Twaalf werken na corona
Opinie - Beweging voor Personalistische Inspiratie

Twaalf werken na corona

Post-corona mag niet gelijk zijn aan pre-corona. Zonder de pretentie te hebben volledig te zijn, stipt de ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) twaalf onderwerpen aan die in elke exit-strategie extra-aandacht vragen.

vrijdag 5 juni 2020 11:29
Spread the love

 

Pinkstermanifest van de ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI)

 

Het covid 19-virus heeft ons leven de voorbije maanden grondig overhoopgegooid. Maar wat hebben wij uit deze coronacrisis geleerd? Wat moet er nu anders? Voor de ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) is het duidelijk dat post-corona niet gelijk mag staan aan pre-corona.

Daarom stippen wij twaalf werken aan die we nu samen ter harte moeten nemen. Ongetwijfeld zijn dit niet de enige mogelijke aandachtspunten en zijn er nog meer. De ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) beweert trouwens allerminst over alle antwoorden in deze kwesties te beschikken.

Twee van deze werken hangen af van onze persoonlijke inzet. Tien ervan zijn structurele werken waar wij als samenleving onze beste krachten aan moeten besteden. Dat wij de structurele werken na corona eerst opsommen, betekent niet dat de persoonlijke inzet na corona minder belangrijk dan die structuurhervormingen zou zijn.

Werk 1: nieuwe investeringen in onderwijs en zorg

Tijdens de coronacrisis stonden wij elke avond om acht uur op straat om met applaus onze appreciatie te laten blijken voor de zorgmedewerkers in onze samenleving. En nog nooit hebben ouders zo sterk aangevoeld hoe belangrijk de school is voor hun kinderen, niet alleen voor hun leervoortgang, maar ook voor hun welbevinden.

Maar wij investeren onvoldoende in onderwijs en zorg. Er zijn leerkrachten te kort want zij worden financieel noch maatschappelijk naar waarde geschat. En zorgverstrekkers hollen van hot naar her en kunnen geen tijd maken voor de mensen die ze verzorgen, omdat ook zij niet genoeg verdienen en hun beroep ondergewaardeerd wordt.

Dat betekent meteen dat de nodige middelen vrijgemaakt moeten worden om daaraan te verhelpen. Het is een kwestie van prioriteiten: bedrijfswagens fiscaal ondersteunen, dure wapensystemen aankopen, enzovoort… het moet nu absoluut wijken voor investeringen in onderwijs en zorg.

Werk 2: eerlijke fiscaliteit

Er is een eerlijker verdeling van de fiscale lasten nodig. Het is niet aanvaardbaar dat grote of multinationale ondernemingen onevenredige belastingvoordelen genieten of zelfs nergens belastingen betalen. Idealiter legt de Europese Unie een eerlijker fiscaliteit op aan alle lidstaten, maar in afwachting nemen sommige landen best het voortouw. Ons land moet tot die voorhoede behoren.

Het is ook niet langer aanvaardbaar dat vervuilende economische activiteiten nauwelijks belast zijn, zoals bijvoorbeeld de het opstoken van kerosine tijdens vliegreizen. Ja, als ons land in deze dossiers het voortouw neemt, zal dat op korte termijn jobs kosten. Maar anderen zullen volgen en op langere termijn komt een meer eerlijke fiscaliteit allen ten goede.

Werk 3: geen liberalisering zonder kwaliteitscontrole

Tijdens de coronacrisis is gebleken dat de liberalisering van de goederenmarkt is doorgeslagen. Wij importeren producten uit verre buitenlanden zonder de minste controle op de kwaliteit ervan, noch op hun productieproces. Intussen hebben we de productie van essentiële zaken grotendeels uit handen gegeven.

De Europese Unie moet desnoods handelsakkoorden openbreken om er meer voorwaarden op het vlak van ethische, ecologische en duurzame productie in op te nemen. Tezelfdertijd moet uitdrukkelijk geïnvesteerd worden in de zogenaamde ‘korte keten’: lokale en ecologische productie van duurzame producten in Europese landen.

Werk 4: niet langer industriële voedselproductie subsidiëren

Dat betekent meteen ook dat wij lokale productie die allerminst duurzaam is, durven in vraag te stellen en af te bouwen. Onze historische vleesproductie kost duizenden liters water en stoot onnoemlijk grote hoeveelheden broeikasgassen uit; zo’n industriële vleesproductie en -uitvoer is ecologisch en ethisch niet langer te verantwoorden.

Er moet een reconversie van onze industriële voedselproductie komen, in plaats van deze te blijven subsidiëren. Dat moet geleidelijk en in overleg met de landbouwers gebeuren, want ook zij zijn vragende partij om meer biologisch en duurzamer voedsel te produceren … Dat kan slechts als wij als individuele consumenten ook bereid zijn daar de correcte prijs voor te betalen, incluis eventuele taksen voor zeemijlen, luchtvervoer of lokale levering.

Werk 5: duurzaam klimaat- en milieubeleid

De relatie tussen een grenzeloze globalisering en pandemieën zoals die van het coronavirus moet ernstig onderzocht worden. In elk geval moet ons land er voortaan in handels- en internationale betrekkingen over waken dat wij de aanslag op biodiversiteit van onze planeet tegengaan en niet langer in de hand werken.

Ook ons klimaatbeleid moet een tandje bijsteken. De aarde warmt op en dit brengt onmiskenbaar wereldwijd de kwaliteit van het leven in het gedrang. Wij weten dat de broeikasgasuitstoot teruggeschroefd moet worden en we weten hoe: minder autoverkeer, meer isolatiepremies, enzovoort. We moeten dit nu gewoon doen.

Wij hebben tijdens de lockdown ook gemerkt hoeveel biodiversiteit in onze onmiddellijke omgeving wij door onze jachtige levensstijl systematisch vernietigen. Voor het eerst hoorden we weer meer vogels zingen. Steden en gemeenten moeten nu de nodige omgevingsmaatregelen nemen zodat de natuur in onze omgeving blijft opbloeien.

Werk 6: te flexibele arbeidsmarkt verzwakt mensen

De flexibilisering van de arbeidsmarkt is doorgeslagen: duizenden mensen holden voor de corona-crisis van de ene flexi-job naar de andere, ten koste van hun gezinsleven en gezondheid. Toen de arbeidsmarkt in elkaar stuikte, bleken zij over geen enkele sociale bescherming te beschikken. Zo’n werkgelegenheid is geen duurzame werkgelegenheid.

De economie moet ten dienste van de mensen staan en niet omgekeerd. De arbeidsmarkt kan na de coronacrisis niet zomaar verder geflexibiliseerd worden. Loonlastenverlaging ten koste van het statuut, het eerlijke salaris en de sociale zekerheid van wie werkt, kan niet langer. Het bedrijfsleven stimuleer je best via bedrijfsfiscaliteit en niet langer via de sociale zekerheid.

Werk 7: een proactieve armoedebestrijding

Hoewel dit zowat de meest welvarende regio van de planeet is, leeft minstens één op de tien landgenoten onder de armoedegrens. Dat is onaanvaardbaar. Het is onjuist dat dit hoofdzakelijk te wijten aan de armen zelf; armoede is structureel. Daarom moet er opnieuw een proactief armoedebestrijdingsbeleid worden opgezet.

In zo’n armoedebestrijdingsbeleid nemen de schoolkansen een cruciale plaats in. Veel te vaak verlaten kinderen uit zwakkere sociale milieus de schoolbanken zonder de nodige vaardigheden om in deze samenleving hun plaats te vinden. Meer investeren in een begeleiding op maat is de facto een besparing op allerlei kosten achteraf.

Armoede is niet alleen financieel. Er moet ook meer met zwakkere mensen worden samengewerkt, ze moeten vaker aan bod komen in cultuur, media, politiek, tewerkstelling, noem maar op. Armoede is trouwens nog veel te vaak verbonden met diversiteit. De witte man van middelbare leeftijd moet niet minder, maar alle anderen meer.

Werk 8: een regularisatie en een ander migratiebeleid

Er zijn in ons land duizenden mensen zonder papieren; vaak zijn ze geïntegreerd en gaan hun kinderen bij ons naar school. Tijdens deze coronacrisis blijkt nog maar eens hoe moeilijk hun leven onder de radar is. Vorige regularisaties (in 1999 en 2009) hebben goed gewerkt, we moeten nu opnieuw zo’n collectieve regularisatieoperatie opzetten.

Want die mensen zijn hier toch, eenmaal geregulariseerd kunnen zij zich nog beter in onze samenleving integreren en er zich voor inzetten. We hebben in talloze sectoren arbeidskrachten tekort. Daarom moet er ook een genereuzer migratiebeleid uitgedacht worden. Migranten vormen geen bedreiging maar integendeel een verrijking.

Werk 9: een democratisch antwoord op de ‘Belgische kwestie’

Tijdens het crisismanagement van de covid 19-pandemie is nog maar eens gebleken dat de Belgische staatsstructuren hopeloos ingewikkeld zijn geworden. Die structuren zijn duur, wat niet eens erg zou zijn als ze vlot zouden samenwerken en voldoende doorzichtig zouden zijn om vertrouwen te wekken. Maar dat is dus niet het geval.

Er zijn twee mogelijkheden: ofwel wordt België verder gedesintegreerd, maar dan moet duidelijk gemaakt worden tot waar dat gaat en welke daar de consequenties van zijn. Ofwel worden federale structuren weer versterkt en wordt er een volwaardige politieke publieke ruimte gecreëerd om die federale coördinatie aan te sturen.

De ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) is niet per definitie tegen confederalisme, alleen zegt niemand wat dit precies betekent. Telt Brussel dan bijvoorbeeld mee als volwaardig gewest of wordt het een confederalisme met twee, het Nederlandstalige en het Franstalige België? En hoe serieus nemen we onze loyale Duitstalige landgenoten?

Als we definitief zouden evolueren naar een structuur met ‘twee democratieën’, aanvaarden we dan dat de Franstalige Brusselaars en de Franstaligen in Wallonië een blok vormen? En beseffen wij dat zulks vrij onvermijdelijk leidt tot separatisme, waarbij Vlaanderen zijn hoofdstad Brussel dreigt te verliezen? En hoe vangen we dat op?

Er kan ook een versterking van de federale staatsstructuren komen zonder dat we naar ‘la Belgique à papa’ terugkeren. Maar dat impliceert dat er een zekere hiërarchie komt tussen de verschillende besluitvormingsniveaus, alsook een kieskring om de federale coördinatie te legitimeren. Geen enkele federale staat overleeft zonder federaal politiek debat.

Het is duidelijk dat de staatsstructuur straks weer ter discussie staat. Maar een nieuwe staatshervorming kan niet zonder voorafgaand politiek debat, met alle pro’s en contra’s. Het is aan de kiezer om keuzes te maken, maar een goede keuze staat of valt met eerlijke informatie. Stemt de kiezer voor partijen die België in de praktijk weg willen, dan moet hij daar achteraf niet over klagen.

Werk 10: de wereld blijft ons dorp

Met de coronacrisis lijken we vergeten te zijn hoe belangrijk de noord-zuidverhoudingen zijn, niet alleen voor het gros van de wereldbevolking in het zuiden maar ook voor ons. Armoede en ellende in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en noem maar op bepalen niet alleen oorlog en vrede maar ook de vele migratiestromen wereldwijd.

Wij zijn bij die noord-zuidverhoudingen betrokken door onze consumptie, onze vrijhandelsmodellen, de wapenhandel en onze internationale politiek. Wij moeten er veel harder dan tevoren over waken dat onze implicatie op het wereldtoneel geregeerd wordt door ethische principes en solidariteit.

Werk 11: onze empathie vasthouden

Tijdens de corona-lockdown hebben velen ontdekt dat de vraag ‘ça va?’ ook gemeend kan zijn. Meer dan ooit tevoren hebben we ons bekommerd om elkaar, om onze familie en vrienden maar ook om de kassierster in supermarkt, de buschauffeur, de passant op straat of een toevallige ontmoeting.

Deze herwonnen empathie en de daarbij horende solidariteit die tijdens deze coronacrisis de kop opstaken, moeten we vasthouden. Mensen kunnen slechts harmonisch met elkaar samenleven als ze zich eerlijk om elkaar bekommeren. Een solidaire samenleving is altijd een gezondere samenleving.

Werk 12: de loopgraven verlaten en geen nieuwe loopgraven maken

De samenleving is – mede door de sociale media – bijzonder ruw geworden. Wederzijdse kritiek en aanvallen zijn het nieuwe normaal. Maar zij leiden nergens toe en verdiepen alleen het onbehagen. Door de urgentie van de crisis leken een aantal klassieke tegenstellingen her en der plaats te maken voor vernieuwde samenwerking.

Dat moeten we vasthouden. Wij moeten de loopgraven verlaten, de steriele tegenstellingen tussen links of recht en mainstream of divers en arm of rijk en sterk of zwak. We moeten ook opletten ons niet tot nieuwe polarisering te laten verleiden, zoals bijvoorbeeld de vermeende tegenstelling tussen jong en oud.

De ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) wil het personalisme als inspiratiebron voor maatschappelijk-politieke actie serieus nemen. Dit gedachtegoed werd in de twintigste eeuw door joodse en christelijke denkers vormgegeven, maar de waarden ervan worden gedeeld door velen met humanistische of islamitische roots.

Het vierstappenplan dat door de founding fathers van het personalisme werd uitgetekend, is nog altijd even pertinent. De eerste stap is de persoonlijke verantwoordelijkheid van elkeen voor het welzijn van de hele samenleving. De tweede stap leert dat deze verantwoordelijkheid alleen in solidariteit met elke andere gelijkwaardige persoon beleefd kan worden, in solidariteit dus met mensen in de onmiddellijke omgeving alsook met mensen veraf.

Ten derde wil het personalisme dat bij deze gedeelde en solidaire verantwoordelijkheid rekening gehouden wordt met zowel het erfgoed van het verleden als met het welzijn van de toekomstige generaties. En ten slotte: beslissingen moeten genomen op een niveau zo dicht mogelijk bij de betrokkenen en in samenspraak met hun zelforganisaties; dat is het zogenaamde subsidiariteitsprincipe.

De ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bIP) wil haar verantwoordelijkheid opnemen: de leden ervan ijveren voor het welzijn van iedereen en ze willen dat doen samen met alle mensen van goede wil. Want de ‘beweging voor Personalistische Inspiratie’ (#bPI) gelooft rotsvast dat wij in vertrouwen samen kunnen bouwen aan post-corona-wereld die beter en menselijker is dan de pre-corona-wereld.

 

Deze oproep wordt onderschreven door Junior Akwety, Kauthar Azouaghe, Brenda Blokland, Bernadette Broeckx, Annick De Smet, Armand Gelkopf, Kelly Keasberry, Marian Knetemann, Benoit Lannoo, Brigitte Meuwissen, Félicien Ndongala Luanda, Jonas Slaats, Chantal Steenssens, Simon en Mirjam Stocker-van Reisen, Jean-François Verhaegen; Leo en Trees Vermeulen-Vandenbussche en vele anderen.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!