Sjalom

Sjalom

zondag 17 oktober 2010 20:07

Mensen komen en mensen gaan in het gekkenhuis op de Mount Of Olives. Na deze periode zijn er passanten die ik wellicht reeds vergeten ben maar sommigen hebben zo’n aparte uitstraling dat ze moeilijk te vergeten zijn.

Uri is een jonge joodse Nederlander die zich steeds met een extreme rust over zich voortbeweegt. Hij wikt en weegt zijn woorden voor hij ze uitspreekt en komt zo zeer dromerig over maar tegelijkertijd ook zeer bewust van de wereld om hem heen. Heb je geen spirituele motivatie om hier naartoe af te zakken dan is Het Conflict meestal de reden om Jeruzalem een tijdje te bewonen. Uri wil hier, zoals zovelen, de Israëlische en Palestijnse bevolking wat dichter bij elkaar brengen en dit door het wondermiddel voetbal. De finaleplaats op vorig WK had Nederland samengebracht en misschien zou dit hier ook wel lukken. Uri wil een voetbalteam samenstellen dat zowel Israël als de Palestijnse gebieden zal vertegenwoordigen in het volgende wereldkampioenschap. In het verleden werd er reeds zo’n ploeg opgericht en indien hij Guus Hiddink als coach zou kunnen strikken (wat zijn bedoeling is) zou de kwalificatie geen onrealistische droom meer mogen zijn.

Uri heeft beeldende kunsten gestudeerd in Nederland en vroeg me afgelopen vrijdag om mee te gaan op een kunstwandeling door Jeruzalem. We volgden samen zijn plannetje dat ons eerder een zoektocht naar kunst deed beleven dan dat het ons een echte expositie toonde. Misschien kent u dit gevoel ook? Naar iets staan kijken op straat en je luidop afvragen of dit nu het kunstwerk is of wat afval dat iemand heeft achtergelaten. Halverwege de wandeling legden we contact met de joodse organisator van de wandeling die ons in zijn woonkamer wat meer uitleg wou geven over zijn projecten. Het kunstwerk dat voor zijn woning stond was een ingekleurd gezicht dat in de schors van een boom was gekerfd. Het gezicht symboliseerde de verdreven Palestijnen die nog steeds binnen kijken in de huizen die ze tientallen jaren hadden bewoond. Hij organiseert in de joodse buurt Arabische lessen en exposeert binnenkort in Tel Aviv op een tentoonstelling met allemaal joodse kunstenaars die de Nakba (the Disaster, de Ramp, de onafhankelijkheid van de staat Israël) in beeld brengen.

Iets later doorkruisten we de ultraorthodoxe wijk van Jeruzalem en zagen door een raam enkele mensen opgaan in hun gebeden. We waanden ons een weg door de vele spelende kinderen die ieder een zak chips vast hadden en werden bestookt met vragen in het Hebreeuws. Uri spreekt de taal en praatte zich binnen in de synagoge. Ik kreeg van een oudere joodse man met een soort van behaarde, ronde koekendoos op zijn hoofd het keppeltje dat hij er onder droeg. Je hoofd bedekken is een verplichting in een synagoge en de afgeleefde pet van Uri maakte duidelijk dat het bedekken prioritair was op het soort van hoofddeksel. Als enige niet-jood en niet-Hebreeuws sprekende zat ik op een bankje in de synagoge die niet groter is dan een modaal Belgisch klaslokaal. De rode gordijnen die op de muren geschilderd zijn gaven eerder een wanhopige drang naar grootsheid prijs, een verlangen naar een synagoge die de omvang van een opara heeft maar de zielig geschilderde rode gordijnen konden geen van ons beiden echt charmeren. De grote, gouden luchters konden een Disney-achtige indruk nalaten ware het niet dat ze gevuld zijn met veel te fel schijnende spaarlampen.

De dienst was een veeleer individuele belevenis, in tegenstelling tot het groepsgevoel die de kerkdienst poogt teweeg te brengen. De ene zong soms wel iets luider dan de andere maar ik vermoed dat dit geen hiërarchie blootlegde. Terwijl de anderen bleven zingen kon je er gerust eens rechtstaan, even de benen strekken rond het mooi gedecoreerde altaar dat in het midden van de kamer staat en enkele minuten later terug gaan zitten om de draad op te pikken met het gezang. Ik kreeg een boek met alle liedjes en gebeden voorgelegd en verwonderde me over de eerste zin van het boek: “The State of Palestine”. De binnenkant van de kaft van het joodse boek toonde een prent van de Klaagmuur met daarnaast een verwijzing naar de Palestijnse staat. Mijn joodse vriend Uri wist hier geen gepaste uitleg bij te geven en ook later kwam er geen duidelijk antwoord van de biddende mannen. Sommigen interpreteren de Thora zeer strikt en willen geen joodse staat als hun messias hem niet zelf is komen overhandigen, anderen hebben er minder probleem mee dat hun staat met geweld wordt afgedwongen maar over deze delicate kwesties werd er duidelijk beter niet gesproken in de synagoge.

De mannen die even pauzeerden met bidden kwamen ons vriendelijk goedendag wensen en haalden steeds wat zakjes chips uit de kast om de spelende kinderen te bevoorraden. De jongetjes in traditionele joodse kledij en lange lokken die van op de slapen naar de schouders groeiden waren in grotere getale dan de volwassenen aanwezig. De kinderen konden de dienst ongestraft terroriseren. Het altaar was voor hen een groot klimrek, de leuningen van de trappen naar het altaar waren glijbanen, de chips die de mond niet bereikten werden in de hoeden van de biddende mannen gegooid en de lege zakjes werden met wat speeksel aan de lange zwarte jassen van de volwassenen gekleefd. Met grote ogen sloegen zowel Uri als ik dit hilarische tafereel gade en de kunst was om elkaar niet in de ogen te kijken, een slappe lach ging anders niet kunnen uitblijven. Ik smaakte reeds wat bloed in mijn mond omdat mijn tanden zich hard in mijn lip aan het boren waren om te verhinderen dat ik in luid lachen zou uitbarsten. Ik had deze orthodoxe gemeenschap steeds met uitgestreken gezicht gezien en plots waren hun hoeden vuilnisbakken en hun jassen aanplakborden voor chipsreclames. De ergste vorm van antisemitisme die ik in mijn leven met eigen ogen had gezien en dan nog afkomstig van hun eigen nageslacht!

Na de dienst kwam de oudere man, die mij zijn keppeltje had geleend, ons vragen of we het avondmaal niet wilden nuttigen in zijn woning. Deze kans krijg je niet zo vaak en dus volgden we de man die thuis met zijn zonen zou zingen en eten om de sabbat in te luiden. Het huis bleek een klein appartementje te zijn met enkel een kleine keuken, bijpassende badkamer, een slaapkamer met twee eenpersoonsbedden en een eetkamer die volledig gevuld werd met één lange tafel. Nergens was er een zitkamer te zien en ook televisie, telefoon of radio kon ik hier nergens bespeuren. Op tafel stonden er, in een houder van menukaarten, boekjes met gebeden en liederen. Uri en ik kregen elk zo’n Hebreeuws boekje in onze handen gestopt en na ieder lied moest Uri de heilige inhoud aan mij overbrengen. Een vers van een liedje herkende ik uit “Gangsta’s Paradise” van Coolio: “As I walk through the valley of the shadow of death“ maar de meeste verhalen gingen toch over het joodse lijden en de vele vijandigheden die het volk ervaren heeft en nog steeds ervaart. Omdat door al deze tegenstand het volk nog niet is uitgeroeid maakte men de conclusie dat dit het bewijs is van de suprematie van het joodse volk. Uri excuseerde zich uitvoerig voor deze houding van zijn religie-genoten want hij zag de uitspraak over hun superioriteit als een aanval op mij persoonlijk. Ik had ook bepaalde handelingen in het sabbat-ritueel niet mogen uitvoeren en voor Uri ging deze uitsluiting te ver. Ik kon merkelijk beter met hun houding overweg dan hem. Ik wou liever hun god niet teveel staan te prijzen als ik er toch niet in geloof. Als ik me overgeef aan een persoon, laat het dan met volle goesting zijn, ongeacht of de persoon hemels of aards is.

Met de plaats van de vrouwen bij deze maaltijd hadden we dan weer beiden heel wat problemen. De vrouwen hadden een enorm blanke huid, ingevallen wangen, uitpuilende ogen, zaten stil en emotieloos te wachten tot Uri, ik en hun mannen duidelijk meer dan genoeg gegeten hadden. Als er teken werd gegeven mochten ze de restjes onder elkaar verdelen en de volgende gang serveren.

Bij de tweede van de drie gangen ging de sabbat in en viel over de ganse wijk de elektriciteit uit. Normaal is de maaltijd dan al achter de rug en kan er bij nachte verder gezongen worden maar door de uitleg over het jodendom, de vertalingen en mijn vele vragen had de maaltijd vertraging opgelopen en de sabbat laat niet op zich wachten. In volledige duisternis trachtten we allen het lekkere voedsel naar onze mond te brengen en de restjes aan de drie ongezond ogende vrouwen over te geven. Een schuldgevoel overviel me bij iedere hap want alles wat ik overvloedig in mijn mond ging stoppen was iets minder dat één van de vrouwen te eten ging krijgen en zij hadden duidelijk meer nood aan een gezonde maaltijd.

Op de lange wandeling naar huis was ik dolenthousiast over deze uitzonderlijke ontmoeting maar Uri luisterde zeer gelaten zonder mij echt van antwoord te dienen. Ik was voornamelijk blij met de nieuwe inkijk in deze gemeenschap en met het keppeltje dat ik cadeau had gekregen. De man die een ganse dag als Hebreeuwse tolk had gefungeerd was eerder bedroeft over de teksten die de superioriteit van zijn volk dienden te bewijzen en de onderdrukking van de vrouw in het huis. Hij had weinig goede woorden over voor de houding van de mannen en verduidelijkte dat er met deze mensen geen stap dichter naar vrede zou worden gezet. Ze leefden volgens hem te zeer in hun eigen gemeenschap om open te staan voor een andere cultuur, laat staan om er mee te kunnen samenleven. Deze conclusie had ik ook reeds gemaakt bij het babbelen met Israëlische militairen of met Palestijnse mensen op de Westelijke Jordaanoever. Het vervreemden van de andere kant van de muur doet die andere gemeenschap transformeren in een object en zo wordt deze ontdaan van iedere hartslag die er door de gemeenschap slaat, van al het bloed dat door de maatschappelijke levensader stroomt.

In de eerste stappen naar vrede van het joodse volk wou Uri graag zijn aandeel hebben en de hoop die we in de namiddag hadden opgedaan bij de kunstenaar bleek plots ver te zoeken. Terwijl Uri duidelijk triest was met deze ganse ontmoeting bleef ik de gastvrijheid van het gezin prijzen. De maaltijd valt goed te vergelijken met de maaltijden die ik mocht nuttigen bij Palestijnse gezinnen. In beide gevallen word je er met open armen ontvangen en gaan alle gesprekken over slechts één thema: hun volk. Vandaag was dit voor de verandering het superieure, religieuze, joodse volk. In Palestijnse gezinnen gaat het dan eerder over hun onderdrukte volk dat lijdt onder de bezetting.

Graag had ik eens gebabbeld over de dagelijkse bezigheden van de mensen waarbij ik aan tafel mocht schuiven maar afwijken van hun grootste obsessie, hun volk, blijkt nog steeds o zo moeilijk.

T.T.

 

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos:
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!