Saneren, ja, maar niet op gelijk welke manier

Saneren, ja, maar niet op gelijk welke manier

maandag 8 augustus 2011 14:17

Al naar gelang de bron moet ons land 17 tot 22 miljard euro tegen 2015 saneren om onze begroting terug in evenwicht te krijgen. Politici van zowat alle strekkingen zijn het over deze doelstelling eens. Opmerkelijk is ook dat die doelstelling ook door geen van de sociale partners ten gronde wordt gecontesteerd. We kunnen immers maar beter met een gezonde begroting klaar staan wanneer de vergrijzingskosten echt beginnen oplopen.

Minder eensgezindheid is er over de vraag hoe te saneren. Al naar gelang politici zich eerder rechts of links op het ideologische spectrum bevinden lopen de bevindingen sterk uiteen.

Niet weinig verwonderlijk pleiten liberale politici en werkgevers er vooral voor om via besparingen op overheidsuitgaven onze begroting terug in evenwicht te brengen. Er wordt geargumenteerd dat belastingverhogingen de consumptie aantasten en dus nefast zijn voor de economische groei. Als de vraag gesteld wordt, waar dan wel bespaard moet worden, verliest de argumentatie meteen al flink aan geloofwaardigheid. De voorstanders van besparingen denken immers eerst en vooral aan het kortwieken van sociale voorzieningen, pensioenen, gezondheidszorg ook. Dat dergelijke besparingen meer de economische groei vrijwaren dan sommige belastingverhogingen, is niet zo moeilijk te ontkrachten. Bovengenoemde uitgavenverminderingen treffen immers direct de koopkracht van bevolkingsgroepen die traditioneel een groot deel van hun inkomen (moeten) uitgeven aan consumptie. Wie leeft van een pensioen, een werkloosheidsuitkering of een uitkering als mindervalide heeft doorgaans niet zo veel mogelijkheden om na alle vaste uitgaven nog een flinke som in een spaarpotje opzij te zetten.

Naast het asociale karakter van harde besparingen in de sociale sector is er dus ook een economische logica om dit niet te doen: via het herverdelend systeem van belastingen, sociale zekerheidsbijdragen en uitkeringen voor wie door een sociaal risico getroffen worden, worden inkomsten gedraineerd naar groepen die deze grotendeels terug uitgeven en daarmee de consumptievraag hoog houden. Waardoor de economie een groeipad blijft volgen, waarbij hogere inkomens ook zorgen voor hogere belastinginkomsten, die de schuldgraad op een veel gezondere manier kunnen terugdringen.

Belastingverhogingen op bijvoorbeeld kapitaalinkomsten of op meerwaarden op aandelen daarentegen, romen een inkomstenbron af van wie er doorgaans veel beter voor staat. De extra inkomsten uit kapitaal worden niet zozeer gebruikt voor consumptie, maar eerder voor nog meer sparen en beleggen. Niet onmiddellijk activiteiten die zorgen voor een stimulans van de reële economie, al zullen banken en beleggingsadviseurs hun potentiële klanten wellicht wel met open armen ontvangen.

In de aanloop naar de financieel-economische crisis zagen we precies hoe bovenstaande evolutie hand over hand toenam: de winsten van ondernemingen, en dus van beleggers stegen alsmaar, terwijl het loonaandeel in zowat alle westerse economieën afnam.   Het gevolg was een dalende koopkracht en dito consumptieve vraag en een steeds groter deel van het BBP dat zijn weg zocht naar rendabele beleggingsformules om grotere financiële winsten te zoeken. Tot de crisis miljarden van deze fondsen in rook deed opgaan. Miljarden die in de reële economie zouden gezorgd hebben voor een duurzame economische groei, indien ze naar loontrekkenden waren gegaan.

Wie nog niet overtuigd is van het effect van eenzijdige harde besparingen kan best ook het gezondheidsbulletin van de Griekse economie even doornemen. Onder druk van het IMF en Europa werd Griekenland zowat wereldkampioen overheidsbesparingen. De er mee samengaande recessie verdient spijtig genoeg wellicht ook een plaatsje in het ‘Guiness Book of Records’. Of neem Groot-Brittannië, een land dat onder de rechtse regering van conservatieven en liberalen eveneens massaal inzette op snoeien in de overheidsuitgaven en daarbij o.m. duizenden ambtenaren op straat zette. Het resultaat is een slabakkende economie, krimpende gezinsuitgaven, een sluimerende vastgoedsector, kortom een negatieve spiraal van dalende verwachtingen, groeiende werkloosheid en gezinnen die de vinger op de knip houden uit angst voor nog meer economisch onheil.

Al te dikwijls wordt een overheidshuishouden gemakkelijk maar onterecht vergeleken met het beheer van een gezinsbudget. Wie als gezinshoofd vaststelt dat de uitgaven de inkomsten overstijgen, kan met het snoeien in de uitgaven vlug orde op zaken stelt. Wanneer een overheid hetzelfde doet bij niet-sluitende begrotingen, moet ze goed oppassen dat niet meteen de hele economie doodgeknepen wordt.

Luc Cortebeeck, ACV-voorzitter

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!