Tien vragen bij the Chinese dream

Tien vragen bij the Chinese dream

We gingen op studiebezoek om China beter te leren kennen, naar een land dat zich uit de armoede lift. The Chinese dream, zo noemen ze het zelf. We keerden met een dubbel gevoel van onwetendheid weer. Eén, wat wisten we weinig over China. Twee, wat weten we nog weinig. Hierbij een reeks slotbeschouwingen, op het einde van een ontzettend boeiende trip.

zondag 20 april 2014 15:36

Uiteraard is al bijzonder veel geschreven over China en de spectaculaire
ontwikkeling die het vandaag doormaakt. 
Maar wat van China uiteindelijk doordringt via de klassieke massamedia
is totaal ondermaats.  Ik heb het dan
even niet over de pandagekte die dit land in zijn greep houdt. Op duiding van
de Chinese actualiteiten die uiteindelijk wel die media halen moet je ook al
niet te zeer rekenen.   Hetgeen wat raar is  voor een dergelijke gigant, met een bevolking van 1,3 miljard.  Vooral nu die met almaar meer
zelfbewustzijn zijn plaats tussen de grote landen opeist en een sterk groeiende
impact begint te hebben op onze economie.    

De ontwikkeling die China doormaakt, aan een verschroeiend tempo, is
niet anders dan spectaculair te noemen. 
En dan gaat het niet enkel over die economische sprong voorwaarts, maar
ook over hoe die het aanschijn en functioneren van de Chinese samenleving
compleet aan het veranderen is.  En over
de spanningsvelden die dat opwekt. 
Hetgeen een reeks essentiële vragen oproept. 

1.      
De double digit groei  ligt inmiddels achter de rug.  Dat zit nu eerder rond de 7% per jaar,
hetgeen naar onze maatstaven nog altijd bijzonder hoog is.  Maar hoe houdbaar is dat groeiritme?  So be
it
, zei de ene, less is more: de
tijd is gekomen voor meer kwaliteitsvolle groei, met meer aandacht voor het
welzijn. Perfect houdbaar, zei de andere: omdat er nog een enorm
groeipotentieel is, vanuit de economische ontwikkeling van het binnenland,
doorgedreven urbanisering, investeringen in de diensteneconomie en betere verdeling
van de welvaart, in combinatie te zien.  
Waar wat als die economische motor echt begint te sputteren? Als die
gigantische zeepbellen die de afgelopen jaren werden opgeblazen, niet in het
minst op de vastgoedmarkt, knappen.  Als
het sterk opgerukte schaduwbankieren op de klippen loopt.  Als de wereldwijde kapitaalstromen richting
China een andere bedding gaan zoeken, zeker 
deze die vooral richting China zijn gegaan omwille van enorme reserves
aan laagbetaalde arbeid. 

2.      
Die
economische boost vloekt met alle imperatieven van de duurzame ontwikkeling,
vanuit welk perspectief je dat ook bekijkt (behoudens dan het liften van de
bevolking uit de armoede):  uitputting
van de grondstofvoorraden, klimaatopwarming, 
milieupollutie, vergiftiging van gronden, waters en voedingsstoffen,
biodiversiteit…  Men beseft dat.  Men doet er iets aan.  En geen klein beetje.  Hier gebeurt niks met een klein beetje.  Maar het lijkt vooralsnog toch allemaal wat
dweilen met de kraan open.  Je kunt dat
vergoelijken:  je mag van China niet de
verduurzaming verwachten waar wij indertijd ook de neus voor ophaalden.  Maar op een steenworp verwijderd van de
grenzen van de planeet, is vergoelijking niet meer aan de orde.    

3.      
Al even
spectaculair als de economische ontwikkeling is het urbaniseringstempo, een
doorgedreven politiek om de Chinese bevolking onder te brengen in megasteden,
met de daaraan gekoppelde migratiestromen. 
Omdat de nadruk lag op bedrijfsbezoeken en syndicale en politieke contacten,
konden we nauwelijks een glimp opvangen over hoe het werkelijk is, leven in
zo’n grootstad.  Als het in een  – naar Chinese normen – onooglijk
provinciestadje als Antwerpen al zo slecht schijnt te zijn gesteld met het
sociale weefsel, hoe moet dat dan niet zijn in zo’n Chinese megastad?  Met de bijzondere vraag hoe de jonge
migranten zich voelen in zo’n steden, ver verwijderd van hun familie, als ze
überhaupt al weg geraken uit de slaapblokken, opgetrokken op of in de buurt van
het industrieterrein of de bouwwerf.  Het
klassieke beeld van China is, terecht of ten onrechte, een van een bijzonder
sterke sociale cohesie.   Terwijl nu een
sterk geatomiseerde maatschappij in de plaats lijkt te komen. 

4.      
China is
wereldwijd bijzonder zwaar aan het investeren. 
Voor een belangrijk deel voor zijn grondstofbevoorrading.  Maar ook om tal van andere redenen.  In welke mate gaat dit ook de buitenlandse
politiek van China bepalen? Als de buitenlandse politiek van de Verenigde
Staten overwegend in functie staat van het beveiligen van de Amerikaanse investeringen
en de energiebevoorrading van de Verenigde Staten, dan mag je dat gaandeweg ook
gaan verwachten van een land als China.

5.      
De
(geleide) intrede van China in de globalisering, bracht ook de ontwikkeling mee
van nieuwe maatschappelijke elites, naast de traditionele elite van de
partij.  Volgens Gilbert Van Kerckhove
(al aan bod gebracht in een eerder blogbericht) is in China een nieuwe kaste
van superrijken ontstaan,  net als in
Rusland en de Verenigde Staten. In welke mate gaan die de ontwikkeling en in
China niet naar hun hand trachten te zetten? Net als in Rusland en de Verenigde
Staten, overigens. 

6.      
Al
minstens even belangrijk voor China is dat de economische boost ook een nieuwe
middenklasse heeft doen ontstaan, met andere aspiraties, voor zichzelf en voor
hun kinderen, en van daaruit onvermijdelijk ook een ander verwachtingspatroon
naar de politiek.  Benieuwd hoe dit zich
zal zetten.

7.      
We zijn al
te lang blijven hangen bij de beeldvorming van China als een totalitair
communisme, dat geen afwijkende opinies duldt. 
Nog steeds gevoed door wat bij ons indertijd doordrong van het bloedig
neerslaan van de studentenprotesten op het Tienanmenplein in Beijing in
1989.  Op 4 juni eerstkomend precies 25
jaar geleden. Met die iconische beelden van de Tank Man, op zijn eentje de
legertanks trotserend, die  met de
regelmaat blijven opduiken.   De
werkelijkheid lijkt vandaag genuanceerder. 
Met behoorlijk wat ruimte voor dissidente meningen, politiek debat en
zelfs collectieve actie.  Zolang het maar
niet systeembedreigend is.  Maar het is
precies die randvoorwaarde die maakt dat de burgers en buitenlanders hier toch
permanent onder surveillance lijken te staan. 
De controle van internet is er een exponent van.  Al werd dit door de opkomst van de sociale
media kaas met gaten.  De staat slaagt er
nog nauwelijks in te verhinderen dat negatieve berichtgeving en afwijkende opinies
vrij circuleert.  Hetgeen onvermijdelijk
tot een nieuwe, politieke dynamiek moet leiden.

8.      
Het was
opvallend hoe weinig onze gesprekspartners spontaan de kwestie van de
vergrijzing van de Chinese bevolking aan bod brachten.  Terwijl dit tot de zwaarste uitdagingen voor
China behoort, door het samengaan van een sterk stijgende levensverwachting, de
pensionering van de babyboomgeneratie en de inkrimping van de volgende
generaties door de “één kind”-politiek. 
Ik ging daar in mijn vorig blogbericht al op in.  Gepensioneerden krijgen hier vandaag maar een
bijzonder klein, onleefbaar basispensioentje, 
met slechts weinig werknemers die een aanvullend bedrijfspensioen
verwerven.   En zorgvoorzieningen voor
ouderen zijn geheel ondermaats uitgebouwd. 
Ouderen werden vooral in de familie opgevangen. Maar wat als die families
door de massieve migratie en urbanisering versplinteren?

9.      
Het
Chinese syndicalisme worstelt net als Europese vakbonden met dat spanningsveld
tussen het werken binnen het systeem en systeemveranderend werken, tussen
overleg en actie. Over dat parallellisme had Ferre Wyckmans het al in een vorig
blogbericht.   Al blijft het Chinese
syndicalisme toch wel voor een deel onvergelijkbaar.  Want in het Chinese model zijn de werknemers
baas, is de officiële retoriek.  Dat vind
je zo nog letterlijk staan op de officiële, maar niet meer erg actuele
Engelstalige website van ACFTU, de Chinese vakbondskoepel: (http://english.acftu.org/template/10002/file.jsp?cid=58&aid=140): “Chinese working class is the master of the
State”.  Terwijl die staat nu gericht
buitenlandse MNO’s heeft ingeschakeld in zijn economisch groeimodel.   En dat dit groeimodel ook meebracht dat er
in de industriële groeipolen schaarste is ontstaan aan geschoolde
arbeidskrachten.  Waardoor die mondiger
zijn geworden.  Individueel zijn ze gaan
“stemmen met de voeten”: ze veranderen van werkgever als van hemd, als het hen
goed uitkomt.  Collectief schuwen ze al
lang niet meer werkonderbrekingen als het hen hoog zit.  Waardoor ACFTU ook op zoek moet naar een
nieuwe rol.  Daarin trouwens aangespoord
door de partij, die er moeite heeft die spontane stakingsacties in te passen in
hun harmoniediscours.

10.  
Dat
laatste brengt ook mee dat hier interessante debatten bezig zijn, binnen de
vakbond en binnen de partij, over de erkenning van voor ons vanzelfsprekende
syndicale instrumenten als het recht op collectief onderhandelen en het recht
te staken.  Die beweging leeft het
sterkst in de nieuwe industriële groeipolen van Guangzhou en Shenzhen.  Maar met een nog onvoorspelbare uitkomst.

Het is maar een selectie van de vragen waarmee we terugkeren naar
België.  Naar een land dat China nog
teveel in zijn dode hoek heeft, uit navelstaarderij en/of eenzijdig Angelsaksische
focus.  Naar een land dat vandaag
onevenredig veel energie denkt te moeten steken in het  gekissebis over de locatie van twee Chinese
reuzenpanda’s, terwijl men al jarenlang de opportuniteiten verkwanselt om mee
de vruchten te plukken van de Chinese boost.  
Naar een land dat de China nog steeds teveel bekijkt als het gele gevaar.
Terwijl het – zeker ook gezien onze zware economische moeilijkheden –  een partner kan zijn.  ACFTU, de Chinese vakbond, is dat voor ons al
lang. Na dit studiebezoek ongetwijfeld nog meer.   

Lees zeker ook de afsluitende
bijdrage van Marc Leemans  en Stijn
Sintubin op de Chinablog, die dieper ingaan op dit partnership en de betekenis
daarin van het ACV-studiebezoek.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!