De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Technocratie, Luddisme en de milieucrisis

dinsdag 12 juli 2022 14:48
Spread the love

Van de Community-vertaaldesk

Oorspronkelijk artikel door David King (2019) hier verschenen:

https://www.earthisland.org/journal/index.php/magazine/entry/technocracy-luddism-and-the-environmental-crisis/

Noot van de vertaler: de tekst is licht gewijzigd en ingekort.

 

De groene beweging moet net zo goed nadenken over sociale macht als over technologie.

Meer dan twee eeuwen geleden, op 11 maart 1811, braken textielindustriearbeiders een winkel in Nottinghamshire (Engeland) open en vernielden er verschillende mechanische breimachines. Die waren relatief nieuw voor die tijd en konden breiwerk in massaproductie maken. De actie van deze arbeiders, die zichzelf Luddites noemden, leidde tot een opstand tegen het gebruik van machines die over verschillende industrieën in de regio raasden totdat het protest uiteindelijk in 1813 (met wettig en militair geweld) werd onderdrukt.

De Luddieten waren echter geen technofoben, zoals de geschiedenis graag vertelt, en ze waren ook niet tegen het gebruik van machines op zich. Velen van hen waren zelfs bekwame machinebedieners. Hun slogan was dat ze “machines zouden neerleggen die schadelijk zijn voor Commonality“, d.w.z. voor het algemeen welzijn en het gewone volk, en voor de waarden van een samenleving gebaseerd op de Commons. Ze brachten dat overigens op zelfgedisciplineerde wijze in de praktijk door selectief sommige machines kapot te maken en andere niet. De Luddieten behoorden tot de weinige sociale bewegingen die op een politieke manier over technologie nadachten en die begrepen dat technologie nooit neutraal is. Technologie is namelijk zowel sociaal geconstrueerd als dat het haar eigen reeks ‘technologische waarden’ heeft die het op haar beurt ook vormgeven.

Naar mijn mening is dat de les die de milieubeweging moet leren wanneer het om technologie gaat, juist niet dat het hele probleem slechte technologie is en dat de oplossing dan gewoon ligt in het verbeteren van de technologie, maar dat we moeten ontsnappen aan de neiging om over technologie en samenleving apart na te denken. We moeten techno-sociaal denken.

 

Los het maar op!

De reden dat technologieproblemen zo cruciaal zijn in onze huidige milieucrisis, is omdat technologie de verbinding vormt tussen mens en natuur. De impact van samenlevingen op het milieu wordt meestal bepaald door twee dingen: de technologie die ze gebruiken (vooral om de levensbehoeften van de mens te produceren) en de religieuze en culturele ideeën die ze hebben over de mensheid en haar relatie tot de natuur.

In traditionele en feodale samenlevingen hadden culturele ideeën de neiging de menselijke manipulatie van de natuur te matigen. Maar, zoals veel schrijvers van de groene beweging van de jaren zeventig hebben betoogd, wordt sinds de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw de toenemende technologische controle en overheersing van de natuur gedefinieerd als ‘vooruitgang’.

Ik geloof dat de wortels van de milieucrisis zowel in de technocratische houding ten opzichte van de natuur liggen als in de kapitalistische drang naar winst, groei en accumulatie.

De kracht van het industrieel kapitalisme is dat de technologische, sociale en economische waarden elkaar wederzijds versterken. Er is veel geschreven over kapitalisme, groei, hebzucht van bedrijven en wangedrag, enz., dus laten we ons concentreren op het industriële aspect.

Ik noem het systeem van macht over mens en natuur, gebouwd op wetenschappelijke en technologische kennis, ‘technocratie’. Het bestaat uit verschillende elementen, waaronder:

  • een reeks heersende waarden zoals efficiëntie, uniformiteit/standaardisatie, rationalisatie, stroomlijning, automatische controle, “slimheid”, enz.;
  • de verheffing van de machine tot het ideaal van culturele perfectie. Grootschalige sociale manifestaties hiervan omvatten industrialisme en bureaucratie, die de neiging hebben om een ​​ontmenselijkte en machine-achtige sociale orde te creëren;
  • de dominantie van technische discoursen over andere manieren van denken, en de daarmee gepaard gaande uitvergroting van de macht van technische experts.

Veel van de meest voor de hand liggende voorbeelden van de technocratische waarden van overheersing en controle van de natuur zijn te zien in de industriële landbouw, waaronder de grootschalige herinrichting van landschappen door massale ontbossing, het gebruik van monoculturen die enorme plaagproblemen veroorzaken en de biodiversiteit vernietigen, de onderdrukking (vervolgens) van die plagen met pesticiden, en de behandeling van dieren in de fabriekslandbouw als “productie-eenheden” in plaats van als levende wezens.

Andere actuele voorbeelden zijn synthetische biologie en geo-engineering, waar we de drang naar totale controle over de natuur tot op de kleinste en grootste schaal zien. In deze gevallen is het duidelijk hoe technocratische concepten de natuur schaden. Om echter te begrijpen hoe het algemene industriële systeem tot de wereldwijde milieucrisis heeft geleid, moeten we dieper in de werking ervan kijken.

 

Het echte probleem

In pre-industriële samenlevingen worden de meeste levensbehoeften met behulp van lokale grondstoffen en menselijke vaardigheden geproduceerd op familie- of dorpsniveau. In deze systemen worden de natuurlijke hulpbronnen van de Commons gemeenschappelijk beheerd om de duurzaamheid en de sociale rechtvaardigheid te behouden.

In het industriële systeem wordt de kennis van de arbeiders, zowel van de (natuurlijke) grondstoffen als hun hand-hersenvaardigheden, toegeëigend door de eigenaars van de machines en vervolgens belichaamd in diezelfde machines; de ambachtsman wordt gereduceerd tot een laagbetaalde hefboomtrekker. Het industriële productieproces is efficiënter, maar de vervreemding van de arbeider van de producten van hun arbeid en hun vervreemding van de natuur zijn tenslotte de verschillende facetten van een en hetzelfde techno-sociale proces.

Dit fundamentele proces van onteigening van de mens en de vernietiging van onze relatie met de natuur wordt algemeen beschreven in industriële samenlevingen. Het basisbedrijfsplan van het industrieel kapitalisme is om ons voor onze basisbehoeften afhankelijk te maken van industriële goederen en de markt. Door de mechanisatie van de landbouw en de omsluiting van de Commons (allemaal in naam van de verhoogde efficiëntie), wordt het grootste deel van de bevolking verbannen naar de steden.

De milieu-impact van het industrieel kapitalisme is voorspelbaar. Traditionele productiesystemen, die gebaseerd zijn op lokale hulpbronnen en menselijke vaardigheden, worden beperkt door hun relatief lage energie-input. Hun milieueffecten zijn daarom inherent beperkt. Ze zijn generaties lang getest op duurzaamheid door de directe ervaring van de mensen.

Industriële productiesystemen daarentegen zijn gebaseerd op abstracte en universele technische kennis en zijn daarom inherent veel minder beperkt in hun reikwijdte. Naarmate industriële productieprocessen groeien, worden ze onmogelijk complex en afhankelijk van de winning van grondstoffen uit verre oorden. En naarmate de industriële vertakkingen mondiaal worden, wordt het steeds onmogelijker voor mensen die geen controle meer hebben over het productieproces om enige directe controle uit te oefenen over de effecten ervan op de natuur. Dus als er een probleem is – en problemen komen vaak voor – worden we genoodzaakt campagne te voeren voor de meesters van de industriële technologie om de problemen op te lossen…

 

 

Naar een oplossing.

Bijna alle sociale en milieuproblemen zijn te wijten aan een combinatie van sociale en technische problemen, die meestal het gevolg zijn van de verstoring van de sociale, economische en materiële relaties in de industrieel-kapitalistische samenleving. Vanwege hun technocratische opleiding, die wetenschap scheidt van haar politieke context, hebben wetenschappers de neiging om de spreekwoordelijke persoon te zijn wiens enige gereedschap een hamer is en waar elk probleem eruit ziet als een spijker.

Gefrustreerd door de complexe aard van de problemen en de noodzaak om ze politiek aan te pakken, proberen wetenschappers voortdurend de Gordiaanse knoop door te hakken met technische oplossingen. Maar deze technocratische framing van het probleem creëert evenveel of zelfs meer problemen dan de problemen die ze oorspronkelijk bedoeld hadden op te lossen… En omdat de nieuwe generatie techno-fix ‘oplossingen’, plaatsvinden in een kapitalistische sociale context, dienen dergelijke ‘oplossingen’ dan ook de belangen van de bedrijven.

Een klassiek voorbeeld van een zogenaamd groene technofix is ​​het idee om via genetische manipulatie de oogstopbrengsten te verhogen en zo de wereld te kunnen voeden. De fundamentele misvatting hier is dat mensen over de hele wereld honger lijden omdat er niet genoeg voedsel is, terwijl, en dat is al herhaaldelijk aangetoond er genoeg voedsel is, maar dat arme mensen honger hebben omdat ze het zich niet kunnen veroorloven om voldoende voedsel te kopen, en omdat armoede het resultaat is van onrechtvaardige sociaaleconomische systemen en dus niet van ontoereikende oogstopbrengsten. Kortom honger in de wereld vraagt ​​om een ​​politieke, niet om een ​​technologische oplossing.

In de jaren zestig en zeventig creëerden radicalen die kritisch stonden tegenover de rol van wetenschap en technologie in het kapitalisme andere modellen van technologische ontwikkeling die essentieel zullen worden om de huidige crisis opnieuw te bekijken en opnieuw te leren.

Luddiet zijn betekent vertrekken vanuit een rationeel scepticisme tegenover technologie.

Een van de meest inspirerende daarvan was die van de werknemers van Lucas Aerospace in Groot-Brittannië, die voornamelijk vliegtuigonderdelen voor het leger produceerden. Geconfronteerd met het waarschijnlijke ontslag van veel werknemers in de jaren zeventig, richtten de arbeiders een onofficiële vakbondsorganisatie op, bekend als de Combine, en vroegen werknemers in de 17 fabrieken van het bedrijf naar hun ideeën over sociaal-bruikbare niet-militaire producten die het bedrijf kon maken met behulp van hun vaardigheden en technologie. Als reactie daarop kwamen ongeveer 150 ideeën rechtstreeks van de werkvloer voor producten zoals medische apparatuur en verwarmingssystemen voor arme gemeenschappen, evenals milieu-innovaties die hun tijd vooruit waren, zoals windturbinebladen, hybride automotoren en een bus die zowel over spoorlijnen als over gewone wegen kon reizen. De arbeiders ontwikkelden ook een vorm van ‘mensgerichte technologie’, die hightech is, maar de behoefte aan menselijke vaardigheden niet wegneemt.

Rond dezelfde tijd probeerden anderen technologie te gebruiken om het leven van mensen in het Zuiden te verbeteren. Overheidshulpprojecten probeerden westerse technologieën, de meest beruchte tractoren, in die samenlevingen te introduceren, wat leidde tot een reeks spraakmakende mislukkingen en sociale rampen, omdat de technologieën fundamenteel cultureel ongepast waren. Dit leidde tot EF Schumachers concept van ‘intermediaire technologie’ en tot de ‘passende technologie’-beweging die de radicale stap zette om eerst mensen te raadplegen voor wie de technologieën bedoeld waren en over wat zij dachten dat hun behoeften waren, voordat ze begonnen met het ontwerpen van nieuwe technologie.

De kern van deze alternatieve benaderingen is een breuk met de technocratische gewoonte om door te gaan met hightech-ontwikkeling, ervan uitgaande dat het automatisch beter is voor de mensen. In plaats van te beginnen met de vraag: “Wat is technologisch het meest efficiënt?” begonnen de Lucas-arbeiders en de betrokken technologen met de maatschappelijke vraag: “Wat is maatschappelijk nuttig?”

 

Rationeel scepticisme

Ik stel dat het techno-fix-denken ook gangbaar is in de mainstream milieubeweging, die ontstond als een technische correctie binnenin het industrieel kapitalisme en dus niet als haar (ideologische) tegenstander. Beginnend met Rachel Carson, begon een reeks wetenschappers te waarschuwen voor de schade aan het milieu veroorzaakt door ruwe industriële technologieën. De centrale boodschap was dat er een beter wetenschappelijk paradigma (d.w.z. ecologie) nodig was.

De agenda van de groene beweging is sindsdien consequent vastgesteld door wetenschappers en heeft zich daarom geconcentreerd op technologische oplossingen. Een ander voorbeeld uit de begindagen van de groene beweging is het rapport van de Club van Rome uit 1972 over ‘Grenzen aan de groei’, dat was gebaseerd op een wiskundig model dat ervan uitging dat de bestaande industrieel-kapitalistische machtsverhoudingen zouden voortduren.

Latere gedepolitiseerde technocratische benaderingen omvatten de term ‘duurzame ontwikkeling’, die opnieuw geen vraagtekens plaatst bij de politiek van het kapitalisme, en simpelweg vereist dat de industrieel-kapitalistische ontwikkeling voor onbepaalde tijd kan worden voortgezet zonder het milieu te vernietigen. Dit heeft de weg geëffend voor de huidige “groene kapitalistische” benaderingen, die de orthodoxie van de VN en vele regeringen zijn geworden. Een orthodoxie waar technische verbeteringen zoals “nauwkeurigere boekhouding” voor biodiversiteit en koolstof, verhoogde “eco-efficiëntie” en technologie worden gezien als de beste manier om op de ecologische crisis te reageren, in plaats van de onderliggende oorzaken aan te pakken.

In plaats dus van te kijken naar de sociale en politieke oorzaken van de vernietiging van de natuur, is de reguliere westerse milieubeweging consequent gedepolitiseerd. Deze weigering om techno-sociaal te denken heeft de beweging opengezet voor coöptatie van het bedrijfsleven en kwetsbaar gemaakt voor de zogenaamd groene industriële techno-oplossingen, zoals industriële biobrandstoffen en zelfs kernenergie.

Ondanks alle onmiskenbare voordelen die industriële technologieën ons hebben gebracht, is er echt een inherent structureel probleem dat aan de basis ligt van de milieucrisis. Als je dat accepteert, word je een Luddiet genoemd en zullen mensen je ervan beschuldigen tegen technologie te zijn.

Mijn antwoord aan die mensen is dat het luddisme een anti-technocratie is en geen anti-technologische beweging. Luddiet zijn betekent beginnen vanuit een positie van rationeel scepticisme (geen afwijzing) over technologie en het overwinnen van die bijna onweerstaanbare neiging in onze samenleving om technologie te zien als iets dat los staat van de samenleving en de politiek.

Het overwinnen van het industrieel kapitalisme betekent het creëren van zowel een nieuwe samenleving als een nieuwe technologie die in overeenstemming is met de nieuwe menselijke en sociale waarden van gemeenschappelijkheid. Dat betekent het opgeven van de hoop om de wereld te kunnen redden door middel van groene technofixes zonder betrokken te raken bij de vuile wereld van de politiek in de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking.

Om de planeet te redden, zullen milieuactivisten de mensen uit de arbeidersklasse en de boeren aan hun kant moeten krijgen, wat betekent dat ze ook aan hun kant moeten staan ​​in de kwesties van sociale rechtvaardigheid die hun leven domineren.

Hoe een overgang voorbij het industrieel kapitalisme kan werken, is het onderwerp van een boek dat niet is geschreven. In de komende decennia zullen we het gaandeweg moeten oplossen, en het zal rommelig zijn. Voor bepaalde levensbehoeften kan industriële productie voor onbepaalde tijd nodig zijn, maar één ding is zeker: als we wanhopig proberen vast te houden aan onze industriële levensstijl, zal de crash, als die komt, veel verwoestender zijn. We moeten nu een gesprek beginnen over wat maatschappelijk nuttig is en hoe we de technocratie kunnen overwinnen.

 

 

 

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!