Wat te denken over de visie op het leven van de jager? En van de dierenrechten filosofen?

Wat te denken over de visie op het leven van de jager? En van de dierenrechten filosofen?

woensdag 19 december 2018 13:33

De reportage “Kogels voor de zwijnen. Moet het everzwijn zo nodig dood?” in Zeno (De Morgen) van 15 december is een interessant stukje dat de zeer diverse meningen aan bod laat komen die over de jager en zijn passionele, semiprofessionele hobby gangbaar zijn. Als docent jacht deontologie verbonden aan het Instituut voor de Jachtopleiding heb ik langere tijd grondig nagedacht over de voorwaarden waaraan de jager moet voldoen om eerbaar en zonder schuld zijn ding te doen. De rechtgeaarde jager zal nooit de populatie van een wildsoort in gevaar brengen, dat benadrukt jager J. Broecks die het interview gaf terecht. En er is meer. Jagers die naam waardig hebben beslist een groot hart voor de natuur en het wild, en dat merk je. Zij zullen zorg dragen voor de habitat en ook voor de dieren. Bijvoorbeeld door struiken aan te planten die het wild dekking geven, water aan te bieden aan patrijzen tijdens droge zomerweken, of voer aan te dragen voor herten en hazen als er sneeuw ligt.

De jager staat letterlijk en figuurlijk veel dichter bij de dieren dan bepaalde critici, waaronder de filosofen die aan bod komen. Bepaalde gedachten oefeningen van de filosofen die door journaliste Mulders zijn geraadpleegd, Johan Braeckman en Stijn Bruers, zullen o.i. meer lezers dan alleen jagers hebben doen fronsen. Zoals je ‘symboolblind’ kan zijn, en dan bijvoorbeeld moeilijk zal begrijpen hoe belangrijk en nuttig de rol van een koningshuis kan zijn, bijvoorbeeld door mensen op moeilijke momenten met aanwezigheid en aandacht een hart onder de riem te steken, lijken sommige redeneringen in het domein van ‘dierenrechten’ op het randje af symptomen van een bepaalde geestelijke armoede of blindheid.

De redeneringen die ik in De Morgen heb gelezen hebben iets levensvreemd, het zijn een soort hersenspinsels, merkbaar geboren in de studeerkamer. De vergelijkingen die met name Stijn Bruers graag maakt doen mij gruwen, zoals het in gedachten afschieten van kleuters (in het stukje) of het jagen op Afrikanen uit de Sub Sahara (in een eerder schriftelijk tussen hem en mij gevoerd debat).

 

Filosoof Herman De Dijn heeft er in zijn werken over bio-ethiek overtuigend op gewezen dat voor de meeste mensen de grens tussen dier en mens belangrijk blijft: kinderen en ouderen behoren tot onze mensengemeenschap, wilde zwijnen niet.

 

Sommige (stads)mensen begrijpen overigens niet dadelijk waarom de jager het geschoten wild respectvol in een tableau uitlegt, en de diverse soorten een laatste eerbetoon biedt op de jachthoorn. Dat is nochtans typisch hoogstaand menselijk gedrag, dat raakt aan de wens van de meeste mensen dat ook na de dood hun lichaam niet eender hoe zal worden behandeld. Toen ik actieve jager was, genoot ik van het waarnemen van de reeën, herten en everzwijnen, die fascinerende creaturen waarvan Braeckman terecht opmerkt “juist dat wilde, ongetemde maakt het dier zo bijzonder”.

 

Die wilde wezens nabij te zijn te midden van een ongerepte omgeving, is voor veel jagers een “natuurtherapie”, te vergelijken met het Shinrin Yoku, het Bosbad.

 

Dàt is de dimensie die de grote betekenis van de jacht vandaag kan verhelderen. Op die manier hebben wij nog steeds het jagen “nodig om te leven”, zoals de prehistorische mens het vlees nodig had. Bovendien trof ik in jagerskringen een bijzonder vriendelijk sociale omgang, een broederlijke én waardige sfeer. Die menselijkheid biedt een medicijn tegen de vervreemding en de eenzaamheid.

 

Leve de natuurverbonden menselijkheid en het dito mensbeeld van de jager

Met deze in de ervaring gewortelde bedenkingen hoop ik wat licht te brengen in de kwestie, en inchoatief aan te tonen dat het maken van bepaalde ‘denkfouten’ niet alleen bij ‘gewone mensen’ maar ook bij professionele filosofen voorkomt. Geef mij dan maar het denken en het aanvoelen van de jager, dat rijpte op sterke plekken. Zoals de woonkamer waar de jachthond bij de haard ligt, de keuken waar het wildbraad wordt klaargemaakt en in het stille woud, de bergen of de velden. De jager kent de wetten die daar heersen, de juridische én die van de natuur, en hij voelt ze aan tot in de vingertoppen. In de meeste gevallen handelt de bonafide jager  naar die wetten, vanuit een positieve geest. Hij weet immers dat hij zichzelf een dienst bewijst, door zich te laven aan avontuur en ontmoeting, aan stilte en ruimte. Hij is tevreden en positief gestemd, omdat hij op die manier de innerlijke rust weet uit te diepen. Bovendien doet hij vanuit gediplomeerde vakbekwaamheid aan maatschappelijke dienstverlening door het beheren van de dierpopulaties. De jager verdient maatschappelijke erkenning, respect en zelfs sympathie.

Stef Hublou

Gewezen docent jachtethiek verbonden aan het IJO

Voormalig redacteur van Jagen Magazine en De Vlaamse Jager

Gewezen Genodigde op de Koninklijke Jachten van Hertogenwald

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!