Weer een zieltje gered

Weer een zieltje gered

maandag 12 oktober 2015 18:16

Heel regelmatig trekken mijn hond Fellow en ik er in de morgen op uit, weg van het drukke stadsgedoe, te voet naar groenere oorden en schaars geworden stilte en zuivere lucht. Dan passeren wij op de rand van de bebouwde kom sinds een klein jaar een cool uitziend huis. Goot pand, grote ramen, grote tuin, mooie ligging. Wij hebben het bouwwerk steen voor steen zien maken. Wij zijn dan getuige geweest hoe de bewoners een house warming party hielden met wel 60 genodigden. Dat was niet moeilijk want het huis leek wel een aquarium, geen gordijnen te bespeuren. Sinds enkele weken hadden Fellow en ik gemerkt dat er achter in de tuin, keurig in zijn eigen zone met manshoge groene gaasafrastering, betonvloertje en houten modelhok voorzien, een jonge hond was gekomen. Het diertje, wellicht een Nova Scotia retriever, mooi rosbruin met een witte vlek op de borst, zat er telkens wij langs kwamen doodstil als een standbeeldje, moederziel alleen. Vanmorgen ander scenario. De eigenaar is er, hij doet een klusje aan het terras. Het jonge hondje… loopt dit keer vrij! Het gebruikt die kans, en hoe! Als een dol wezentje rent het op het raster af naar ons toe. Zonder een geluidje te slaken (is hij bang van zijn baas zich te spontaan te gedragen?), is hij in alle staten. Het diertje kwispelt tegen honderd per uur, schurkt zich fel op en neer tegen de draad om toch maar huidcontact te kunnen maken met Fellow. Het schattige jonge beestje wringt zich in alle mogelijke bochten, vol van verlangen. Het Leven in een vrolijke noodsituatie… Ik streel even het snuitje, voor zover dat mogelijk is door de mazen. Fellow snuffelt snuit tegen snuit, hij is open naar andere honden. Gesterkt door de debatten en ontmoetingen die het weekeinde heeft bracht, besluit ik mijn inzicht in de situatie op een directe manier verbaal te uiten. Baat het niet, dan schaadt het niet. Ik breng oogcontact met de vader des huizes tot stand en roep hem toe: “Uw hond heeft duidelijk aan van alles een groot tekort!” De man komt rustig op ons af. Ik wacht tot hij bij ons is. “Dag. Ik heb uw hondje hier al vaak alleen zien zitten.” voeg ik toe. “Ja, overdag” zegt de man, een vijftiger met ringbaardje en bril en donker haar. Er klinkt een soort vrolijke, zelfs wat trotse matter of fact toon door in zijn stem, een zachte glimlach siert zijn verstandige, goed verzorgde gezicht. Hij lijkt te suggereren “Zoals elk normaal mens werk ik in de kantooruren.” – “Ik ga er mee naar de Hondenschool” klinkt het dan op even zelfvoldane als naïeve toon. Als ondertoon, onderliggende betekenis van de woorden hoor ik: “Wij hechten belang aan het welzijn van ons dier, want wij besteden er geld aan, zoeken er deskundigen mee op! Wat zijn wij toch modelburgers meneer.” Even hoor ik Randy Newman zingen “My life… is good!”. Mijn tong is los van riem gesneden deze morgen en ik lanceer meteen mijn doordachte antwoord als ervaringsdeskundige. Vanuit compassie en diepe, ingehouden verontwaardiging. Mijn schitterend gezonde, mooie, blije en vriendelijke hond geeft op passieve, woordeloze manier extra gewicht aan mijn woorden:

“Ja, en binnenkort kunt u er mee naar de Hondenpsychiater! Als hij nog veel alleen zit.”

“Denkt u?” vraagt de man, nu toch enigszins uit zijn comfort en rust verdreven. “Natuurlijk!” zeg ik, en ik draai met Fellow weg van deze trieste scène, op pad naar betere oorden. Wij hopen dat het diertje het lot van geestesziek wezentje bespaard zal blijven. Soms hebben mensen maar een Woord nodig, om een betere Weg op te gaan.

Hoe verbijsterd ben ik diep vanbinnen echter alweer! Hoe is het in godsnaam mogelijk? Hoe kunnen medemensen op die manier omgaan met jonge wezens? Het gaat mij hier niet alleen om honden, maar veel meer om de warmbloedige, sociale superzoogdieren die mensenkinderen zijn. De wachtlijsten in de kinderpsychiatrie in dit land zijn nooit helemaal uit mijn gedachten, zondag, weekdag, werkdag of vakantie. Wellicht komt het doordat ik zelf een ouderfiguur heb gehad voor wie niets of niets zou in de weg komen van haar ideaal en heilige doel haar beide kinderen een goede opvoeding te geven. Zij was in de jaren vijftig voor ik geboren werd professioneel actief geweest als opvoedster. Moeder werkte van Helsinki en Savonlinna tot Athene en in de Wiltshire downs als “gouvernante”. Zoals Mary Poppins, de toverachtige en innemende gouvernante in London,  in de zalige gelijknamige Disneyfilm van midden jaren zestig, voedde zij enkele jaren kinderen van zeer begoede families op. In eigen land deed zij dat voor een adellijke familie in het Antwerpse op het kasteel de la Faille. Broer en ik hebben nooit aandacht, warmte of interesse tekort gekomen. Moeders waren in die tijd wel vaker “offervaardig”. Zonder luxe kan een kind heel goed opgroeien. Onze vragen kregen letterlijk altijd een doordacht antwoord. Wij konden een sterke en veilige hechting realiseren. Als volwassenen blijkt voor Patrick en mijzelf echter steeds weer hoe wij Witte Raven lijken op dat vlak. Nu geef ik mijn hond een zelfde soort toewijding, warme nabijheid, het beste voedsel en volle zorg. Hij trekt zonder overdrijven dagelijks de verwonderde, geboeide, vertederde, enthousiaste aandacht van tien tot twintig passanten op de wandelpaden, in eethuizen, op de bus en de trein. Hele volksstammen hebben in de vijf jaar en half dat hij bij mij is, hun hart al aan het zijne opgewarmd. Mensen halen hem aan, strelen en knuffelen het lieve dier. Zij laten zich benaderen en soms zelfs likken door de veroveraar van harten. De gespannen stilte die veelal in de wagons hangt als wij er toe komen, smelt telkens snel als sneeuw wanneer Fellow met mij opduikt. Wat is dat toch met dit land? Met deze bevolking? Ik moet het bekennen, geregeld bekruipt mij de lichtjes goddeloze gedachte: “Ik kan maar beter niet weggaan, nooit op buitenlandse vakantie vertrekken. Want My people needs me…”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!