Oppositieloze oppositie van links

Oppositieloze oppositie van links

woensdag 20 juli 2011 12:36

Het neoliberale minderheidskabinet onder leiding van Rutte – met op zijn nachtkastje de bijbel van de (neo)liberale profeet Hayek ’De weg naar slavernij’ – stond al vanaf het begin te trappelen, om als ferme jongens, stoere knapen, krachtig te beginnen aan de overdracht van miljarden van de bevolking naar de rijken, het kapitaal. Nu, na ruim een half jaar aan het roer te hebben gestaan, kan het kabinet aan het begin van zijn eerste reces met tevredenheid omzien naar het gevoerde beleid met betrekking tot bezuinigingen van 18 miljard, en de uitvoering van het gedoogakkoord met de PVV. Tot nu toe inderdaad een kabinet waar volgens Rutte “rechts Nederland zijn vingers bij zou aflikken’. Dit alles in het ‘landsbelang’, vanzelfsprekend, dat nu wonderwel identiek blijkt aan het belang van rechts. Een politieke arrogantie die niet alleen ons land kenmerkt, maar door de gehele westerse politiek wordt uitgestraald.

Een kolfje naar de hand van de oppositie, zou je denken, waarbij de arrogantie van rechts naar verwachting een des te feller oppositie zou uitlokken. Maar niets blijkt minder waar. In plaats van een hartstochtelijk verzet van met name de zich links noemende oppositie zoals de PvdA, GroenLinks, SP, en in mindere mate ook D66 en de ChristenUnie, blijkt hun verzet tegen de kabinetsplannen gebaseerd op een beoordeling van de inhoud van dat beleid zonder een ideologisch, progressief referentiekader.  Met als paradoxaal resultaat dat tot nog toe dit rechtse kabinet door vooral de linkse oppositie in het zadel wordt gehouden. En daar staat vrijwel geen tegemoetkoming van dit kabinet aan de oppositie tegenover. Je vraagt je af door wie dit kabinet het meest wordt gedoogd: de linkse oppositie of de PVV. De laatste strubbelt in ieder geval soms nog tegen, zoals in de kwestie van de pensioenen en de steun aan Griekenland. Waar denkt de oppositie dat de miljoenen Nederlanders die op haar stemden, bij de volgende verkiezingen met hun stem naar toe moeten? Maar de belangrijkste vraag is natuurlijk die naar het waarom van dit ‘oppositie’gedrag? Het antwoord is: lafhartigheid en halfslachtigheid.

Lafhartig verraad aan het socialistisch gedachtegoed
Onder druk van het opkomende neoliberalisme van Milton Freedman en zijn consorten vanaf het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw, gevoegd bij de val van de Berlijnse Muur in 1989, heeft politiek links in Nederland, waaronder vooral de PvdA, onder aanvoering van partijbons Kok, de toen modieuze kreet van ‘het einde van alle ideologie’ omarmd, en consequent het progressief en socialistisch gedachtegoed afgezworen. Er is niets voor in de plaats gekomen, of het moest zijn dat men – ideologisch  met lege handen – als  vanzelf naar het politieke midden, richting neoliberalisme is afgedreven of zich daarnaar op sleeptouw heeft laten nemen. Het is dan ook niet toevallig dat al in de jaren van de kabinetten Lubbers/Kok en Kok (1990-1996) de tot dan toe grootste bezuinigingen werden doorgevoerd op de sociale zekerheid, het toch bij uitstek relevante beleidsterrein voor de working class people: bijna 23 miljard gulden! Links heeft geen eigen economisch alternatief meer en is naargelang niet opgewassen tegen de neoliberale storm die over de wereld waait.

Een niet al te moedige keuze voor politieke invloed op de korte termijn
Een progressief, links, socialistisch beleid is een zaak van de lange termijn. Dat dit zo is hangt samen met het feit dat vanwege de globalisering een effectief socialistisch beleid niet langer meer gerealiseerd kan worden op nationaal niveau, maar om een wereldwijde invoering vraagt. Zo’n boodschap in de verkiezingstijd is voor het overgrote deel van de kiezers nauwelijks aansprekend, en zal het zeker afleggen tegen de verkiezingsretoriek van rechts, waarin de kiezer op korte termijn allerlei moois voorgeschoteld wordt dat ook nog in het algemeen belang is. Ter voorkoming van een verkiezingsnederlaag en dus verlies van politieke macht, ziet links zich in verkiezingstijd en in de politieke arena gedwongen zich ook te richten op beleid(svoornemens) voor de korte termijn. En het resultaat van zo’n korte termijn politiek gaat niet verder dan het afschaven van de scherpe kantjes van het kapitalisme, en dat ook alleen nog maar voor zover dit stelsel dat zelf toestaat. Omwille van enig politieke invloed heeft links zich tot op grote hoogte dus aan rechts uitgeleverd.

Angst voor verlies van stemmen en politieke macht
In tijden van financiële en economische crises zoals nu, die volgens neoliberaal recept dienen  opgelost te worden met kaalslag en bezuinigingen die vooral de onderkant van de samenleving blijken te raken, durft links het kabinet niet ten val te brengen. Want dat zou kunnen resulteren in eigen regeringsverantwoordelijkheid, en een voortzetting van een beleid van bezuiniging, opgeschoven naar het politieke midden als links reeds is. En bezuinigingen zouden zeker slecht vallen bij de politieke achterban, de working class people. Liever dus maar een halfslachtige oppositie.

Gevoelig voor status en een riante materiële basis
Je kunt je afvragen of een parlementariër met een inkomen van ruim 7300 euro per maand en die er ook een parlementaire status op na houdt, zich voldoende kan en/of wil inleven in en solidair voelen met de sociaal-economische positie van de working class people. Een enkele gunstige uitzondering zal dat nog wel lukken, maar voor de meesten zullen de solidariteit en het belangrijkste referentiekader zich toch hoofdzakelijk bepalen tot de kringen van de Haagse stolp. Met andere woorden, ook de parlementariërs die zichzelf graag presenteren aan de buitenwacht als links en progressief, identificeren zich liever met de middenklasse in plaats van met de arbeidsklasse. De belangenbehartiging van de arbeid – waar links zijn bestaansrecht toch aan dankt – komt dus al lang niet meer op de eerste plaats.

Opties
Een linkse, progressieve, socialistische partij, die haar naam waard is, bestaat niet meer in ons parlement.  Er is dus geen partij meer die krachtig in de aanval kan gaan voor de zaak van de arbeid. Wat ooit links was, is nu opgeschoven naar het politieke midden, richting neoliberaal beleid. En niemand of niets heeft het vroegere links daartoe gedwongen. Het was een eigen keuze, meestal gedaan uit lafhartigheid en halfslachtigheid.

Er lijken twee opties te onderscheiden voor wat nog over is van het vroegere links:
1. Opgaan in een partij die drager is van het neoliberale beleid, bijvoorbeeld de VVD,
2. of de socialistische bezieling van vroeger hernemen, maar dan uiteraard aangepast aan de economische en maatschappelijke realiteit van deze tijd. In dit tweede geval
staat de nieuwe linkse partij voor een tweesporenbeleid. Enerzijds tot vervelens toe in het parlement en daarbuiten uitdragen waar op de lange termijn de werkelijke oplossing van het onheil van het kapitalisme ligt, namelijk in een socialistische, postkapitalistische ordening, en internationaal buitenparlementaire acties ondernemen voor een dergelijke ordening. En anderzijds in de tussentijd – zo lang het nog niet zo ver is – in het parlement en daarbuiten het neoliberaal beleid zo krachtig mogelijk bestrijden waar zijn prioriteiten liggen bij het kapitaal.

Dit lijken twee mogelijke opties voor ‘links’. De kiezer heeft recht op deze duidelijkheid, en voor de partij zelf kan het een uitweg zijn uit de wurgende halfslachtigheid en lafhartigheid.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!