalen willen terugnemen.

De kost van het overleven

Alles heeft zijn prijs, van alles wordt de maat genomen als een kwantiteit die bepaald wordt in termen van een algemeen equivalent.  Niets heeft waarde an sich.  Alle waarde wordt bepaald door de relatie tot de markt – de waarde van ons leven en onszelf incluis.  Onze levens zijn opgedeeld in eenheden van gemeten tijd die we verplicht zijn te verkopen om ons overleven terug te kopen in de vorm van stukjes van de gestolen levens van anderen die de productie getransformeerd heeft tot goederen die te koop zijn.  Dat is de economische realiteit.

Deze vreselijke vervreemding is gebaseerd op de integratie van drie van de meest fundamentele instituties van deze samenleving: eigendom, goederenruil en werk.  De integrale relatie tussen deze drie creëert het systeem waarmee de heersende klasse de rijkdom extraheert die noodzakelijk is voor het behoud van hun macht.  Ik heb het over de economie.

De sociale orde van overheersing en exploitatie vindt zijn oorsprong in een fundamentele sociale vervreemding.  De oorsprong ervan is voorwerp van intrigerende speculatie maar de aard ervan is vrij duidelijk.  Het merendeel van de mensen zijn beroofd van hun capaciteit om de condities van hun eigen bestaan te bepalen, om de levens en de relaties te creëeren die ze verlangen, zodat een minderheid aan de top macht en rijkdom kunnen accumuleren en de totaliteit van het sociale bestaan in hun eigen voordeel kunnen ombuigen.

Opdat dit zou kunnen gebeuren, moeten mensen beroofd worden van de middelen waarmee ze in staat waren hun noden, verlangens, dromen en aspiraties te vervullen.  Dit kon enkel gebeuren door het insluiten van bepaalde terreinen en het oppotten van bepaalde zaken zodat ze niet langer toegankelijk waren voor iedereen.  Dergelijke insluitingen en oppottingen zouden betekenisloos zijn als iemand de middelen niet had om te voorkomen dat ze geplunderd werden – een machtsmiddel dat anderen verhindert te nemen wat ze willen zonder toelating te vragen.  Bij een dergelijke accumulatie wordt het noodzakelijk om een beschermingsapparaat te creëren.  Eens dit systeem gevestigd is, laat het een meerderheid in een positie van afhankelijkheid van een minderheid die deze toe-eigening van rijkdom en macht doorgevoerd heeft.  Om toegang te krijgen tot iets van de geaccumuleerde rijkdom, is de meerderheid gedwongen een groot deel van de goederen die ze produceren te ruilen.  Zo moet een deel van de activiteit die oorspronkelijk voor henzelf werd uitgevoerd, voor de heersers uitgevoerd worden, gewoonweg om hun overleven veilig te stellen.  Naarmate de macht van de minderheid groeit, controleren dezen meer en meer grondstoffen en producten van arbeid totdat de activiteit van de geëxploiteerden niets is dan labeur om goederen te creëeren in ruil voor een loon waarmee ze dan dat goed terug kunnen kopen.  De volledige afwikkeling van dit proces is natuurlijk traag, deels omdat het overal stuit op verzet.  Er zijn nog altijd delen van de aarde en delen van het leven die nog niet zijn ingesloten door de staat en de economie.  Het grootste stuk van ons bestaan heeft echter al een prijskaartje opgeplakt gekregen en de kost ervan gaat al tienduizend jaar omhoog. 

Staat en economie zijn dus tegelijk ontstaan als aspecten van de vervreemding die hierboven werd omschreven.  Staat en economie vormen een tweekoppig monster dat een verarmd bestaan oplegt, waarin onze levens getransformeerd zijn in een overlevensstrijd.  Dit is waar in rijke landen en ook in landen die verarmd zijn door kapitalistische expropriatie.  Wat het leven definieert als overleven is noch een schaarste van goederen die verkrijgbaar zijn tegen een prijs, noch het gebrek aan middelen om deze goederen te kopen.  Schaarste is wanneer men gedwongen is zijn/haar leven te verkopen, zijn/haar energie te geven aan een project dat men niet gekozen heeft, maar dat dient om een ander te te verrijken die zegt wat men moet doen.  Dit in ruil voor een magere beloning die iemand in staat stelt een paar noodzakelijkheden en pleziertjes te kopen – dit is enkel overleven, hoe veel dingen iemand ook in staat is te kopen.  Het leven is geen accumulatie van dingen, het is een kwalitatieve verhouding tot de wereld. 

Deze gedwongen verkoop van iemands leven, deze loon-slavernij, reduceert het leven in een goed, in een bestaan dat verdeeld is in meetbare stukken die verkocht worden tegen zoveel per stuk.  Voor wie werkt, wie gechanteerd wordt zijn/haar leven te verkopen zal het loon nooit genoeg lijken.  Hoe zou het ook als wat echt verloren gaat niet zozeer de eenheden tijd zijn maar de kwaliteit van het leven zelf is?  In een wereld waar levens gekocht en verkocht worden in ruil voor overleven, waar de wezens en dingen die de natuurlijke wereld uitmaken gewoon koopbare goederen zijn om geëxploiteerd te worden in de productie van andere goederen, wordt de waarde van dingen en de waarde van het leven zelf een getal, een maat.  Die maat is altijd uitgedrukt in dollars, of peso’s of yens- dwz. in geld.  Geen enkele hoeveelheid geld en geen enkele hoeveelheid goederen die met geld gekocht kunnen worden, kan echter compenseren voor de leegte van dergelijk bestaan.  Dit soort waardering kan enkel bestaan door de kwaliteit, de energie en de verwondering uit het leven te zuigen.

De strijd tegen de heerschappij van de economie – die hand in hand moet gaan met de strijd tegen de staat – moet beginnen met een weigering van deze kwantificering van het bestaan die enkel kan bestaan wanneer onze levens ons gestolen worden.  Het is de strijd om de instituties van eigendom, goederenruil, en werk te vernietigen – niet om mensen afhankelijk te maken van nieuwe instituties waarin het rijk van het overleven een nieuw en menslievender gezicht aanneemt maar zodat we allemaal onze levens kunnen reappropriëren als de onze en onze noden, verlangens, dromen en aspiraties in al hun onmeetbare singulariteit kunnen volgen.

Van proletariër tot individu; naar een anarchistisch begrip van klasse

De sociale relaties van klasse en exploitatie zijn niet eenvoudig.  Ouvriëristische concepties die gebaseerd zijn op een objectief revolutionaire klasse die gedefinieerd is in termen van zijn relatie tot de productiemiddelen, negeren de wereldwijde mensenmassa wiens leven gestolen wordt door de huidige sociale orde maar die geen plaats vinden binnen het productieve apparaat ervan.  Deze concepties bieden bijgevolg een eng en simplistisch begrip van exploitatie en revolutionaire transformatie.  Om een revolutionaire strijd te voeren tegen exploitatie, moeten we een begrip van klasse ontwikkelen zoals dat in werkelijkheid bestaat zonder enige garanties te zoeken.

In een meest elementaire betekenis is een klassemaatschappij een maatschappij waarin heersers en overheersten, exploiterenden en geëxploiteerden bestaan.  Dergelijke sociale orde kan enkel ontstaan wanneer mensen hun capaciteit verliezen om de condities van hun eigen existentie te bepalen.  De essentiële eigenschap die door de geëxploiteerden gedeeld wordt, is hun situatie van onteigening, hun verlies van de mogelijkheid om de basisbeslissingen over hoe te leven te maken en uit te voeren. 

De heersende klasse wordt gedefinieerd in termen van zijn eigen project van accumulatie van macht en rijkdom.  Binnen de heersende klasse bestaan er zeker significante conflicten in termen van specifieke belangen en er bestaat een reële competitie voor controle over resources en territorium.  Toch geeft het overkoepelende project om de sociale rijkdom en macht te controleren, en dus de levens en relaties van elk levend wezen te controleren, deze klasse een eengemaakt positief project. 

De geëxploiteerde klasse beschikt niet over dergelijk welbepaald positief project.  Deze wordt veleer bepaald in termen van wat het aangedaan wordt en wat het afgenomen wordt.  Omdat het ontworteld is uit de levenswijzen die het gekend heeft en met gelijken heeft vormgegeven, is de enige gemeenschap die de mensen die deze heterogene klasse uitmaken over hebben de gemeenschap die wordt voorzien door kapitaal en staat – de gemeenschap van het werk en goederenruil.  Deze gemeenschap kan gedecoreerd worden met om het even welke nationalistische, religieuze, etnische, raciale of subculturele ideologische constructies waarmee de heersende klasse identiteiten creëert waarin individualiteit en revolte gekanaliseerd worden.  Het concept van een positieve proletarische identiteit, van een enkelvoudig, positief proletarisch project heeft geen basis in de realiteit aangezien wat iemand definieert als proletarisch is precies dat zijn/haar leven hem/haar ontstolen is, dat hij/zij getransformeerd is in een pion in de projecten van de heersers.

De ouvriëristische opvatting van het proletarische project vindt zijn oorsprong in de Europese en Amerikaanse revolutionaire theorieën (in het bijzonder bepaalde marxistische en syndicalistische theorieën).  Tegen het einde van de 19e eeuw waren zowel West-Europa en het Oosten van de VS zich grondig aan het industrialiseren en in de heersende vooruitgangsideologie stond technologische vooruitgang gelijk aan sociale bevrijding.  Deze ideologie kwam duidelijk tot uitdrukking in de revolutionaire theorie als het idee dat de industriële werkende klasse objectief revolutionair was.  Deze klasse verkeerde immers in de positie om de productiemiddelen die ontwikkeld waren onder het kapitalisme over te nemen (en die, als producten van vooruitgang, als inherent bevrijdend gezien werden) en deze ten dienste te stellen van de menselijke gemeenschap.  Door het grootste deel van de wereld te negeren (alsook een groot deel van de geëxploiteerden in de geïndustrialiseerde delen van de wereld) waren de revolutionaire theoretici in staat om voor het proletariaat een positief project, een objectieve historische missie uit te vinden.  Dat deze missie gebaseerd was op een burgerlijke vooruitgangsideologie werd genegeerd.  In mijn opinie hadden de luddieten een veel klaardere kijk door te herkennen dat het industrialisme nog een gereedschap van de meester was om hen te onteigenen.  Met goede reden vielen ze de massaproductiemachines aan. 

Het onteigeningsproces is in het Westen al lang voltooid (hoewel het een proces dat ten allen tijde aan de gang is, zelfs hier) maar in grote delen van het Zuiden is het nog altijd in een pril stadium.  Sinds dit proces in het Westen werd opgestart, hebben er zich een aantal significante veranderingen voorgedaan in het functioneren van het productieve apparaat.  Geschoolde fabrieksarbeid is voor het grootste stuk verdwenen.  Wat van de werker gevraagd wordt is flexibiliteit, de capaciteit om zich aan te passen – maw, de capaciteit om een vervangbaar radertje in de kapitaalmachine te zijn.  Bovendien is er een tendens dat fabrieken veel minder werkers nodig te hebben om de productieve processen uit te voeren.  Dit heeft te maken met ontwikkelingen in technologie en managementtechnieken die een veel gedecentraliseerder productieproces mogelijk maken. Het soort werk dat vereist is in fabrieken bestaat bovendien vooral in het monitoren en onderhouden van machines

Op een praktisch niveau betekent dit dat we als individuen allemaal wegwerpbaar zijn voor het productieproces, omdat we allemaal vervangbaar zijn – dat prachtige kapitalistische egalitarisme waarbinnen we allemaal gelijk zijn aan nul.  In de eerste wereld heeft dit het effect gehad om meer en meer geëxploiteerden in meer en meer precaire posities te plaatsen: dagarbeid, tijdelijke werk, dienstensectorjobs, chronische werkloosheid, de zwarte markt en andere vormen van illegaliteit, dakloosheid en de gevangenis.  De vaste job met de garantie van iets wat op een stabiel leven lijkt – zelfs als iemands leven niet van hem/haar is – maakt plaats voor een gebrek aan garanties waar de illusies die geleverd worden door een redelijk comfortabel consumentisme niet langer kunnen verbergen dat het leven onder het kapitalisme altijd geleefd wordt op de rand van de katastrofe. 

In de derde wereld ondervinden mensen die hun eigen bestaan, al was het maar een moeilijk bestaan, konden vormgeven, dat hun land en hun andere bestaansmiddelen van onder hun voeten wordt geschoffeld wanneer de machines van het kapitaal vrij letterlijk hun huizen binnendringen en elke mogelijkheid om te blijven leven van hun eigen activiteiten aanvreten.  Uit hun levens en land verjaagd, zijn ze gedwongen om naar de stad te verhuizen waar er voor hen weinig werk is.  Rond steden verrijzen sloppenwijken, vaak met een bevolking die hoger is dan die van de stad zelf.  Zonder enige mogelijkheid tot vast werk, zijn de inwoners van deze sloppenwijken gedwongen een zwarte economie te vormen om te overleven.  Maar ook dit dient nog altijd de belangen van kapitaal.  Anderen kiezen uit wanhoop voor emigratie en riskeren opsluiting in vluchtelingkampen en centra voor mensen zonder papieren, in de hoop hun condities te verbeteren. 

Naast onteigening zijn precariteit en vervangbaarheid meer en meer de gedeelde kenmerken van hen die wereldwijd de geëxploiteerde klasse uitmaken.  Anerzijds betekent dit dat deze goederenbeschaving een klasse barbaren in haar midden creëert die echt niets te verliezen hebben om deze omver te werpen (en niet in de zin van de oude ouvriëristische ideologen).  Toch vormen deze kenmerken an sich geen basis voor een positief project van een transformatie van het leven.  De woede die de ellendige levenscondities van deze samenleving uitlokt, kan gemakkelijk gekanaliseerd worden in projecten die de heersende klasse of minstens het specifieke belang van één of andere heerser dienen.  De afgelopen decennia waren er ontelbare gevallen waarin de woede van de geëxploiteerden gekanaliseerd werd in nationalistische, racistische of religieuze projecten die enkele dienen om de overheersing te versterken.  De mogelijkheid van het einde van de huidige sociale orde is even groot als die altijd is geweest, maar het geloof in de onvermijdelijkheid ervan kan niet langer beweren een objectieve basis te hebben.

Om het revolutionaire project goed te begrijpen en te beginnen uitvissen hoe het uit te voeren (en een analyse te ontwikkelen hoe de heersende klasse er in slaagt om de woede van de geëxploiteerden voor zijn eigen projecten om te zetten), moeten we ons realiseren dat exploitatie niet enkel plaatsvindt in termen van de productie van rijkdom maar ook in de reproductie van sociale relaties.  Los van de positie van enige particuliere proletariër in het productieapparaat, heeft de heersende klasse er alle belang bij dat iedereen een rol heeft, een sociale identiteit die in functie staat van de reproductie van sociale relaties.  Ras, gender, etniciteit, religie, seksuele voorkeur, subcultuur – kunnen inderdaad reële en significante verschillen reflecteren.  Identiteiten zijn echter allemaal sociale constructies om deze verschillen te kanaliseren in rollen die nuttig zijn voor het behoud van de huidige sociale orde.  In de meest geavanceerde zones van  de huidige maatschappij waar de markt de meeste relaties definieert, worden identiteiten merendeels gedefinieerd in termen van de goederen die deze identiteiten symboliseren.  Zoals bij economische productie wordt inwisselbaarheid in sociale reproducties de orde van de dag.  En het is precies omdat identiteit een sociaal construct en meer en meer een verkoopbaar goed is dat het door revolutionairen serieus genomen moet worden.  Identiteit moet door revolutionairen zorgvuldig in zijn complexiteit geanalyseerd worden, met als uitgelezen doel deze categorieën te overstijgen tot het punt dat onze verschillen (inclusief de verschillen die deze samenleving zou willen definiëren in termen van ras, gender, etniciteit, etc.) de reflectie zijn van elk van ons als bijzondere individuen. 

Omdat er geen gemeenschappelijk positief project bestaat in onze conditie als proletariërs – als geëxploiteerden en onteigenden – moet ons project de strijd zijn om onze proletarische conditie te vernietigen en een eind te maken aan onze onteigening.  De essentie van wat we verloren hebben is niet controle over de productie of de materiële rijkdom.  Het zijn onze levens zelf, onze capaciteit om ons bestaan vorm te geven in termen van onze noden en verlangens.  Zodus vindt onze strijd overal en altijd een slagveld.  Het is ons doel alles wat onze levens van ons scheidt: kapitaal, de staat, het industriële en post-industriële technologische apparaat, werk, offer, ideologie, elke organisatie die onze strijd probeert te usurperen, m.a.w. alle systemen van controle, te vernietigen.

Deze strijd moet op de enige mogelijke manier gevoerd worden – buiten en tegen alle formaliteit en institutionalisering in – , dan beginnen we nieuwe vormen van relaties te ontwikkelen die gebaseerd zijn op zelforganisatie, een gemeenschappelijkheid die gebaseerd is op de unieke verschillen die elk van ons definiëren als individuen wier vrijheid groeit naarmate de vrijheid van anderen groeit.  In de revolte tegen onze proletarische conditie vinden we dat gedeelde positieve project dat voor elk van ons verschillend is: de collectieve strijd voor individuele realisatie.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!