De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Schrijvers met teveel haar op de tanden. In de marge van het debat Kolonisatie

dinsdag 16 februari 2021 08:23
Spread the love

R. L., het zijn geen initialen die verwijzen naar de figuur in het werk van Elsschot, Rudi Laeremans. Ik ga met die letters de schrijver aanduiden waarmee ik gisteren een incidentje heb gehad. Ik volg de figuur al een jaar of vijf-zes via sociale media, hij is iemand gebleken die graag aanvalt vanuit hinderlagen werkt. Het liefst doet hij dat gericht op personen en instellingen die algemeen bekend en gerespecteerd zijn. Zoals onze natie, het koningshuis, bepaalde staatsmannen en eerste ministers. Mijn laatste boodschap aan betrokkene op het Facebookprofiel heb ik beëindigd met de woorden: “Uw rancune, uw belegen haat naar onze gemeenschap, zij wekt heilige woede op. Daarom ga ik ervan uit dat wanneer ik wegblijf, anderen het werk zullen overnemen. Dat mensen zullen granaten duwen in de gleuf van de foxhole waarin u zich verschuilt en bijtende teksten bedenkt”.

Betrokkene, die schrijft over het onderwerp van de transitie, maar alleen tijdens de allerlaatste klimaatbetoging van het eco-revoltejaar even is opgedoken in de rangen van de activisten waar ik al zeventien weken opstapte, heeft mij niet zomaar een beetje boos gekregen. “De beschuldiger” is in de Europees-Joodse traditie een van de namen voor de Duivel. Duivel die we kunnen begrijpen in het licht van bestaande personen waarin het kwaad is gaan wonen. Die naam van grote beschuldiger kan R.L. met recht claimen. Die identiteit bestrijd ik met genoegen en met vuur. Hij liet zich vorig jaar opvallen door zijn weigering in te gaan op de uitnodiging verantwoordelijkheid op te nemen in de betreffende commissie over Kolonisatie, die na de acties van Black Lives Matter en het toenmalige debat, waaraan ik persoonlijk met stukjes heb bijgedragen, is opgericht.

Een jaar of twee geleden viel ik in verbazing, en gaf ik dat ook beleefd aan, toen de schrijver van boeken op zijn profiel een ongelikte beer bleek, die zijn frustraties dat de klimaatrevolte niet dadelijk langs de lijnen verliep die hij in zijn hoofd had ontworpen, niet kon onder stoelen en banken steken. Het gevloek op allerlei partijen  was niet van de lucht. Of de kerel iets heeft geleerd van mijn opmerkingen weet ik niet, maar de laatste dagen was de stijl die hij hanteerde serener, meer een schrijver waardig.

Onlangs, op 12 februari, bracht hij op zijn profiel dan een hele reeks uithalen, die hij zelf “schoten voor de boeg”, noemde, naar een lid van deze commissie, bekend auteur over de Belgische kolonisatie en de Congolese geschiedenis, Zana Etambala. Die geleerde historicus is van geboorte Congolees, vanaf zijn negende opgevoed bij een gastvrij pleeggezin in de Vlaanders, en  een kennis, een goede vriend sinds dertig jaar en een intellectuele partner waarmee ik graag in gesprek mag gaan. Nadat ik in de loop van 48 uur een aantal doordachte kanttekeningen schreef bij de beschuldigingen en beweringen van R.L., en toen die erop reageerde door laaghartig en tegelijk hooghartig op de man te spelen, (dat kan hij, dit soort huzarenstukjes), heb ik hem op dat platformpje beloofd twee maanden geen berichten te posten.

Hij had mij een kletsmajoor genoemd. Ik vermoed dat de jonge man er niet bij kan dat iemand met mijn expertise “zijn tijd wil steken” in uitgebreide antwoorden, reacties en interactie met lezers en gevers van commentaar op een Facebook profiel. Voor mij gaat dit terug op een dertig jaar lange traditie, waarbij lezers reageerden op mijn opiniestukken en lezersbrieven in De Standaard, en op mijn intensieve deelname aan fora zoals DS Online, waarvoor we schriftelijke felicitaties ontvingen van de hoofdredacteur voor het doeltreffend samen bewaken van de goede orde en toon. Voor mij is dat directe contact met de mensen, de andere zoekende zielen, essentieel en waardevol. Het is een bron van inspiratie, oriëntatie, motivatie en energie. Ik vermoed verder dat L. zijn persoonlijke statuut als schrijver van monografieën erg hoog inschat.

Ik heb hem in een bondig antwoord dan maar belicht in zijn positie van iemand die schiet op anderen die intellectuele arbeid leveren in een positie waarvoor hij zelf blijkbaar niet de contactvaardigheid (en openheid en moed) bezat om toe te treden. In mijn afscheidsvuurwerk heb ik militaire terminologie ingezet, mede geïnspireerd door het boek van historicus Anthony Beevor over de slag bij Stalingrad dat ik momenteel bestudeer. Daarin is  Beevor ook juist inspirerend omdat hij de mogelijk grootste militaire hel ooit op aarde in menselijke termen beschrijft, van dichtbij, met oog voor de gruwel, maar op waardige wijze en met gedoseerd respect naar alle spelers, naar vriend en vijand. Dat is heel ander niveau  dan wat je te lezen krijgt in boeken en Facebook posts van R. L. Ik sprak in de derde persoon als iemand die zich in zijn bibliotheek-bunkertje terugtrekt en kanonschoten lost op integere mensen.

 

Hoe was het zo ver gekomen? Gedurende jaren en vooral bij het lezen van zijn studie over klimaat, milieu en natuur en wat de mens daarmee fout heeft gedaan, was mij opgevallen dat de man erudiet  maar ook extreem beschuldigend schrijft. Zowel in die studie (“Wanneer de laatste boom is geveld…”), als in zijn stukjes over de (de)kolonisatie, wil hij blijkbaar de regionale krijgsauditeur zijn, de niet aangestelde, maar wel zo gretige, gewonde, gebelgde Culpabilisator van de lage landen. R. L. heeft zoals bekend Mark Eyskens voor het hoofd gestoten, door in betreffend boek slecht of niet gefundeerde beschuldigingen te uiten over de rol van Gaston Eyskens, toen actief als eerste minister, in de woelige wording van de onafhankelijkheid van Congo en de kwestie Lumumba. In mijn vriendenkring zijn er nog fijne, menselijk ingestelde denkers en schrijvers die een afkeer hebben ontwikkeld naar R. L. nadat zij vaststelden dat hij geregeld hatelijk uit de hoek komt naar de christendemocratie en naar het christelijke element in onze samenleving. Op sommige punten heb ik de man daarover bijgespijkerd op het forum, en hij heeft dat ook op een aantal punten aanvaard. Ook het koningshuis nam R. L. geregeld op de hak. Wie mij leest weet dat ik tegen domme kritiek op de dynastie niet goed tegen kan. Daarover heb ik argumenten uiteengezet. (Wie een koning pogend neerhaalt, treft de gehele bevolking die in deze figuur in feite wordt gerepresenteerd. Veel dergelijke kritiek, die na te woeden, de laatste jaren weer is gaan liggen, kwam zeker voort uit geestelijke armoede en concreet uit de ziekte die niet in de DSM maar in Van Dale staat beschreven onder het lemma “ symboolblindheid”.)

 

L. is voor mij de laatste jaren dan ook gaandeweg minder interessant gebleken dan de eerste indruk liet vermoeden. Geregeld heb ik zijn profielberichten gevolgd en er kritisch op gereageerd, de ene keer aanmoedigend, de andere keer corrigerend, wanneer dat de correcte houding leek. Ik nam telkens weer afstand omdat het zulke wrange, bittere, subtiel of fel bijtende taal en teken betrof. Omdat ik geloof ook, in het adagium dat wijze filosofen even goed als wiskundigen voeren: enkel wat mooi is, kan ook waar zijn.

In het debat van de laatste dagen viel mij op hoe de man – die barst van de intellectuele en politieke ambitie – in zijn denken door een kleine, sterk door marxistische ideologie gekleurde bril blijft kijken. Daardoor beseft hij ondanks een zekere expertise over midden Afrika en kolonisatie, bijvoorbeeld niet hoe in Congo en omstreken tot op vandaag vormen van magie, van kwaadaardige, egoïstische, pogend anderen beschadigende religie blijven heersen, en dit zowel op het platteland als in de megasteden. Ook anderen hebben in een sterk geseculariseerd land als het onze er ongetwijfeld geen idee van hoe prominent zowel godsdienst als hekserij er de dagelijkse kost uitmaken. Door die bril (Marx was niet erg positief over godsdienst) kan R. L. dan niet in beeld krijgen hoe de rol van koloniserend België in het gebied van de Grote Meren alvast op dit terrein goede invloed heeft gehad. Gepakt en gezakt als het koloniseren was, niet alleen met organisatorische, economische, medische, ingenieurs- en andere kennis maar ook met het christelijk geloof. Met christendom en waarden van de Verlichting. Dat christelijk geloof, rationeel denken en gedragsadvies dat in vergelijking met de voodoo, de hekserij, is gekenmerkt door zijn milde, zorgende, ingetogen, welmenende, op vergeving gerichte leer en ethiek. Visie die wortelt in het leven van Jezus en heiligen zoals  Franciscus en profetische figuren als Mozes en Jesaja. Een  verhaal en ethiek dat bekend is uit de evangelies, de handelingen, bepaalde briefwisseling, biografieën, theologische traktaten, encyclieken, enzomeer.

L. acht zichzelf kennelijk een hele autoriteit op het vlak van kolonisatie en dekolonisatie, maar het is de vraag hoeveel hij kent en aanvoelt van het bruinhuidige volkje dat hij meent op te tillen door de Belgen neer te halen. Mijn eigen expertise is aanzienlijk, door omstandigheden en noeste studiearbeid. We hebben diverse colleges gevolgd in de Afrikaanse culturele en sociale antropologie, onder andere bij de professoren Neckebrouck, Roosens, Devisch, De Boeck. Daarbij heb ik destijds tientallen goede kennissen en een tiental nauwe vrienden mogen frequenteren uit een reeks West-, Midden- en Zuidafrikaanse landen. Onder andere via mijn lidmaatschap van de Engelstalige universitaire parochie van de Leuvense universiteit.

 

Die blindheid voor dat stuk zwart-Afrikaanse mentaliteit en realiteit komt R.L. in zijn boosaardige doelgerichtheid wel zo goed van pas: zo is hij “vrij” om zowel België als koloniserende aanwezigheid en de rol van de waaier aan landgenoten alleen maar in een kwaad daglicht te kijk te zetten. In de loop van de laatste dagen is dit debat scherper en scherper geworden, omdat L., zichzelf en zijn standpunten niet in staat blijkt (in publiek debat) in vraag te stellen. Het riekt allemaal naar het bekende syndroom: voor sommigen is succes het slechtste wat hen kan overkomen. Ze gaan naast de schoenen lopen, onverdraagzamer  reageren naar andere stemmen en actoren, in eigen superioriteit geloven. Persoonlijk had ik zoals gezegd om diverse redenen al een klein jaar dat profiel niet meer bezocht. Zijn boek over ecologie had ik in de maanden van marcheren met de klimaatjongeren aangeschaft en mede door ’s mans verwijzingen ernaar, was ik het beginnen lezen. De toon ervan is echter zo heftig beschuldigend, in vele richtingen, en zeer scherp, zonder tact, zonder begrip te tonen voor betreffende figuren en instanties, dat het mij na de eerste veertig pagina’s onleesbaar werd en ik het heb weggelegd tot op vandaag. De man stelt zichzelf op als was hij de heiligheid en integriteit zelve. Hij blijkt graag veel meer rechter en scherprechter, strafrechter dan  interpretator of aanreiker van hoopvolle, constructieve, stimulerende perspectieven. Mensen die gaan peuteren naar het kwaad bij anderen, dat soort heeft mij al vroeg met antipathie vervuld. Fijne mensen met grote talenten zoals voormalig rector Marc Vervenne, spraken publiek terecht hun afkeer uit over zulke houding  en kleinzielige passie. Vervenne weigerde die oefening te doen, zelfs toen hij door concurrenten ten val werd gebracht, en een radio-reporter er hem toe trachtte te bewegen. De kerel in kwestie doet niets liever dan peuteren naar het kwade, hij schrijft aan zijn tweede boek over de dood van een Afrikaanse politicus die voor hem werd vermoord om politieke redenen.

 

Op de avond van de vijftiende had betrokkene, opnieuw de inhoudelijke verrijking die ik het debat had geboden, afgewezen en bovendien was hij de andere weg opgegaan, met laatdunkende uitlatingen over mijn voorstel zijn vertrouwde  plaatje van Kolonisatie en Zwarten te verruimen en te verdiepen. Daarop heb ik mij tot een korte reactie beperkt, die dit keer zoals hij zelf in zijn mannelijke passie voor tunnelzicht, scheen te vragen, dicht bij het onderwerp van het betreffende beschuldigende bericht bleef dat hij had geplaatst: de visie en teksten (geschreven zestien jaar geleden, in 2004!) van Zana Etambala. Mijn reactie was dan dat R. L. deze integere man met kanonschoten aanviel en mijzelf trachtte te onderkruipen. Dat hij dit deed van in een zelfgekozen positie van  isolement die ik vergeleek met een “bibliotheek-bunker”; (een aanbod te zetelen in de commissie had  hij met omslachtige en weinig overtuigende redenen geweigerd, en de fellow hield het been stijf op dat steriele pad, ook nadat ik persoonlijk en anderen argumenten had aangebracht om  de uitdaging op te nemen). Ik had nog kunnen toevoegen dat het niet van een open vizier getuigt, of van integriteit of tact en eerlijkheid, Zana aan te vallen in een Facebook universum waarvan de aanvaller weet dat de andere er niet aanwezig is!…

Ik onderstreepte in mijn definitieve riposte hoe ik ervan uitging dat ook in de toekomst zijn uitzonderlijke, woekerende rancune, belegen haat naar onze (Belgische) gemeenschap mensen tot een reactie van heilige woede zou drijven. Toen ik een uurtje later in de avond een kijkje nam om de schavuit zijn bevoorrechte status onder mijn contacten op het forum te ontnemen, kon ik terugdenken aan de woorden van psalm 37, toegeschreven aan de grote koning die opgroeide als dappere herdersjongen, David:

 

“Erger je niet aan slechte mensen/ wees niet jaloers op wie kwaad doen/zij verdorren snel als gras (37, 1-2) Vertrouw op de Eeuwige Vader en doe het goede/bewoon het land en leef er veilig (37, 3-4) De zondaar loert op de rechtvaardige/en zoekt een kans om hem te doden/ maar de Heer laat zijn dienaar niet los/ (..) Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter/ hij groeide uit als een woekerende laurier; op een dag was hij verdwenen, ik zocht hem en ik vond hem niet.”

Good riddance.

 

R. L.:

Al bij al is de balans niet dermate negatief (zie stukje van 17 februari: https://www.dewereldmorgen.be/community/een-woordje-over-criminele-magie-in-afrika-misdaden-van-het-grootkapitaal-en-onderzoeksreporters/)

De persoon in kwestie verdient daarom de titel “Rode Lantaarn”. Hij bewaakt de achterhoede van de democratie. Hij geeft aan waar de grenzen van de boot van de samenleving zijn. Hij geeft het rode alarmlicht waar nodig. Hij is daarom rood, en omdat het de kleur van het marxisme is.

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!