Waarom opiniestukken uit de tijd zijn, en alleen columns ons nog resten

Waarom opiniestukken uit de tijd zijn, en alleen columns ons nog resten

maandag 29 augustus 2011 21:05

Vanmorgen werden we door de Standaardopiniepagina’s nog maar eens getrakteerd op een stukje van Marc De Vos, opperhoofd van de onafhankelijke denktank Itinera.

De Vos – een adept van de “zwarte gaten theorie” als je het ons vraagt – pende een vlot stukje bij elkaar, waarin hij al naar goeie gewoonte afwisselend dweept en jent.  Het onderwerp (belastingontduiking) deed er niet echt toe. Vintage De Vos dus. Het inspireerde ondergetekende om zelf nog eens in de pen te kruipen. Mission accomplished, kun je dus stellen. Meer moet dat immers niet zijn voor een schrijver van opiniestukken.

De Vos is een begenadigd schrijver van opiniërende stukken, want hij beheerst als geen ander de kunst om zijn ideologische tegenstanders op stang te jagen. En hij wordt er af en toe nog voor betaald ook. Meer moet dat allicht niet zijn voor een liberaal.

Overigens liet Bart De Wever  dit weekend  (niet voor het eerst) optekenen dat ‘rechtse’ mensen vooral bezig zijn met het creëren van welvaart:  “ze vinden – in tegenstelling tot de meer linkse medemens – andere dingen belangrijker dan opiniestukken schrijven en dikke boeken lezen”.

Nou, dat kan best kloppen, maar dat lijkt dan toch niet te gelden voor de meer rechts denkenden in het gild van opiniemakers. Die laatsten hebben een abonnement op het schrijven van opiniestukken, en ze geraken er bovendien nog verbazend makkelijk mee in de krant ook.  Maar goed, misschien vindt Marc de Vos dat hij door het schrijven van zijn stukken de weg helpt bereiden voor de ondernemers in België die “welvaart moeten creëren”, en heeft hij dus indirect toch een aandeel in de groei van onze Belgische economie. Het weze hem gegund.

Wat me altijd weer verbaast bij opinieschrijvers – zowel ter linker-als ter rechterzijde trouwens  – is de vanzelfsprekendheid waarmee ze denken de waarheid in pacht te hebben. Hun analyse is de enige juiste in een wereld die nochtans almaar complexer wordt en in toenemende mate bulkt van de contradicties.

Om een voorbeeld te geven uit de wetenschap: de nood is allicht nooit groter geweest aan holistisch denkende wetenschappers, die de ‘dots’ uit verschillende wetenschappelijke disciplines met elkaar kunnen verbinden – multidisciplinariteit is niet toevallig het codewoord tegenwoordig in academische milieus – en toch is de trend er nog altijd een naar toenemende specialisering. Of dus net het omgekeerde van de “Da Vinci” vorsers waar we nood aan hebben.

Je kunt het vergelijken met de specifieke voetbaltrainers die “FC Itinera”, oftewel Club Brugge, sinds dit seizoen heeft, met coaches voor elke linie: aanval, verdediging, middenveld, en de doelmannen. Nochtans blijkt almaar duidelijker dat we er met die Tayloriaanse specialisatie niet zullen geraken op onze planeet. De wereld staat aan de rand van de afgrond, sociaal, financieel, maar vooral ecologisch. Iedereen met een beetje zin voor objectiviteit en enige toegang tot informatie komt stilaan tot die conclusie.

Maar als je dat ook met zoveel woorden zegt, zoals pakweg “low-impact man” Steven Vromman, ben je een ‘doemdenker’. En je mag alles zijn in onze hippe samenleving, behalve een doemdenker. Een ecologische dan toch. Want de economische doemdenkers, of ze nu Roubini of De Vos heten, zijn niet van de opiniepagina’s van onze mainstreamkranten weg te slaan.

Op de website van Itinera prijkt het niet toevallig dreigend: “het is vijf voor twaalf”. Maar – weer een contradictie – ik mag die economische doemdenkers graag lezen – of dat nu is omdat ze me intellectueel uitdagen, dan wel om me te ergeren aan het feit dat die lieden systematisch net die feiten selecteren die in hun betoog passen, laat ik in het midden. Ik heb trouwens iets gelijkaardigs met De Wever: ik zie de man graag uit zijn nek lullen op de buis (zoals vanavond bv.), en verslind zowat zijn sofistisch-populistische redeneringen in de krant.  Noem het intellectueel sado-masochisme.

Of is er toch meer aan de hand, en is er ook impliciete bewondering voor hun drammerige “heb ik gelijk of heb ik gelijk” media-optredens, en hun (allicht correcte) buikgevoel dat je er met louter nuanceren en analyseren niet komt?

Nuanceren en analyseren zijn misschien aangewezen tools om de complexiteit van de wereld te proberen te vatten, maar om de wereld te veranderen, moet je er bij momenten los durven inbeuken. Anderzijds: als je erin vliegt, maar vertrekt van een foute basisanalyse, loop je het risico om recht de afgrond in te duiken. Zie de Wever en co, wier gedachtengoed af en toe lijkt te zullen leiden naar een financieel armageddon voor België (en dus bij uitbreiding ook Vlaanderen), net het omgekeerde dus van wat ze zeggen te beogen.

Overigens moet je vaststellen dat zelfs de partij (Groen!) die qua basisanalyse van de stand der wereld en van ons economische model misschien het dichtst bij de waarheid zit, blijkbaar niet het lef heeft om nog voor een radicale verandering van de maatschappij te pleiten.

De realo’s hebben het gehaald, er wordt tegenwoordig vooral gepleit voor incrementele hervormingen, of voor wat “haalbaar” of “realistisch” is. Je kunt je dan afvragen of je niet meer respect moet hebben voor een type als De Wever dat wel nog compromisloos de samenleving wil vorm geven, zonder dus al te veel water bij de wijn te doen. Ook al deel je zijn basisanalyse dus allerminst.

Anderzijds merk je, als bijna-veertiger, dat je in eigen leven ook continu in hetzelfde spagaat vertoeft als een partij als Groen!  op nationaal vlak. Je analyse is bijvoorbeeld dat er ons nog vijf, maximaal tien jaren resten om de economie fundamenteel op een andere, meer duurzame, leest te schoeien, en dat een aanpassing en herijking van het globale kapitalisme daar allicht niet voor zal volstaan.

De zogenaamd vrije markt botst almaar meer op sociale en ecologische grenzen, je moet blind zijn om dat niet te zien. Anderzijds ben je ook een ‘stakeholder’ in diezelfde vrijemarkt-economie. Iets in jezelf wil dat de economie het toch niet zo slecht doet, want je hebt een job nodig, je wil voor je familie instaan, of je weet dat het in een groeiende economie makkelijker is om een job te vinden (bv. voor je vrouw, die als buitenlandse anders moeilijk aan de bak komt) dan in een stagnerende of erger.

En, ook al voel je enige tegenzin bij bepaalde ideeën die beginnen te circuleren, je beseft dat die vrije markt misschien nodig zal zijn om een deel van de oplossing voor de huidige problemen te vinden. Of dat nu onder de vorm is van het stimuleren van onderzoek naar verwaarloosde ziektes via marktmechanismen, of minder appetijtelijke quick fixes zoals geo-engineering.

Je bent ook lucide genoeg om te weten dat het duurzaam maken van de wereld idealiter zou moeten beginnen bij jezelf – terwijl je terzelfdertijd pijnlijk moet vaststellen dat je er zelf niet in slaagt om je vleesverbruik te matigen, of dat je welmenende en sociaal geëngageerde ‘global health’ collega’s om de haverklap het vliegtuig nemen naar het een of ander ‘global health event’.

Ook stel je vast dat het instituut waarvoor je werkt, en dat de wereld een beetje rechtvaardiger wil maken, terzelfdertijd zweert bij neoliberale kortetermijncontracten en  ‘streven naar academische excellentie’,  en zich meer in het algemeen naadloos inschakelt in de academische logica van deze eeuw.

Zucht. Wat doe je dan? Je probeert je uit alle macht te schikken naar de (vooral economische) logica van de maatschappij, desnoods met chemisch spul om “meer rendement” te halen, terwijl je terzelfdertijd beseft dat de wereld aan diezelfde logica dreigt tenonder te gaan. En je vraagt je af waarom  collega’s van je, die vaak – in tegenstelling tot jezelf – wel autoriteiten zijn in hun vakgebied, niet 5 % van hun tijd besteden aan het invloed proberen uit te oefenen op de publieke opinie. Al was het maar omdat ze nu de arena overlaten aan de schreeuwerds van rechtse thinktanks.

Dat ‘moeten meedraaien, willens nillens, in de ratrace’ is ongetwijfeld een aanvoelen dat velen onder ons, die al wat langer meedraaien in deze wereld, hebben. Velen onder ons, dertigers en veertigers zijn ondertussen te ‘ingekapseld’ in de maatschappij om nog voor meer te gaan dan incrementele veranderingen. En de jeugd, die wel nog op de barricaden kan staan, bijvoorbeeld omdat ze nog niet die druk voelt om voor een familie te moeten instaan, of omdat de jongelui  fysiek nog top zijn, heeft wel andere – onder meer hormonale – kopzorgen. En stelt het dus nog even uit. Tot het ook voor hen te laat is.

Je weet en ziet ook dat mensen die de top halen in de maatschappij, of het nu in de wetenschap is of in de politiek, bijna zonder uitzondering over een goeie fysieke conditie beschikken en competitie in hun DNA lijken te hebben.

Jean-Luc Dehaene kan als voorbeeld gelden – de man heeft nog altijd bitter weinig slaap nodig, schijnt het – maar ik zie het bijvoorbeeld ook bij een aantal van mijn meer performante collega’s die om middernacht nog mails versturen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Met andere woorden: de mensen die onze samenlevingen, overal ter wereld, vorm geven zijn mensen die fysiek sterk  en veelal intrinsiek competitief ingesteld zijn, en excelleren in hun niche. Dat heeft onvermijdelijk repercussies voor het soort samenleving dat die mensen creëren.

Anderzijds weet je ook dat je er met louter een discours van solidariteit, duurzaamheid en dergelijke niet komt. Er is ook iets van competitiedrang en streven naar profijt nodig om voldoende mensen ertoe te bewegen om in actie te komen, daar moeten we Geert Noels gelijk in geven. En toch: de cultuur van streven naar excellentie (of op het niveau van landen: het streven naar competitieve voordelen)  lijkt meer en meer funest voor de planeet uit te zullen draaien. To do more with less, luidt het overal. Eigenlijk zou het moeten zijn: end up with less, by aiming for always more.

Je gelooft eigenlijk niet in de slogan ‘value for money’ en vindt dat het doorgeslagen managementdenken de wereld vooral efficiënt naar de knoppen helpt. Een wereld waarin mensen aan bod zouden komen in functie van hun mogelijkheden en gebreken, bijvoorbeeld door verregaande arbeidsverdeling en minder werken (zie bv. de voorstellen van de New Economics foundation), en waarin je mensen dus niet langer systematisch uitperst zodat ze zoveel mogelijk ‘toegevoegde waarde’ creëren, zou ongetwijfeld een menselijker wereld creëren. En toch lijkt zo’n wereld weinig waarschijnlijk.

Want terzelfdertijd ben je zelf ook gepokt en gemazeld in dat denken, en doet een nummer als ‘set fire to the rain’ (Adèle) je net rillingen krijgen, omdat het duidelijk uitstijgt boven de massa. Of word je bekoord door de magistrale dribbels van voetbalwonderkind Lionel Messi.  Je probeert dus zelf ook een stukje te schrijven, dat voldoet aan je (minstens impliciete) normen. Terwijl je tegelijkertijd beseft dat je dat niveau vaak niet haalt, omdat je – bv. omwille van gezondheidsredenen – niet scherp bent, je brein af en toe meer weg lijkt te hebben van kaas met gaten, en je niet kunt blijven koffie tegenaan gooien. 

Anderzijds deel je ook de analyse van je favoriete Indische goeroe J. Krishnamurti, als die stelt dat ‘psychologisch streven’ de wereld kapot maakt, in de eerste plaats jezelf. Maar tegelijkertijd vraag je je af of je die goeroe eigenlijk wel goed begrepen hebt, en eigenlijk geloof je ook maar al te graag in de illusie van autonomie en onafhankelijkheid – en wil je dus je ideeëngoed niet laten afhangen van de  een of andere obscure goeroe die het lekker mystiek kan zeggen.

Om een lang verhaal kort te maken: anno 2011 wordt een modaal mensenleven gekenmerkt door tal van contradicties. Inconsequentie is troef voor de meesten onder ons. Of het vroeger anders was, weet ik niet, maar wat ik wel weet, is dat het in elk geval niet betert met de jaren.

Bij wijze van uitsmijter, nog een laatste recent voorbeeld uit mijn eigen leven: wat doe je als de dokter waarmee je al tien jaar een vertrouwensrelatie hebt opgebouwd, en die je respecteert als mens en als arts, verantwoordelijk is voor een afdeling in het ziekenhuis, waar je vader omkomt door iets wat veel weg heeft van fysieke verwaarlozing?

Verhip, blijkbaar is performantie en het halen van doelen dan toch belangrijk, in bepaalde omstandigheden? Anderzijds weet je dat zorgverleners in toenemende mate onder druk staan, en vind je eigenlijk – filosofisch – dat de maatschappij sowieso ten onder gaat aan toenemende werkdruk en doorgedreven managementdenken.

En om het helemaal mooi te maken, vindt een stem diep vanbinnen in je eigenlijk ook dat het misschien maar beter is dat je vader maar een aantal weken heeft afgezien, want het hadden makkelijk ook een aantal jaren van pijnlijke aftakeling kunnen zijn. ..

Ik wil maar zeggen: met al die contradicties tussen privé-en professioneel leven, tussen doelstellingen in je individueel leven en bekommernissen om het welzijn van de planeet, tussen je waarden en sommige van je daden … ziet de doorsnee mens het bos niet meer door de bomen.

Spreek voor jezelf,  zul je zeggen. Maar ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat de situatie voor een veelgevraagd  opiniemaker als De Vos anders zou zijn. Waarom blijkt dat dan zo weinig uit zijn stukken, en die van andere collega’s uit de zogenaamde ‘chattering classes’? De Vos, De Wever en al die anderen lijken altijd perfect te weten wat deze tijd vergt. Nou, ik niet.

Hun excuus,  dat allicht luidt dat opiniestukken een duidelijke lijn moeten aanhouden, en een pointe moeten hebben, willen ze effect ressorteren, is wat te makkelijk. Eigenlijk zijn opiniestukken uit de tijd. Dit is een tijd die vraagt om columns die alle richtingen durven uitgaan. Overal en nergens heen. Omdat niemand het nog echt weet.
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!