Reactie op de opinie van Herman Van Goethem, rector Universiteit Antwerpen en voormalig conservator van de Kazerne Dossin in Mechelen, op vrtnws.be (15/11/2019)

Reactie op de opinie van Herman Van Goethem, rector Universiteit Antwerpen en voormalig conservator van de Kazerne Dossin in Mechelen, op vrtnws.be (15/11/2019)

zondag 17 november 2019 17:11

Naar aanleiding van de (aangestoken) brand in het toekomstige asielcentrum in Bilzen publiceerde rector Van Goethem van de Universiteit Antwerpen gisteren een opiniestuk op vrtnws.be. Vanuit een historische focus maakt hij daarin een diepgaande, messcherpe analyse van de ruimere politieke context in ons land op dit moment. Ik ben het grotendeels eens met wat hij schrijft; zijn tekst is in mijn ogen dan ook erg waardevol. Desondanks (en dit mede door zijn bijwijlen toch vrij academische taalgebruik) prikkelde hetgeen hij schrijft mij ertoe om deze reactie neer te pennen.

 

De rector begint met de vaststelling dat deze brand dag op dag op de verjaardag van de ‘Kristallnacht’ plaatsvond. Hij maakt evenwel niet duidelijk of dit volgens hem al dan niet als toeval beschouwd moet worden; dat blijft dus een open vraag. Zelf vind ik dit punt voer voor een aparte analyse en ga ik er hier dus ook niet verder op in.

Vervolgens maakt de professor, gestoeld op het fenomeen van de carnavalsstoet, de (of misschien beter: een) vergelijking tussen het heden en de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij poneert dat een (voorziene? Te verwachten?) Aalsterse carnavalsstoet met Joodse karikaturale poppen in 2020 volgens Unia niet aanzet (zal aanzetten?) tot haat. Dan stelt hij zich daarbij de vraag of het huidige juridische kader in dezen eigenlijk wel volstaat. Vervolgens concludeert hij dat de jaren 1930 ‘duidelijk terug van weggeweest’ zijn.

Ik wil daarover allereerst zeggen dat ik van mening ben dat er geen principiële begrenzingen gesteld mogen worden aan de vrije meningsuiting (en bijgevolg dus ook niet aan humor) – tenminste, zolang men niet aanzet tot haat of geweld. Dat is wettelijk ook zo bepaald, en zo hoort het volgens mij ook. Elke inperking van de vrije meningsuiting is in essentie immers een vorm van censuur, en leidt daarom uiteindelijk onvermijdelijk tot willekeur.

Misschien enigszins controversieel vind ik dan ook dat het feit dat iemand door een bepaalde mening gekwetst wordt, geen argument is om het uiten van die mening dan maar te verbieden. Het is immers zo dat, wat men ook zegt, er altijd wel ergens iemand te vinden is die daardoor gekwetst of beledigd is. Men kan het jammer vinden, maar gekwetst worden hoort nu eenmaal bij het leven. Daar moet men dus mee leren omgaan, of men dat nu wil of niet.

Dat gezegd zijnde wil ik toch graag benadrukken dat het bewust en bedoeld kwetsen van anderen hier duidelijk buiten valt. Als men een grap maakt omwille van de grap zelf (‘for the sake of the joke’, zoals men dat in het Engels zo mooi uitdrukt), en men kwetst daar iemand mee, dan is dat jammer, maar ook niet meer dan dat. Degene die daardoor gekwetst of beledigd wordt, moet daar maar mee leren omgaan. Hoe hard dat ook kan klinken, zo is het leven nu eenmaal.

Iets heel anders is het wanneer men een ‘grap’ maakt enkel met de bedoeling om anderen (zo hard mogelijk) te kwetsen. Ik zet ‘grap’ hier bewust tussen aanhalingstekens, want zoiets valt voor mij niet onder humor. Humor is bedoeld om anderen aan het lachen te brengen, en dus per definitie niet om anderen te kwetsen. En nu kom ik dan ook eindelijk tot mijn punt hierover: een carnavalsstoet met Joodse karikaturen kan best een keer grappig (en dus acceptabel) zijn, maar bij herhaling vervalt de humor daarvan. Iemand die telkens weer opnieuw dezelfde mop vertelt vinden we op den duur toch ook niet meer grappig – of dacht ik dat maar?

Vervolgens komt de rector met een viertal voorbeelden van ‘structurele gelijkenissen’ die volgens hem aantonen dat ‘de jaren 1930 terug van weggeweest’ zijn. Hij noemt dit ‘een systemische contestatie van de liberale democratie gestoeld op de mensenrechten’. Daarmee bedoelt hij niet meer of niet minder dan dat ons huidige model van de moderne democratische rechtsstaat onder vuur ligt. De voorbeelden die hij geeft vormen een opsomming van de symptomen daarvan: de massa en de leider; nationalisme; de kracht van het woord (of ook: populisme); en tot slot ‘nieuwe media’. Hierin volg ik hem, al zou ik niet kunnen zeggen of deze opsomming al dan niet volledig is.

Dan komt Van Goethem tot de rode draad doorheen dit alles: de toenemende polarisering in onze huidige maatschappij. De oplossing die hij aanreikt is even simpel als logisch (en ik citeer): wie de polarisering wil tegengaan, moet een verbindend discours nastreven. Volgens hem hebben we daarom nood aan ‘bruggenbouwende’ politici die ‘een vernieuwd maatschappelijk project op gang brengen’ door gebruik te maken van de nieuwe media van deze tijd, die, nog volgens Van Goethem, momenteel het monopolie van populisten lijken te zijn. “Leugens kunnen worden tegengesproken. Mensen kunnen worden geïnformeerd”, zegt hij daarover. Dat klopt natuurlijk, maar het blijft ook nogal vaag.

Voor het aanpakken van het ‘heikel punt’ van het nationalisme heeft de professor dan weer wel een concreet voorstel: Europa moet ‘verschillende snelheden accepteren’ en lokale autonomie moet meer gewaardeerd worden – “zoiets als een ‘Europese staatshervorming’ op zijn Belgisch”, noemt hij dat. Ik zou het niet meer met hem eens kunnen zijn. De natiestaat is een voorbijgestreefd model uit de vorige eeuw; de toekomst ligt in een Europa van de regio’s, een idee dat in de loop der geschiedenis al meermaals werd voorgesteld, maar waarvoor de tijd eerder nog niet rijp was. Vandaag (of in de nabije toekomst) ligt dat misschien wel anders. Daarbij wijst Van Goethem op het belang van lokale cultuurpolitiek als hefboom.

Uiteindelijk concludeert hij dat ons beleid vooral meer sociaal gericht moet zijn. Ook hierin volg ik de rector. Terecht stipt hij evenwel aan dat dit om een fundamentele koerswending vraagt. Hij wijst erop dat de kloof tussen arm en rijk in België de voorbije decennia enkel groter geworden is. Voor zover ik heb kunnen nagaan klopt dat inderdaad, zij het minder dan in de rest van de wereld. Van Goethem besluit daaruit dat de sociale herverdeling in ons land moet worden bijgesteld. Ook dat ben ik in principe met hem eens.

Maar dan komt het volgende: “Veel meer dan in andere landen versterkt het Vlaamse onderwijssysteem de socio-economische ongelijkheid. Ook op de werkvloer is Vlaanderen meer discriminerend dan elders”. Waar hij dat vandaan haalt is mij een compleet raadsel – ik dacht dat Vlaanderen/België net een van de meest herverdelende landen ter wereld was. Hij geeft er jammer genoeg ook geen cijfers over, noch vermeldt hij enige bron. Een simpele zoekopdracht via Google leverde echter de volgende resultaten op (bronnen onderaan):

  • In tegenstelling tot elders groeit de kloof tussen arm en rijk in ons land niet (De Tijd, 2017);
  • Volgens een artikel van Christophe Callewaert op De Wereld Morgen zou dat evenwel niet (of slechts gedeeltelijk) kloppen, dan wel op zijn minst genuanceerd moeten worden;
  • Hoogleraar Ive Marx stelde in 2018 in een artikel op vrtnws.be dat de inkomensongelijkheid (1985 – 2014) in de meeste landen toenam, maar niet in België;
  • Volgens De Morgen krimpt de kloof tussen arm en rijk in België (1990 – 2014) zelfs;
  • Al is dat volgens de PVDA dan weer niet waar, of dient ook dat toch minstens genuanceerd te worden;
  • Tot slot schetst armoedebestrijding.be een zeer genuanceerd beeld van armoede in België en Europa en de evolutie ervan tot 2018, uitgebreid geïllustreerd met cijfermateriaal.

Als uitsmijter geeft Van Goethem nog mee dat ‘alle verantwoordelijkheid op de overheid verhalen al te makkelijk is’ en dat ‘ons stevig ingebed middenveld eveneens een cruciale rol kan spelen’. Bij dat laatste punt stel ik me toch de vraag hoe dat middenveld deze rol dan wel concreet kan blijven opnemen onder de niet aflatende aanvallen van de huidige Vlaamse regering – een element dat de professor lijkt te ontgaan (of waar hij alleszins niet verder op ingaat). Jammer.

Tot slot stelt hij ook nog dat “eenieder vooral zichzelf kritisch [moet] bevragen: hoe zelf bijdragen aan een minder polariserende samenleving?” Ook dat ben ik, althans in theorie, met hem eens: natuurlijk moet iedereen doen wat hij/zij kan om de momenteel hoogtij vierende maatschappelijke polarisatie een halt toe te roepen. Maar gezien de politieke toestand van vandaag en het polariserende discours van de huidige machthebbers, vind ik het op dergelijke wijze minimaliseren van de verantwoordelijkheid van de overheid eigenlijk, nou ja, ‘wat al te makkelijk’.

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!