Wat is een ‘belangrijke’ taal? Kritiek op een eenzijdig ‘hogere-klasse’ perspectief.

Wat is een ‘belangrijke’ taal? Kritiek op een eenzijdig ‘hogere-klasse’ perspectief.

zondag 12 juni 2011 09:04

In vorige berichten bij het talenbeleid van minister Smet, naar aanleiding van de stopzetting van het meertalig OETC onderwijs te Brussel, hadden we het (1) over taal en al of niet goed begrepen globalisering en (2) over afwijzing van moedertaal als anti-Vlaams beleid te Brussel.

Vandaag staan we even stil bij de notie ‘belangrijke taal’. Wanneer en voor wie is een taal belangrijk? En zijn er argumenten om het aantal ‘belangrijke talen’ niet in te krimpen?  Volgende week willen we dan nog aanvullend nadenken over ‘talenbeleid en etno-sociale stratificatie’. Omdat we ervan uitgaan dat rond die tijd dan ook de talennota van minister Smet effectief het daglicht zal mogen zien, zal de tijd dan ook rijp zijn voor een constructieve lezing ervan in één beargumenteerd commentaar.

Sommige lezers zullen zich misschien afvragen waarom ik me zo in dit onderwerp vastbijt? Het antwoord is vrij eenvoudig: 30 jaar lang heb ik er, gelet op de meertalige projecten van Foyer, heel vaak over nagedacht, niet alleen vanuit de literatuur, maar vooral naar aanleiding van wat ik zag gebeuren op het terrein te Brussel. Een ministeriële talennota is een belangrijke zaak.

Ik vind niet dat zo maar met een vingerknip, zonder veel voorafgaand debat, over de toekomst van een generatie jongeren kan beslist worden. Daarom probeer ik dan maar zelf om dit debat aan te zwengelen, al geef ik toe dat er een bijzonder ‘bias’ meespeelt in wat ik schrijf, namelijk de Brusselse situatie en de positie daarbij van het Nederlands.

Laten we, bij een reflectie over het belangrijk zijn van talen, starten met een recent citaat van onze onderwijsminister in Brusselnieuws (8 juni 2011): “Over de Talennota kan ik nog niets concreets zeggen, want daarover is nog niets beslist. Wat wel zeker is: de kennis van het Nederlands zal er primordiaal in zijn. Daarnaast is een stevige kennis van het Frans en Engels nodig. En dan kunnen er eventueel nog andere talen bijkomen.” (Let op wat er staat: “ik kan nog niets concreets zeggen, want daarover is nog niets beslist”; of nog: eerst wordt beslist, dan kan gediscussieerd worden… Ik had het liever omgekeerd gezien.).

De boodschap is echter nu al dat Frans en Engels meer dan andere talen maatschappelijk belangrijke talen zijn in de ogen van de minister. Let wel: dit is een achtenswaardig standpunt. Ik denk inderdaad dat dit voor veel mensen, zo niet wellicht een meerderheid van mensen het geval is. Maar niettemin stel ik voor om hierbij enkele kanttekeningen te plaatsen.

Een eerste kanttekening betreft het hogere-klasse perspectief dat onze minister hierbij blijkt te handhaven. Ook ik heb al verdienstelijke intellectuelen, zoals professor Van Parijs en andere collega’s, de kennis van het Engels horen bejubelen. “Zonder Engels kom je nergens meer…”. Dit klopt, voor hen! Maar daarom niet voor iedereen! Voor sommigen is Engels zelfs absoluut niet nodig.

Concreet: ik ben zelf echt voldoende academicus om te weten dat ik naar geen enkel internationaal congres kan gaan, of geen enkel ernstig wetenschappelijk artikel kan publiceren, tenzij in het Engels. Binnen afzienbare tijd zullen alle cursussen op Master niveau aan onze Vlaamse universiteiten in het Engels gedoceerd worden, mijns inziens overigens terecht. En Engels is een ‘oprukkende’ taal in Brussel. Ik ben dus niet zo gek om de kennis van het Engels voor sommige jongeren vandaag niet naar waarde te willen schatten.

Niettemin wil ik twee andere citaten voorleggen. Een eerste komt van een zekere Salvatore Fascianella, een voormalige eenvoudige Siciliaanse gastarbeider die zich tot een van de grote ceramiek ondernemers opgewerkt heeft in het Brusselse (met bedrijfswinkel nu in Vilvoorde). Fascianella: ”Er wordt nodeloos veel geld vergooid aan domme zaken. Terwijl de kraan dichtgaat voor onderwijsprojecten voor immigranten. Dat is volledig verkeerd. Zelf plaatste ik m’n kinderen bewust in zo’n OETC-project in een Nederlandstalige school. Ik was er nochtans toevallig op gevallen, via een kleine advertentie in de (Franstalige) Vlan notabene. Nederlands èn Italiaans leren, het was en is een sterke combinatie.” (zie www.foyer.be) .

Het bedrijf van Fascianella heeft zich gespecialiseerd in Italiaanse en mediterrane ceramiek en in import van andere Italiaanse producten. Zijn bicultureel opgevoede kinderen verzorgen het management vandaag. Wat ze nodig hebben, is niet Engels, maar Italiaans, Nederlands en Frans. Een uitzondering?

De diversiteit in het transnationalisme neemt toe in de migratie; zo is er bv. het economisch ‘boomende’ Turkije, en zo zijn er ook enkele Spaanstalige landen… Dit worden referentielanden, bv. voor ondernemers en starters, daarom niet voor academici. Voor academici is bv. Harvard de ‘place to be’, niet Palermo of Lecce. En wat is opvallend? De jongeren voor wie Fascianella’s voorbeeld opgaat, bevinden zich meestal juist niet in een hogere of middenklasse, maar in een lagere klasse…

Een tweede citaat neem ik over van iemand die recent de petitie ondertekende tegen de schrapping van de financiering van de meertalige OETC projecten: nr. 236: “Die kinderen zouden naast Nederlands, Engels, Frans ook hun eigen taal kunnen schrijven en dat is enkel goed voor de Belgische economie…namelijk voor internationale contacten… Ik kan er van meespreken: ik werk veel samen met Spanje en de reden dat ze met ons werken is omdat ik mijn plan trek in het Spaans. Ik heb het Spaans niet geleerd via dit project maar via avondschool. Vandaar dat mijn Spaans maar bric à brac is…”

Een eerste reflectie die ik de minister zou willen voorleggen is, dat het hanteren van het Engels als “de” taal die iedereen als tweede of derde taal in Europa zou moeten kennen, misschien toch wel erg getekend is door een bepaald hogere-klasse perspectief van bijvoorbeeld academici die overwegend met een Engelstalige wereld geconfronteerd worden, en van IT en soortgelijke professionelen. Is dit wel zo absoluut veralgemeenbaar?

Waarom dan kinderen, die met weinig moeite andere belangrijke talen kunnen beheersen en van wie de meesten nooit academisch zullen gaan, eerst hun potentieel laten verliezen om hen een taal op te leggen, nl. het Engels, waarvan ze een meer dan elementaire kennis hoe dan ook toch zullen verwerven?

Een tweede bedenking haal ik bij een Engelse professor die in haar eigen land gespecialiseerd was in het aanleren van Engels als tweede taal: Christina Paulston. Zij is lang inspirerend geweest (met Cummins) voor de Foyer projecten. Zij heeft het aanleren van het Engels als tweede taal, tegelijk dominante onderwijstaal,  bestudeerd. Zij deed onderzoek over het aanbrengen van de Engelse taal bij niet-Engelstaligen en over de plaats die de moedertaal daarbij kan innemen.

De conclusies uit haar onderzoek: elke niet-Engelse moedertaal is ‘belangrijk’ voor het aanleren van het Engels, op voorwaarde dat (1) de betreffende groep taalsprekers het aanleren en kunnen spreken van die moedertaal door de eigen leden en hun kinderen als heel belangrijk ervaart, en in tweede orde (2) dat die moedertaal internationaal ook betekenis heeft.

Paulston verdedigde in Engeland het belang van de moedertaal voor het aanleren van het Engels. Zij wees er verder op dat een taal als het Engels, zij het onder allerlei verschillen van uitspraak, hoe dan ook, zelfs zonder onderwijs, na enige tijd op voldoende niveau gesproken kan worden als mensen ze voldoende nodig hebben.

Ze verzette er zich tegen dat het Engels zo maar als ‘de’ wereldtaal zou gezien en gedoceerd worden.

Op de stopzetting van de financiering van de OETC meertalige onderwijsprojecten reageerde Prof. Sjaak Kroon (Universiteit van Tilburg): ”De sluiting lijkt niet door wetenschappelijke argumenten of empirische gegevens gemotiveerd maar is veeleer een besluit dat past binnen het dominante maatschappelijke discours waarin geen plaats meer lijkt te zijn voor uiteenlopende aspecten van diversiteit.”

Ik vrees dat dit waar is en dat we riskeren dat hier onnodig de keuzevrijheid en opportuniteiten voor de latere arbeidsmarkt beperkt worden. Het zijn vooral allochtone kinderen uit lagere sociale klassen die hier op een aantal punten waar ze nu eens een lichte voorsprong zouden hebben, die mogelijke voorsprong ontnomen worden. Ze beseffen het maar al te goed. Daarom hun protest.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!