De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Wanneer je plots wordt uitgedaagd tot een duel aan de frontlijn van de transitie

dinsdag 20 juli 2021 22:30
Spread the love

Vandaag is mij enerzijds aangenaam geweest, anderzijds overkwam mij een vreemde en licht verontrustende gebeurtenis. Het was een warme dag, de thermometer aan de Tiense Poort gaf om 18:30 u 33 ° aan, maar dat ding moet stuk zijn. Plots knorde een dikke man van een jaar of 67 mij van nabij bittere beledigingen toe. Kijk, hij springt op mij af, wil duidelijk gaan slaan! Heel even voel ik enige angst. Na een viertal minuten is de hele aanval echter voorbij. Wanneer ik weg stap twijfel ik nadenkend of ik niet had moeten slaan, in staat van wettige zelfverdediging. Dat heb ik sinds de kindertijd overigens nooit moeten doen. Ik besluit:  Je hebt verstandig gehandeld! – De  stijl van leven met eerbied voor de Natuurlijke Woning van de mens heb je bevredigend verdedigd!”

Hoe kwam het zo ver? Omstreeks de middag had ik na intellectuele arbeid de fiets genomen naar Leuven station. Het zonnige weer riep de goesting op de parken van de stad en de straten achter me te laten, en aan te knopen bij de duizenden uren die ik in mijn 59 – jarige bestaan in de Dijlevalle-ruraliteit en in de twee bossen bezuiden Leuven heb doorgebracht. Ik besloot naar SAR te trekken. Dat is het mekka voor de natuurstudie en natuurbeleving in deze regio. De drie letters staan als afkorting voor een gemeente net voor de taalgrens ( die zelf wordt gevormd door het eeuwenoude Meerdaalwoud). Daar bevindt zich een grote vijver, een meer met een kijkhut en een grote observatietoren. In de vroege lente van 1976 kwam ik er voor de eerste keer. Het was Bingo. We waren opgewarmd door de rit van twaalf kilometer met de fiets. Twee ervaren ornithologen konden ons bijstaan bij het ‘determinatiewerk’ in deze heilige tempel die ik via vakbladen als “De Wielewaal” al goed had leren kennen. In de uren dat wij er waren in ‘76 vloog onder meer een Havik over, leerden wij de prachtige Pijlstaarteend kennen en zagen wij een glimp van de Visarend. Joost Dewispelare was een lange kerel die in dat uur zo goed de rol van mentor opnam, dat zijn naam mij is bijgebleven. Vandaag was de dag al even fantastisch. Ik heb continu een Live Blog bijgehouden van de belevenissen, dierenwaarnemingen, gesprekken en bedenkingen via mijn Facebook account. Met de kijker van sterkte 8×30 en nog gemaakt in de USSR, in aanslag heb ik heerlijke momenten beleefd. We kregen onder andere de Grote Zilverreiger te zien van vlakbij en telden op een bepaald moment elf Grauwe Ganzen, gezellig en trots in groep op het water. Een tiental zangvogels kon ik horen en op naam brengen. Ik gebruik de eerste persoon meervoud, omdat ook op deze twintigste juli een fijne kerel op mijn contact woord in is gegaan en we hebben fijn ervaringen en analyses gedeeld. Erik nam foto’s met zijn 600 mm Sigma Zoomobjectief. Hij stuurde van in de observatiehut via de smartphone de waarnemingen in real time door naar de betreffende site.

Gekleed was ik voor een wat statiger bezoek aan deze plek: in witte pantalon met plooi, lederen riem met het officierszakmes in foedraal, een kaki hemd in Maastricht gevonden, een das in sober groen en rood, en dit keer droeg ik geen hoofddeksel.

De terugreis ging een paar km te voet, en dan met de autobus; ik vatte ze aan na een koffie en een helder watertje in Café In de Rapte bij het spoorlijnstation van Sint-Joris-Weert. Op een appelworp daar vandaan woont overigens de statige man genaamd Geert Van Istendael, bekend bij menig Belg besmet met de leesmicrobe. De trein had vandaag dit station als eindpunt, de weg naar het zuidelijke landsdeel is afgesloten door de aardverschuivingen. “En dat blijft zo!”, riep de conducteur, “tot 7 augustus”. Het ritje liet allerlei herinneringen boven komen. Als tieners namen wij de jongeren van de WJ geregeld het smalle grindpaadje langs het spoor, dat in feite verboden terrein was, als fietsverbindingsroute, van onze stad naar de vijvers; dat was de kortste weg en we hielden natuurlijk oneindig veel meer van de compagnie van de bomen dan van de auto’s op de grote banen. De ornitholoog in de dop die ons toen de kennis van de zang van de vogels bijbracht, Mark H. schreef rond 1978 in “De Vallei”, blad waarvan ik dan de hoofdredactie waarnam, dat hij tijdens één zulk ritje wel tweeëntwintig zangposten van een bepaalde soort noteerde.

Die route met de trein nam ik vandaag richting Zuiden. Om terug te komen (Er is een trein per uur), nam ik de Lijnbus. We stapten met een vijftal personen op in bus 337 die naar Waver rijdt en terug. De rit verliep vooralsnog sereen. Achter mij hadden een broer en zus van Marokkaanse afstamming plaatsgenomen, in gezelschap van vader en moeder. Op de fluwelen bank voor mij zaten een tijdlang een fors gespierde jongen met zijn meisje, een vrouw van eveneens een jaar of twintig met grote zwarte krullenbol. De moslima achter me had een hoofddoekje op. Ik genoot van het uitzicht en steunde in een wijds gebaar mijn bovenlichaam met uitgestrekte linkerarm op de elleboogleuning aan de doorgang. Waarschijnlijk heb ik af en toe in gedachten verzonken, het mondkapje wat laten zakken. Toen we het Martelarenplein en De Lijn-station, naderden, met het monument met de sprekende bas-reliefs en naakte, door de Duitsers geslachtofferde vrouwen in de vorm van engelen met vleugels, (een sacrale plek waar een grootoom permanent wordt geëerd als oorlogsslachtoffer met de naamletters in lood bij de tweehonderd anderen), besloot ik één halte vroeger uit te stappen. Mijn trouwe fiets had ik immers in de gigantische parkeerkelder onder het stadskantoor gelaten. Op het moment dat ik opsta en door het gangetje naar de automatische deur toe stap, klinkt dus plots die beledigende, doffe stem op. Het is van een corpulente passagier dat zij afkomstig blijkt, een mannetje dat ik nog niet eerder had opgemerkt maar die blijkbaar vol boosheid steekt. Ik geef, trouw aan mijn martiale en didactische inborst, een spottend antwoord in het voorbijgaan; de heftigheid van de onverwachte apostrophe vroeg daarom. Als ik in het gazon sta bij de ring aan de kant van het Provinciehuis, hoor ik plots dat de man mee is uitgestapt.

Heel even komt de natuurlijke angst op. We staan hier alleen. De bus vertrekt op dat moment. Dertig meter links en rechts niets dan gazon, struiken, bomen en rijdende wagens. De man is uitgestapt om ruzie te zoeken, dat is duidelijk. Meteen herinner ik mij een van de lessen uit de tientallen vechtpartijtjes die wij reeds begeesterd meemaakten op de schoolse speelplaats, nog van voor het eerste leerjaar. Die veldslagjes namen pas een eind in het College aan de Grote Markt, waar we de humaniora begonnen in 1972. In legertermen kan je die regel nummer één aldus benoemen: toon geen angst. De directe afgeleide maxime moet dan zijn: “De aanval is de beste verdediging”. Meteen zet ik  daarom, in plaats van achteruit te deinzen, een paar stappen naar de man toe, die zelf net op zijn voeten is beland. Hij komt dadelijk mijn kant uit. Hij tracht lichaamscontact met me te maken. Niet op de meest vriendelijke manier. Dat contact is echter wat ik zelf zeker wil vermijden. Als er contact is geweest van huid tot huid,, zal dat bijna altijd ontaarden in een gevecht in regel. Fysiek contact zet blijkbaar diepgewortelde instincten in gang. In elk geval speelt ook dit mee: een ‘vijand’ als deze, die je van haar nog pluim kent en nog maar gedurende een seconde of wat kon bekijken, valt niet gemakkelijk in te schatten wat zijn vechtkracht betreft. Die meet je immers best af aan de jouwe, voor je de uitdaging fysiek aan gaat. Bovendien weet de tiener van destijds dat in deze samenleving de normen gelden, dat fysiek geweld juridisch wordt afgekeurd. Ik hop dus meteen achteruit als mijn lichte charge hem niet doet wijken. Wat ik met dit vertragingsmanoeuver ook wil bereiken, is de kans krijgen tot beoordeling van de situatie. Waarom die zeer persoonlijk gerichte agressie? De vent roept nu de ene na de andere verwensing. Geen enkele heb ik onthouden, omdat ze me onherkenbaar, totaal onterecht leken. Tot de jonge ouderling smalend spreekt: “Gij groene!”. De aap is uit de mouw. De heetgelopen Leuvenaar heeft blijkbaar aan de kleur van mijn hemd, das en mondkapje afgeleid, en niet onterecht, dat ik een soort voortrekker mag heten in de groene beweging; een lid van de gemeenschap die zich met natuurstudie, natuurbescherming en klimaatactivisme bezig houdt. “Gij met uw jumelleke!” klinkt het dan.

Intussen valt Leo de lomperd mij pogend nog een keer aan. Ik herhaal dezelfde tactiek, maar besef meteen dat een sterker ontradend en dominanter ingrediënt nu noodzakelijk is. Daarom geef ik een salvo van drie ‘bevelen’, met een paar seconden tussentijd. Het is mijn ervaring dat eenvoudige mensen daar gevoelig voor zijn. Zelf laat ik mij zelden van de wijs brengen door pogende bevelen. Ik roep nu: ‘Ga weg of ik bel de Politie!”. Weer een aanval, weer een tactische terugtocht.  Nu lijkt het me tijd om, met wijsheid gedoseerd, een tegen-definitie in vriendelijke concepten te lanceren. In de vergelijkbare situaties die ik de laatste drie decennia moest meemaken, waaronder een paar woordenwisselingen in de publieke ruimte in eigen land en een memorabele in de warme zomer van 2010 in een park in Norwood in Londen, heb ik de gewoonte genomen bovenal mijn gevoel voor menselijke waardigheid en respect voor de vijand in te zetten en geen voor de vuist gekozen beledigingen uit te sturen. Een gedrag wat de dompelaars die de last zoeken meestal zelf wel volop uitvoeren. Ik denk snel  na en begrijp dat de man een van de mensen is die zich uitgedaagd en getergd weet door de Transitie. Ecologische transitie die de situatie van ons allen eist. Dit moet een vent zijn die op sociale media en aan de toog tsjirpt en scheldt over de mij dierbare genieën van Greta Thunberg en Anuna de Wever. Een burgermannetje dat niet begrijpt wat de ecologische revolutie precies is noch waarom de groene omturning van onze levenswijze en  van de economie en het vervoer precies nodig is. Het besluit dat ik besluit over te maken gaat zo: “Gij zijt ne simpele!”. Ik haal mijn Leuvens dialect boven, omdat ik vermoed dat dit beter gaat aanslaan bij deze inboorling. Dat welgemikt woord ontredderd intussen het kereltje blijkbaar wel wat. Ik zie hem met de neus naar de grond nadenken en een volgende aanval blijft even uit. Intussen ben ik, de situatie nu grotendeels de baas, achteruit uitgeweken naar het stenen pad dat parallel met het fietspad en de ringlaan loopt in de richting die ik wens te gaan, onder de (linde)bomen. Afstand is de gouden sleutel tot ontspanning van geweldgoesting. Dat pad maakt echter, zo blijkt, na amper vier meter al weer een bocht, en wel in de richting van de man die nu lijkt te zijn begonnen aan een pogend eervolle terugtocht. Louis van Leuven stapt richting zebrapad op naar het stadscentrum. Na kort respijt staan we dus onvermijdelijk opnieuw tegenover elkaar. Het vuur is nu uit de vijandigheid van de tegenpartij en na een laatste poging mij aan te raken en op die manier fysiek uit te dagen en aan te vuren, keert hij zich om en verlaat hij het strijdterrein. Zonder nog om te durven kijken dekt hij zijn aftocht met de woorden “Volgt moo, as ge durft!”

Zelf richt ik mijn passen omheen het passionele, meer dan levensgrote stierenstandbeeld van Rik Poot met de naakte Europa op de rug en ik daal vlotjes de statige trap af richting KBC en Stadkantoor. Tot mijn tevredenheid merk ik dat van angst of grote spanning in mijnen hoofde geen sprake is. In de ondergrondse fietsersgang aangekomen kijk ik nog wel met een meer dan gewoon toegespitste aandacht naar de passanten, vooral deze die onze richting uit komen en ik merk dat mijn brein dadelijk tracht te weten of het om mannelijke figuren gaat… Het fietstochtje langs de Bondgenotenlaan is in mijn verbeelding een ererondje door de stad die mij heeft zien geboren worden, nu precies een paar dagen meer dan 59 jaar geleden. Dat sommige voorvaderen dappere kerels zijn geweest, komt in me op als een soort blitz-onderzoek van eigen wortels. Ik ben tevreden. Als ik het tot een gevecht had laten komen, had ik ongetwijfeld meer voldoening overgehouden aan het incident. Dan had ik echter ongetwijfeld heel wat administratieve afwikkelingen op de boterham gekregen.  Het verrassingseffect was in het voordeel van de man, zo bedenk ik nog. Mijn reactie heeft de agressie doeltreffend en vrij snel ontmijnt. Ik bedenk dat de ridder in mij de kleuren van zijn regiment en van zijn dame goed heeft verdedigd.

Dat ik mijn lezers de anekdote niet mocht onthouden, was een andere gedachte. Ook aan de makers van de pagina “Chief of Defense” ben ik dat in zekere zin verplicht: had ik drie dagen geleden, in volle crisis voor de generaals in hun poging de oren te openen voor de noden van het Leger bij de kabinetsmedewerkers en de minister, niet volgend aanmoediging geschreven: “[…] “Ik wens iedereen bij Defensie veel moed en Fighting Spirit.”

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!