De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Vanriet de Rover.

donderdag 28 april 2022 06:58
Spread the love

Geachte Heer Vanriet
Beste Jan

Ik las onlangs uw roman Rovers en ik moet zeggen, ik was aangenaam verrast.
Hoe U in vaak korte hoofdstukjes zulke rake observaties neerzet over een op hol geslaagde samenleving, en dat middels een naar mijn mening vrij minimalistisch taalgebruik, soms op het poëtische af, ik vind dat knap. Uw portret hierbij van een ouder wordende kunstenaar die zich staande tracht te houden te midden van het steeds groter wordende legioen aanstormend talent, vrijmoedige na-praters, snedige criticasters en een nog drukkender veranderend maatschappijbeeld, is tekenend. Ja, hoe houdt men het toch vol, denk ik dan. Hoewel ikzelf zeker nog niet die gevorderde leeftijd heb bereikt, hou ik wel van de enigszins karikaturale, kneuterigheid van het oudemannetjesleven, zoals U het zo precies beschrijft. Misschien helpt het mij een beeld te vormen van hoe het ook mij in de toekomst kan vergaan. Dat wordt alvast iets om naar uit te kijken. Ik wil maar zeggen dat ik het een zeer goed boek vind.

Ik vind het tevens een zeer verzorgde uitgave. Uw ‘aangrijpende’ omslagontwerp is feitelijk zelfs de voornaamste reden die mij tot de aankoop deed beslissen. Zie, het oog wil ook wel wat denk ik hierbij en dat het boek binnenin wordt opgefleurd met foto’s geeft eens te meer aan dat U zich als auteur niet zomaar wil laten vangen aan één enkel medium. Bovendien nodigt het ook de minder geoefende lezer uit, de sprong te wagen. Want ja, hoelang moet het nog duren vooraleer boeken met prentjes worden gewaardeerd in het literaire milieu? Maar dit laatste geheel ter zijde.

Gelet op het feit dat ik, net als U, een beeldend kunstenaar ben die ‘zich niet wil laten vangen aan één enkel medium’, verklaart natuurlijk veel van mijn bewondering voor uw werk. Ware het niet dat een vreemd gevoel mij bekroop naarmate ik het las. In eerste instantie van de pot gerukt natuurlijk, maar toch was het daar. Het was een gevoel van verwondering dat tegelijk beangstigend overkwam en nadien overging tot een zekere vorm van afschuw. Dat alles kwam tot mij door een eenvoudige vraagstelling, namelijk deze: zou U mogelijks, heel misschien, niet een heel klein beetje, op een of andere manier leentjebuur hebben gespeeld bij het schrijven van uw roman? Ik stelde mij die vraag omdat ik geloofde dat ik uw verhaal eerder reeds meende gelezen te hebben. Meer zelfs, bij het verhaal dat ikzelf heb neergeschreven in De verhuis en dat vorig jaar is uitgegeven bij Beefcake Publishing te Gent.

Er zijn verschillende redenen om zulks te denken, al wil ik U hier in het geheel niet zomaar van plagiaat beschuldigen. Daarvoor zijn overigens genoeg verschillen op te merken, maar bovenal, de mogelijkheid bestaat uiteraard dat de gelijkenissen die ik in uw boek herken geheel toevallig allemaal samen op hetzelfde moment uit die grote boom der inspiratie zijn komen te vallen. Behalve de algemene thematiek, dat het hoofdpersonage een soort metamorfose ondergaat, is immers ook de structuur, door het gebruik van korte hoofdstukjes, gelijkaardig aan mijn verhaal. Daarbovenop wordt de toonzetting, naarmate het hoofdpersonage verder in zijn innerlijke gelatenheid verdwaalt, ook zeer gelijkaardig aan het mijne.

Op zich zegt dat alles uiteraard nog niets. Onderwerpen zijn vrij te kiezen net als de manier waarop zij worden neergeschreven of uitgebeeld. Is het schilderij waarrond uw roman zich ontwikkelt immers ook niet juist zo een voorbeeld van een onderwerp dat door verschillende kunstenaars in verschillende periodes steeds weer opnieuw is aangepakt? Een door de eeuwen heen populair thema dus, over een jawel, tot op de dag van vandaag zeer heikele kwestie: wanneer is er nu sprake van verkrachting of roof?

En het wordt nog interessanter, want naast die algemene gelijkenissen tussen ons beider romans, duiken er ook nog een paar andere zeer markante gelijkenissen op. Ik som ze even op:
– er is een verhaal over een asverstrooiing waarin de theatrale traagheid van het gebeuren en de wispelturigheid van de as, leidt tot al dan niet sarcastische introspectie of – zo U wil – hilariteit,
– er is een beschrijving van een mistroostig aandoende lokale kermis,
– er is een telefoongesprek met een technische dienst dat maar moeilijk vlot,
en tenslotte
– er is een brief met ‘bekentenissen’ over de relatie tussen het hoofdpersonage en de ontvanger van de brief in een overduidelijke non-agressieve manier.

Aldus krijgt dit verhaal zowaar een metafysisch kantje. U lijkt een verhaal over rovers te gebruiken om naar mijn mening uw eigen roofzucht te illustreren dan wel te maskeren. Zoals ik eerder reeds liet vallen zal toeval er allicht veel mee te maken hebben en wie weet kan men – net zoals men zegt over ideeën – ook beweren dat specifieke beschrijvingen ‘in de lucht’ hangen alvorens ze werkelijk worden neergeschreven. Al lijkt mij dat nogal straf wanneer die zo specifiek en in al hun diversiteit tezamen voorkomen. Een andere mogelijkheid is dat wij beiden op een dusdanige manier denken, zien, voelen en ervaren dat wij misschien wel verwante zielen moeten zijn? Ja, zijt gij niet mijn lang verloren broeder, Jan? Maar, denk ik dan nog even door, omdat het voorgaande mij niet meteen voldoening geeft, misschien is de individuele mens wel helemaal niet zo uniek als men doorgaans wil geloven? Zelfs wanneer het beeldende kunstenaars of schrijvers betreft en inzonderheid dan wanneer ze beide handelingen tegelijkertijd uitoefenen.

Waar halen wij immers onze mosterd vandaan als ze al niet in onszelf aanwezig is? Dat ze dus, met ander woorden, genetisch bepaald gewoon ergens in ons lichaam sluimert en slechts wacht op geschikte grond, de juiste vochtigheid, de precieze warmte of het correcte aantal levensjaren, alvorens te ontkiemen en te bloeien. Ondanks deze overtuiging geef ik toe dat ik op sommige momenten wel al eens gebruik maak van werken van andere schrijvers, maar ik merk dat dat bij U niet anders is.

Maar waarom doen we dat, zo vraag ik mij nu af? En vervolgens, gelet op het feit dat ondanks die specifieke gelijkenissen waarvan ik sprak, noch ikzelf noch mijn werk wordt vermeld in het uwe, vraag ik mij ook af wanneer we dit niet doen? Is dat dan bijvoorbeeld uit onachtzaamheid of luiheid? Of is er nog iets anders wat ik nu even over het hoofd zie?

In elk geval, mocht het luiheid zijn dan zou ik dat zeker goed kunnen begrijpen. Ikzelf ben daar immers niet van uitgesloten. In mijn bewuste hoofdstukje over de asverstrooiing (lemma: Uitvaart) zit bijvoorbeeld nog een songtekst verwerkt die ik niet heb opgenomen in het bronnenlijstje achteraan mijn boek.

Het nummer waarnaar ik verwijs en welke ik dus uit pure luiheid niet heb opgenomen, noch bij het initieel doorsturen van mijn manuscript noch bij het nalezen van de redactionele verbetering ervan, betreft The Eternal van Joy Division.

En ja, nu ik dat onderwerp aansla, dat is nog een punt van vergelijking tussen onze beide romans: het gebruik van songteksten. Al wil ik daar zeker geen alleenrecht op claimen. In mijn geval sluipen deze teksten erin omdat mijn hersenen nogal associatief werken en muziek een belangrijk deel van mijn leven uitmaakt. Het verhakkelde of noem het van mijn part het povere vertalingswerk ervan, versterkt in deze niet enkel mijn bevreemding met de wereld rondom mij, maar moet tevens de literaire herkenning mogelijk maken. Dat laatste, beken ik tot mijn diepe spijt, is vaak ijdele hoop. Zo mijn werk al gelezen wordt, is er zelden iemand te vinden die deze songteksten herkent. Zelfs al betreft het een magistraal nummer als The Eternal van Joy Division.

Met deze bekentenis is het huidige probleem natuurlijk nog niet opgelost. Want wat doet het met mijn werk wanneer U het gebruikt en daar geen vermelding van maakt? Zelfs geen klein verwijzingkje ergens in een verloren hoekje van uw verhaal meen ik te hebben gelezen. Ik weet het, het feit dat het meeste van wat we zeggen en denken ook gewoon de woorden zijn van iemand anders, vermag dit probleem geenszins te vereenvoudigen. Tenzij ik uw naamloze interpretatie van mijn werk reeds als een eervolle vermelding moet beschouwen. Als een te koesteren geheimpje tussen U en mij –  knipoog, knipoog. Maar dat is dan toch maar een magere troost.

Elders in de Verhuis (lemma: Openingszin) opper ik nog dat er schrijvers zijn die je doen schrijven en anderen die je gewoon leest, maar dat wil nog niet zeggen dat men ze er geen credit voor geeft. Aldus blijf ik zitten met dat soort van ‘gebruikt’ gevoel net zoals ik mij hier weer in de pen zit te werken op zoek naar die vorm van erkenning die er maar niet van wil komen. Ja, dat vind ik eerlijk gezegd wel wrang.

Dit gezegd zijnde geloof ik dat wij, kunstbroeders, zeker tot een vergelijk kunnen komen. Ik ben heus niet van plan mij in het slachtofferschap te wentelen. In Jacques-Louis Davids versie op het verhaal van de Sabijnse Maagden komen de vrouwen zich zonder vrees opstellen tussen de strijdende partijen om hun plaats in dit geschil en het verhaal op te eisen. Daaraan wil ik mij vandaag graag spiegelen.

Ik ben dan ook gewonnen voor het idee dat uw boek voortaan voorzien zou worden van een gele sticker op de voorzijde met daarop in rode letters: ‘dit boek bevat gestolen goed’. Het font hiervoor mag U zelf kiezen. Evenals de plaats waar de sticker wordt geplakt, als het maar op de voorzijde is en goed leesbaar in de Nederlandse taal.

U heeft echter gelijk dat dat nog niet wegneemt dat potentiële lezers weten waarom die sticker er juist op kleeft. Daartoe volstaat het dat in de huidige editie een losse flyer in het boek wordt geschoven waarop staat: ‘Dit boek is gedeeltelijk geïnspireerd op De verhuis van Frank Colle.’

Indien een volgende editie zich opdringt, wat ik U overigens van harte toewens, wordt die flyer en de sticker op de kaft gewoon in het boek en het ontwerp opgenomen. Zodoende wordt uw boek, aangevuld en vervolledigd, als een volwaardig tijdsdocument opgenomen in die lange traditie van de geschiedenis.

Dit alles lijkt mij een billijke oplossing.
Graag zie ik uw goedkeuring tegemoet.

Vriendelijke groeten
Frank

 

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!