Porsche en Audi heb ik zelf beboet in mijn Leuven

Porsche en Audi heb ik zelf beboet in mijn Leuven

dinsdag 5 september 2017 12:47

Gisteren was het met de Maandag van Leuven Kermis weer Groot Feest in mijn (geboorte)stad Leuven. Heerlijk, tussen de mensengolven mee glijden. Gesprekjes voeren met de verkopers van de marktkramen, mannen en vrouwen. Dingen vinden en meenemen naar huis. Het verschil voelen met 53 jaar terug, toen ik alles vanuit de koets bekeek als baby. Een feest in een stadscentrum zonder de minste automobiel. Men zegt wel eens dat na het feest de kater volgt. De mijne heeft op dinsdag zijn klauwen uitgeslagen. Ik heb de bestuurders m/v van twee luxewagens en de passagiers goed hun vet gegeven. Zelfs iemand met heiligengeduld raakt ongeduldig, precies zeventien jaar nadat hij in the leading newspaper, in De Standaard op 3 januari 2001, goed gedocumenteerd op de opiniepagina’s die onzalige vehikels de grond mocht inpraten en verketteren. Met dank aan de sterke man van toen, Steve Stevaert, die ook geen auto’s lustte bij het ontbijt. Nu rijden ze hier NOG rond. En de luitjes aan het stuurwiel lijken zich nog steeds van de prins geen kwaad. Dan maar eigen ogen en stem ingezet. (1550 woorden)

Ik was waardig en burgerlijk gekleed, dat helpt. Met lichtgrijze overjas van Oxford boven het tweed vestje geweven op de Hebrides in diepbruine herfstkleuren, op mijn borst de kravat met de fijngeweven wijzerplaat van de Britse Big Ben een dozijn keer herhaald in crémekleurige zijde, liep ik in mijn zwartlederen zondagse schoenen, met een donkergroene pantalon, hint van de jager in mijn binnenste. De hond volgde aan de zwartlederen lijn. Statige pas, kaarsrecht. Passanten monsteren. Volkomen thuis in de stad waar mijn moeder haar heiligenwerk heeft gedaan, bijna volkomen onder de radar. Radar is elektronica, dat ziet geen menselijke warmte-wonderen. En kranten kunnen meestal vrij goed overleven op de waan van de dag alleen. De dingen zijn wat ze zijn.

Na het betalen van een energierekening aan het Ladeuzeplein, onder het goedkeurend oog van de met de middelen van de medische industrie reuzegroot doorspietste heilige strontkever op zijn koud glanzende Jan Fabre naald, keer ik om naar het De Somerplein. Op het zebrapad dat burgers toestaat in relatieve innerlijke vrede de hoofdstraat van de stad, de Bondgenotenlaan, over te steken, in een zone die verboden is voor particuliere wagens zonder speciale verordening, komt traag maar zeker een hoog en verlengd wagonnetje aangereden. Gespoten in glanzend donkerbruin, met natuurlijk een soort snuit die aan haaien doet denken, en dus aan overdreven rijke en machtige mensen en hun geest, hun uitstraling, hun aanmatigende en imperialistische, superieure trots. Een Porsche Cayenne. In ongeloof dat die mensen mij niet kunnen zien, in het midden van de stille, bijna lege straat, stap ik gewoon door, ook als uiting van een gelegenheidsduel tussen de landen van de stappende mensen en de rollende lieden. Vanop twee meter roep ik de wagen aan, op zijn Leuvens:

“Héla!… HEEELA!?  HELA!!!”

 

De kar blijft bollen, staat al driekwart op het zebrapad. Dan dringt mijn menselijke stem door in het harnas van blik en glas. De chauffeur blijkt een blonde dame van een jaar of 37, en ik voel meer dan ik het zie dat een tienerdochter naast haar zit. De donkere, met mascara omkranste en geschrokken, schuldbewuste ogen kijken mij aan nadat de wagen met een spurt een meter is doorgereden en het raampje naar beneden is gegaan. De mondigheid van hoger opgeleide en goed in de slappe was zittende mensen om iemand die zij reden gaven tot verontwaardiging, toch te woord te staan, verbaast mij nog steeds. De vrouw kijkt mij aan en zegt,

“Mijnheer, ik had u niet gezien, Sorry!”

Zo een dosis gewone en doorzichtige beleefdheid is veel te weinig om mij genoegdoening te geven. Hier staat voor mij, Stefaan Hublou Solfrian Vojvoditz enzovoort, een kar op wielen die elke dag een verschrikkelijke bijdrage levert aan de ondergang van de mens, de lucht, mijn vrienden de bomen, mijn thuishavens de bossen/ Een doodskist die mijn Moeder Aarde uitput en leeg grijpt om aan het nodige ijzer te komen…

De vrouw ziet dat haar excuus mij niet echt inspireert, vreest nu toch de weerslag, geeft een straal gas en rijdt verder het verboden historische centrum van mijn stadje in, richting Sint-Pieterskerk. Intussen heb ik mijn antwoord klaar en meegegeven, met goed dragende stem. In de ogen en de woorden van de verwaande, onbewust misdadige moeder las ik immers

“Wat ik hier even fout deed, dat is toch niet zo erg?”

Daarom schalt het:

“Als ge met een Porsche rijdt…!!”.

Op het midden van het zebrapad blijf ik staan, en kijk de wagen na tot hij rechts van de zestiende eeuwse kerk de helling af verdwijnt, richting Dijle en Lange Trappen. Ik weet mij gedragen door en geborgen in de strepen van de Zebra. Dat is nu juist een van de eerste grote wonderen van de Natuur die ik als zesjarig kind leerde kennen, in het boek van olieproducent Esso. Waarin we stickers kleefden met alle soorten, prachtige foto portretten voor die tijd. Titel : “De wilde heersers”, door een Duitse fotograaf, Schliemann geloof ik, tijdens Afrikaanse safari’s gemaakt.

En terwijl mijn ogen het karretje met het dametje, dat waarschijnlijk voor het eerst sinds lang in onze stad is verzeild, zie kleiner worden, vervolledig ik luidop mijn gedachtegang:

“… Dan is een mens minder genadig, hè!”

Een goede kilometer verder krijg ik de kans nog eens sterk mijn verdiept bewustzijn van eigen inzichten en gegronde heilige verontwaardiging uit te spreken. Na het nuttigen van een oranje wortelsoepje met Indische kruiden en een sober dubbel boterhammeke met wat boter, een maal voorafgegaan en afgesloten met een kruisteken en zacht gesproken dankgebed naar de Herder, zonder schaamte voor de anderen die eten, lezen en drinken rondom mij aan hun natuurhouten tafeltjes. En na het aanschaffen van de dinsdagkrant voor gewone mensen, want “ik mankeer”, zoals wij hier zeggen, het contact met de ziel van Rik Torfs, die ik al een week of drie niet heb gelezen. Aan de voet van de Keizersberg gekomen, ik stap om de hoek op het Zebrapad af dat de laatste meters Ridderstraat aangeeft… en er staat tot mijn verbazing en ergernis een grote, dure, Duitse, zwarte oliemotorwagen op mij te wachten. Of beter, hij stopt zijn slakkengang om mij en mijn hond op de laatste anderhalve meter Zebra de oversteek te laten doen. Ik kijk de chauffeur achter zijn glas intens en gebelgd aan, de man merkt er iets van en maakt een gebaar dat de jovialiteit aangeven moet waarmee hij mij, een niet gepantserde mens, doorgang verleent. “Ja,” spreek ik op halfluide toon

“Dat zullen wij wel dadelijk eens gaan doen, ja…”

… terwijl ik de blik vasthoudt van de man, het gezicht van een half ontwikkelde geest, voorzien van kort bleekbruin haar, lang in de nek, een jaar of negenendertig oud. Voorbijgeschreden zie ik in mijn ooghoeken dat het raampje aan het stuur openstaat, de man heeft mij dus kunnen horen. Naast hem zit een vrouw van wat jonger dan zijn leeftijd, met vol, lang, zeer zwart en licht krullend haar, zij kijkt mee, licht geamuseerd naar mij. De kerel laat onduidelijke klanken van licht protest en vragend van toon klinken. Ik grijp daarop zelfbewust mijn kans mijn klein stukje wereldgeschiedenis te sturen, en roep:

“Ik HAAT Auto’s!! Ge zijt Vervuilers!!… en Vergiftigers!!”

Ik zie de beduusde blik. Verbaasd door baas boven baas. Dan draai ik mij rustig en niet onvoldaan om en begin de klim, tussen de Chinese Muren van Leuven omhoog. Een meter of vijfentwintig verder, als ik de stoep even verlaat om een jonge, slanke blonde dame in zwart T-shirt te laten werken, zij staat midden op ‘t straat de ramen op de derde verdieping te poetsen met een borstel van wel zes meter lang, kijk ik even achterom en zie dat de zwarte wagen pas dan uit het zicht passeert. Ze hebben er een minuutje beteuterd bij gezeten. Een ochtendlijke ontmoeting om te bewaren in het hart.

Toch fijn, lezer, overigens, die internationale berichtgeving in bijna real time, nietwaar? Zo inspirerend, dat machtsspel tussen Donald en Yung Un. Meer nog dan inspirerend, lijkt het aanstekelijk te werken. Het besmet ons, dat twee kemphanen het armworstelspel spelen, met als inzet het leven, de welvaart en het welzijn van de halve wereld. Ja, les excuses sont fait pour s’en servir.

Ik weet hoe er soms van mij een bijzonder intense kracht uitgaat. Mensen van meer dan honderd kilo zijn door mijn vonkende ogen drie dagen werkonbekwaam geweest, nog geen twee jaar geleden. Het daarop volgende proces verbaal voor slagen en verwondingen is uiteraard naar de prullenmand verwezen.

Als de elektrische schokken die ik vanmorgen heb uitgedeeld, een klein beetje de ruimere communauteit van automobielgebruikers door elkaar mag schudden, dan heb ik goede hoop dat binnenkort die gasten niet meer met een arrogante smile maar met groot schuldgevoel, en angst te worden belaagd door ecologisch bewuste activisten, in hun stoeltje zullen zitten tijdens de reisjes. Enough is enough! De woorden van het prullige vertegenwoordigstertje van president Donald Trump in de VN Veiligheidsraad, die ik vanmorgen aandachtig beluisterd heb tijdens het VRT-nieuwsbulletin op de radio. Als de regering Michel niet de kracht en de moed vindt een signaal te zenden naar de automobielindustrie en de overtallige misbruikers, dan doen wij het zelf wel. Hier en nu. Met een slag vanuit de ziel. Daar heb ik de hulp van een blikken draak niet voor nodig.

S. Hublou Solfrian

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!