Wachttijd en gebrek aan ervaring  bij jongeren het probleem?

Wachttijd en gebrek aan ervaring bij jongeren het probleem?

maandag 29 augustus 2011 16:22

Het duikt regelmatig op in het werkgeversdiscours en het politiek debat: als jongeren niet aan de slag raken en werkloos zijn/blijven, is het omdat ze geen ervaring hebben of omdat het systeem van wachttijd en nadien wachtuitkeringen in afwachting van werk, zonder ooit gewerkt te hebben of aan de sociale zekerheid te hebben bijgedragen, hen te lui maakt om écht naar werk te zoeken.

Laat ons eens enkele nuchtere vaststellingen van recent wetenschappelijk onderzoek over jongeren en werk overlopen.

Uit recente analyses van het Steunpunt WSE blijkt dat jongeren veel meer, en meestal onvrijwillig, in atypische arbeidsvormen werken . Bijna 1 op 3 jongeren (29%) werkt deeltijds, en 1 op 3 (33,2%) in tijdelijk verband (viermaal meer dan gemiddeld). Maar dit is meestal onvrijwillig, de meeste jongeren ambiëren nog steeds een voltijdse en vaste job. Door de vele tijdelijke contracten en de beperkte anciënniteit zijn jongeren bijzonder gevoelig aan conjuncturele schommelingen, bij laagconjunctuur worden ze snel aan de kant gezet, bij hoogconjunctuur weer snel opgepikt. Zij wisselen dus vaak periodes van werk en werkloosheid af.

Jongeren in Vlaanderen hebben dus misschien niet zozeer een probleem om aan de slag te gaan, wel om aan de slag te blijven. Voor beide vaststellingen geldt wel dat het diploma nog steeds van doorslaggevend belang is, zeker voor een meer permanente, niet discontinue arbeidsmarktaanwezigheid. Iets meer dan 60% van werkloos geworden jongeren zijn binnen het jaar weer aan de slag, zij het met enorme verschillen tussen laaggeschoolden (44%) en hooggeschoolden (78%).

Lage scholing en kansen om bij te leren zijn het probleem!

Niet zozeer het wachttijdsysteem lijkt ons de kern van het probleem, wel het tekort aan jobs voor laaggeschoolden, de ongekwalificeerde uitstroom (jaarlijks verlaat ongeveer 15% de school zonder diploma secundair onderwijs) en de  verdringing.

Het zijn deze factoren die  zorgen voor een hoge werkloosheid (21%) bij de laaggeschoolde jongeren. 54 800 Vlaamse jongeren, dit is 7,5% van de 15-24 jarigen, behoorde in 2010 tot de NEET groep (Not in Employment, Education of Training). Dit is een stijging met 1,2% tegenover 2008.

Het ontwikkelingsgericht karakter en  competentieontwikkelend vermogen van “eerste jobs” lijkt ook een probleem. Uit analyse van de SONAR Onderzoeksgroep rond ‘bijleren in de eerste job’ blijken volgende vaststellingen:

  • Wie een eerste baan aanvat met een lager onderwijsniveau loopt een groter risico om niets bij te leren en ook een kleinere kans om draagbare of algemeen bruikbare vaardigheden bij te leren.
     
  • Deeltijds werkenden lopen groter risico om niets bij te leren dan voltijds werkenden.
     
  • Uitzendwerkers lopen een groter risico om niets bij te leren  dan wie loopbaan begint met contract onbepaalde duur.
     
  • Wie niet in een ‘actieve’ job terecht komt waarin op kennis, vaardigheden en verantwoordelijkheid beroep gedaan wordt, loopt groter risico om niets bij te leren en heeft een kleinere kans om draagbare of algemeen bruikbare vaardigheden bij te leren. Slechts 22% van de jongeren die in het onderzoek bevraagd werden (5206 jongeren) zat in een actieve job.

Verder moet op de arbeidsmarkt misschien toch eens gekeken worden naar een betere valorisatie van opgedane werkervaring. Dat jongeren afstuderen zonder ooit enige werkervaring te hebben opgedaan wordt stilaan door de feiten achterhaald. Studies worden in Vlaanderen steeds vaker gecombineerd met (betaalde of onbetaalde) arbeid.

67,6% van de Vlaamse jongeren in de leeftijdsgroep 25-29jaar werkten tijdens hun studies. In vergelijking met een referentiegroep (61%)  die daarover werden bevraagd op  de leeftijd van 30 tot 34 jaar betekende dit een stijging met 6%.  Voor 57% van de jongeren was dat jobstudentenwerk, voor 37% was dat een vorm van (on)betaalde stage, voor 5% een combinatie van beiden.

Moeten we niet beginnen te denken aan het valoriseren van deze vormen van werkervaring? Valoriseren in termen van elders verworven ervaring en competenties? Ze herkenbaar maken door ze te registreren? Ze meetbaar maken? Ze leren herkennen en appreciëren bij werving en selectie?

Maar ook…ze valoriseren door deze vorm van werkervaring ook te onderwerpen aan de normale bijdragen voor de sociale zekerheid, waardoor ze ook toegang geven tot volwaardige rechten in de sociale zekerheid.  Het is wat duurder, zowel voor werkgever als voor de jongeren, want beiden houden er minder voordeel aan over. Maar de jongeren hebben tenminste een realistischer beeld van het verdienpotentieel. Ze hebben reeds ‘periodes gewerkt’ als ze echt aan hun arbeidsmarktloopbaan beginnen. En de kwestie van de wachttijd  wordt er minder mythisch door en verdwijnt naar de achtergrond…

Ann Vermorgen
Nationaal secretaris ACV

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!