Wegrestaurant

Wegrestaurant

maandag 1 juni 2015 14:15

Intermezzo bij
het najagen van de Amerikaanse droom in fermetteformaat.

 “Het leven staat nooit stil!”

“Verwen de mama’s!”

“Profiteer nu!”

And last but not least:

“… onder de schelpen schuilt een
smakelijk en rijkelijk vlees! “

Ik leg het reclamefoldertje neer, neem een slok van mijn bier
en vraag me af wie dit soort clichématige onzin het leven schenkt.
Waarschijnlijk één of andere gefrustreerde twintiger, nog geen half jaar
afgestudeerd en dus veel te bescheten om eervol af te zien en verder te duiken
naar een job met inhoud. Blijven hangen dus, in middelmatigheid en de pil
vergulden met kleffe zekerheden. Het stuk over de schelpen smaakt trouwens niet
overtuigend. Want de auteur van deze flard persuasief proza heeft waarschijnlijk
nog maar weinig schelpjes geopend. Bestaat zijn notie van smakelijk en
rijkelijk vlees enkel uit barbecue à volonté en schaamteloze porno?!

Vreemde hersenkronkels tijdens een saaie vooravond hier in
het wegrestaurant. De steenweg vlakbij kabbelt loom verder, als een soort van
betonnen rivier.

Het anker uitgeworpen en aangelegd aan deze oever. Met een
scala aan reclameborden in plaats van palmbomen. Gehaaste vrouwen in
trainingsbroeken in plaats van bevallige deernen met strooien rokjes. En
ondergetekende in plaats van een gestaalde conquistador.

Sweet banality … will you ever cease to amaze me?

Het begon allemaal een paar uur voordien, met de regionale
VDAB-jobbeurs.

Als werkzoekende was ik slechts per mail verzocht ernaar toe
te gaan maar als experimenteel journalist had ik de professionele plicht dit
non-event creatief te coveren. De wijze waarop liet ik wijd open voor
interpretatie want zoals steeds had ik het vage plan mijn gevoel te volgen en niet
in de val van de objectieve verslaggeving te trappen. De gedachten vastleggen,
dat is de inhoud. Het onderwerp is alleen vorm. Objectiviteit is een mythe.

Het kostte me drie kwartier langer dan verwacht om ter
plaatse te geraken en de grijze, van onweersbuien zwangere lucht maakte de
sfeer er niet gezelliger op. Bumper tegen bumper. Hier en daar opgestoken
middenvingers en venijnig claxonneren. De stadsring leek op een laatste
ontsnappingsroute, weg van een fataal en evenzeer magisch moment waarop heel
het bestaan zou veranderen in een schilderij van Jeroen Bosch. Op momenten als
deze associeer ik het begrip “auto” meer met een doodskist dan met vrijheid.

Nadat ik eindelijk parking had gevonden, bleek het hele ding
een Fata Morgana, het is te zeggen: het gebouw was er, het adres klopte maar
alle deuren waren potdicht. Geen jobbeurs, maar wel iets dat leek op een
verhaal.[1]

Mijn zin voor analyse begon het terug over te nemen van de
fantasie. Dat was duidelijk te merken aan het feit dat ik om uitleg vroeg aan
een vriendelijke huisvrouw van pakweg 60 jaar in plaats van aan een ei met
vleugeltjes.

Maar Mariette of Lizette of whatever wist het ook niet. En de
deuren bleven dicht. Ik was in een stad waar ik niets anders kon vinden dan
dezelfde goede en slechte dingen die er in mijn thuisstad onder de stenen lagen,
dus het nut en de zin om er langer te blijven verdwenen geruisloos.

Fuck it, de baan op en onderweg eten zoeken. Rest and
regroup. Bijtanken, de zinloosheid van heel deze onderneming vergeten. Rustig
in een hoekje wegkruipen met de krant, een slaatje en een bord friet.

Veel gezinnen hier. Volle tafels, rijkelijk gevulde borden,
het gesnater van tienermeisjes en het monotoon hoesten van dames op leeftijd. Ik
bekijk een tweetal jongens die opgewonden voorbijlopen, met een frisco in hun
handen en denk terug aan mijn eigen kinderjaren. Toen een wegrestaurant gewoon
een wegrestaurant was een geen onophoudelijke stortvloed van ideeën, opinies en
mise-en-scène.

Iets dichterbij snauwt een vader met propvolle mond zijn
kleuterzoon toe:

Zit en zwijg!

Vroeger leerden we onze kinderen hoe ze met pijl en boog een
mammoet dienden om te leggen, nu zijn de levensnoodzakelijke vaardigheden blijkbaar
gedownsized tot zitten en zwijgen. Had Jean-Jacques Rousseau dan toch gelijk?[2]
Het kind kan dan voor mijn part binnen 20 jaar ook debiele reclameslogans
schrijven.

Ik probeer de krantenkoppen te lezen maar een gedachte snauwt
mijn concentratie toe:

Wat is, naast de
noodzaak aan redelijk geprijsd voedsel, een bindmiddel voor deze quasi
Breugheliaanse massa?

Het idee dat iedereen die werkt het kan maken, geloof ik dan.
Dat iedereen, met of zonder frisco, de hoofdprijs kan winnen. Als je maar een
lotje koopt. Dat dikwijls betaald wordt met ons dierbaarste kapitaal: onschuld.

De Amerikaanse droom, indertijd meegereisd via kauwgum en
nylonkousen is in zijn land van herkomst misschien op sterven na dood maar
hier, in dit compromis van een land, bloeit hij open als nooit tevoren.

Critici van de Amerikaanse droom, stellen dat er een
keerzijde is aan dit ideaal. Deze keerzijde is dat iemand die niet succesvol
is, of arm, geacht wordt dit aan zichzelf te wijten te hebben. Deze critici
zijn ‘Slechte Vlamingen’. Want … stilstaan is achteruitgaan en herinner de
reclameslogan:

“Het leven staat nooit
stil!”

Behalve hier dan, in het wegrestaurant, waar de
erzatsvrijheid genaamd ‘weekend’ haar vleugels uitspreidt. Althans voor de
rasechten. Want een werkzoekende, die heeft geen weekend. De jacht naar werk gaat
verder….

Alsook de journalist zijn jacht naar het kille, bonkende hart
van de Amerikaanse droom in fermetteformaat: de Vlaamse droom. De
maatschappelijke idealisering van het platteland na de Tweede Wereldoorlog,
overgoten met nostalgie, rijstpap, vinkenzetting en eindeloze bouwgronden. Zodanig
gul overgoten zelfs dat je soms nog moeilijk het leven proeft …

Bij wijze van dessert koffie halen en een praatje slaan met
de nieuwe kassière.

‘Vind je de chocomousse
hier zelf lekker?’

‘Goh, vandaag niet. Hij
is nogal euh … plat.’

Haar prachtig gemanicuurde nagels glijden delicaat over het touch
screen van de kassa.

‘Je studeert nog
zeker?’
Ze glimlacht
en knikt.

‘Journalistiek, ik werk
hier in’t weekend. Hmm, jij weet trouwens wat lekker is!’

Ze lonkt even naar mijn alternatief voor de platte
chocomousse: een massief stuk chocolade taart.

‘Tuurlijk weet ik dat.’ Ik knipoog. Zij bloost.

‘Kijk meisje, blijf
even eerlijk over wat je schrijft als over die chocomousse, OK?’

‘Zekers! Het beste nog!

Ze gedraagt zichzelf quasi authentiek maar in haar ogen kan
ik lezen dat ze niet begrijpt waarover dit gesprek gaat. Of juist wel maar dan
op een bevooroordeelde manier… Onze golflengtes liggen mijlenver uit elkaar.
Maar what the hell, Ik heb chocoladetaart en het vooruitzicht op een
kalme,  deugddoende avond onder vrienden.

In het schemerduister opnieuwde baan op, in het gezelschap van een besef: Ook zonder VDAB,
droom of werk … ik blijf sterk.  © P.
Quack 2015

[1]
Toen nauwelijks, maar nu hoe langer hoe meer !

[2] La nature a fait l’homme heureux et
bon, mais la société le déprave et le rend misérable.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!