Noten 52 t/m 91/”Halsema doet aangifte bekladding Indie monument/Staan aan de verkeerde kant van de geschiedenis”

Noten 52 t/m 91/”Halsema doet aangifte bekladding Indie monument/Staan aan de verkeerde kant van de geschiedenis”

zondag 19 juli 2020 22:19
Spread the love
[52]
EX PROVO JAN BRUENS OVER ZIJN BOM BIJ HET VAN HEUTSZ MONUMENT
[Met beelden van de onthulling van het Van Heutsz standbeeld door Koningin Wilhelmina]
[53]

” Nadat het monument een aantal keer was vernield, in 1967 met dynamiet en in 1984 met explosieven, werd het controversiële object in 2004 omgedoopt in Monument Indië-Nederland 1596-1949. Alle verwijzingen naar Van Heutsz werden verwijderd.”

WIKIPEDIA
JO VAN HEUTSZ/AMSTERDAM
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JO VAN HEUTSZ
[54]
Nog dezelfde nacht na de onthulling in 1935 werd het monument met rode verf beklad. In de jaren erna viel het herhaaldelijk ten prooi aan bekladdingen en vernielingen. Er zijn in de loop der tijd diverse verzoeken gedaan om het monument af te breken of een andere functie te geven. Provo hield er in de jaren zestig diverse ludieke acties en schilderde de woorden “Provo” en “Image” op de sokkel. Tot tweemaal toe werd het monument getroffen door een bomaanslag, in 1967 en in 1984.”
ANTI-KOLONIALE ACTIVIST: ”LATEN WE OPHOUDEN FOUTE
HEREN TE EREN”
12 FEBRUARI 2016
TEKST

Anti-koloniaal verzet is er altijd geweest. Tijdens de koloniale overheersing, vooral door tot slaaf gemaakten en andere gekoloniseerden. Maar ook daarna, tegen de geschiedschrijving erover en de verbeelding ervan. Er bestaat ook in Nederland een strijdtraditie waarbij het verheerlijken van het koloniale gezag wordt aangevallen. Het verzet tegen het Amsterdamse Van Heutsz-monument is daarvan een belangrijk voorbeeld. Een gesprek met de activist Koos Borghouts, nauw betrokken bij dat verzet.

“Toen wij in mei 1997 als buurtbewoners een uitnodiging ontvingen voor een inspraakavond over het opknappen van het Van Heutsz-monument, sloeg de schrik ons om het hart. Geen enkel woord over het misplaatste eerbetoon voor de koloniale moorden die zijn gepleegd door Van Heutsz, bevelhebber van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, en zijn kornuiten tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1913) in het toenmalige Nederlands-Indië”, aldus Borghouts. Hij wilde voorkomen dat het monument in z’n ‘oude glorie’ hersteld zou worden. Dat zette hem en anderen ertoe aan om te gaan strijden voor een herdefiniëring van het monument. “Voor ons was het monument en het water eromheen een bekende plek om in onze eigen buurt te recreëren, ook met onze kinderen erbij. De letters waarmee werd verwezen naar Van Heutsz, waren in die tijd van het monument verdwenen. Zolang ik me kan herinneren, is het beeld altijd flink beschadigd geweest, wat veelzeggend is.”

Slachtpartijen

Vanaf het moment dat bekend werd dat er een Van Heutsz-monument zou komen, was het omstreden. De in 1924 overleden Joannes Benedictus van Heutsz bracht met keiharde repressie Atjeh onder Nederlands bewind, daarna volgden er nog meer Indonesische eilanden. Als dank daarvoor kreeg hij op kosten van de staat een praalgraf en als enige niet-koninklijke persoon een staatsbegrafenis. Toen in de jaren dertig bekend werd dat er in Amsterdam ook nog een monument voor hem zou worden opgericht, leidde dat tot fel protest van communisten en sociaal-democraten. Want ook in “het moederland” was toen al wijd en zijd bekend welke koloniale slachtpartijen en plunderpraktijken er in Nederlands-Indië plaatsvonden. Het monument werd toch gebouwd en op 15 juni 1935 door koningin Wilhelmina onthuld.

Minister-president Hendrik Colijn, die in Nederlands-Indië de rechterhand van gouverneur-generaal Van Heutsz was geweest, zei bij de onthulling van het monument dat Van Heutsz de vergelijking met Hannibal, Caesar en Alexander de Grote gemakkelijk kon doorstaan. En dat bedoelde hij positief. Ook Colijn had zich schuldig gemaakt aan koloniale terreur. Vanuit Lombok schreef hij aan zijn vrouw: “Ik heb negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten, en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. Enige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide, waren allen dood. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar aan te steken. ’t Was een verschrikkelijk werk.”

Vrijheidsbeeld

De activisten uit latere tijden, onder wie Borghouts, voelden zich in hun strijd om het monument niet in ‘oude glorie’ te laten herstellen, gesterkt door Frits van Hall, de architect van het monument. Van Hall was zich indertijd terdege bewust van de controverse rond de koloniale misdadiger. Tot enorme teleurstelling van de Van Heutsz-bewonderaars had hij geen protserig traditioneel standbeeld gemaakt met een machtige hoog op een paard gezeten bevelhebber, ver boven de gewone mensen verheven. Zijn monument verbeeldde daarentegen het leven in de Indische archipel, waarbij in het midden een grote en trotse vrouwenfiguur is te zien. Hij plaatste er slechts een klein portret van Van Heutsz bij, in de vorm van een medaillon op de sokkel. Daarover zou hij later hebben opgemerkt: “Als het hier ooit zover komt, dan mag je dat portret verwijderen. Vervang het door de woorden ‘Vrijheid’, ‘Merdeka’ of ‘Indonesië’, en je hebt een vrijheidsbeeld.” In die geest streefden Borghouts en anderen een herziening van het monument na.

Nog dezelfde nacht na de onthulling in 1935 werd het monument met rode verf beklad. In de jaren erna viel het herhaaldelijk ten prooi aan bekladdingen en vernielingen. Er zijn in de loop der tijd diverse verzoeken gedaan om het monument af te breken of een andere functie te geven. Provo hield er in de jaren zestig diverse ludieke acties en schilderde de woorden “Provo” en “Image” op de sokkel. Tot tweemaal toe werd het monument getroffen door een bomaanslag, in 1967 en in 1984. De plaquette met het portret van Van Heutsz werd in 1984 gestolen en later verdwenen ook nog de letters die zijn naam vormden. In 1998 onthulde ex-Provo Roel van Duijn een blanco plaquette op de sokkel.

In Indonesië is overigens meteen korte metten gemaakt met het verheerlijken van het koloniale gezag door middel van beelden. Borghouts: “Al bij het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945 werd het Van Heutsz-monument in Jakarta gesloopt. Als vrije natie wilde Indonesië zich ontdoen van positieve herinneringen aan de koloniale overheersing. Een straat in Jakarta die naar Van Heutsz was vernoemd, werd omgedoopt in die van bekende Indonesische verzetsstrijders.”

Polderen

Het protest van de Amsterdamse buurtbewoners in de jaren negentig stond dus in een lange traditie. Borghouts en anderen dienden een officieel verzoek in “bij het stadsdeel om het monument een andere naam en functie te geven. In de geest van Van Hall zou dat een vrijheidsbeeld mogen zijn, een eerbetoon aan de slachtoffers van het koloniale regime. Of een eerbetoon aan de Indonesië-weigeraars die hun poot stijf hielden en geen deel wilden uitmaken van de zogenaamde politionele acties, bedoeld om het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs te breken.” Stadsdeelvoorzitter Weeda toonde zich er huiverig voor om met het verzoek in te stemmen, maar door aanhoudende druk werd Instituut Clingendael de opdracht gegeven om te onderzoeken of er voldoende draagvlak voor een ander soort monument was. In 2000 stelde Clingendael voor om de naam van Van Heutsz niet terug te laten keren op het monument. Een grote overwinning! De adviestekst was “1596 Nederland Indië 1949”. Op 31 januari 2004 werd eindelijk besloten dat de naam van het monument zou worden gewijzigd in “Monument Indië-Nederland”. Het moest voortaan gaan om een gedenkteken dat herinnert aan de relatie tussen Nederland en Indië gedurende de hele koloniale periode.

Hoewel Borghouts niet ontevreden is over de herdefiniëring van het monument, noemt hij het een klassiek voorbeeld van een compromis. “Het jaartal 1949 is gehandhaafd. Dat had natuurlijk 1945 moeten zijn vanwege het uitroepen van de onafhankelijke republiek Indonesië, maar dat ligt in Nederland nog steeds gevoelig. De invloed van oud-Indiëstrijders is nog altijd enorm. Achterop de sokkel staat helaas nog steeds: ‘pacificator Van Heutz’. Hij wordt daarmee nog steeds neergezet als een soort vredestichter. De rest van de tekst is redelijk okee, maar gaat toch te veel uit van het standpunt van de overheerser.”

Dat polderen is overigens geen recent verschijnsel. Het voornemen om een monument voor Van Heutsz op te richten leidde indertijd tot een tegenactie en de roep om een standbeeld voor de anarchistische voorman en anti-militarist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Door dat monument toe te staan hoopten de autoriteiten het verzet tegen het Van Heutsz-monument te kunnen smoren. Het standbeeld van de in 1919 overleden Domela Nieuwenhuis werd op 29 augustus 1931 onthuld op het Amsterdamse Nassauplein. Tienduizenden waren daarbij aanwezig, onder wie communisten, anarchisten, anti-militaristen en andere links georiënteerde groeperingen, zoals De Dageraad, de Vrije Socialisten, de Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond en de Nederlandschen Vegetariërsbond. Voor hen was Domela Nieuwenhuis “us ferlosser” (“onze redder”) geweest.

Slavernijmonument

Ook in andere gemeenten zijn er in de loop der forse bezwaren gerezen tegen “het eren van foute heren” door middel van monumenten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het protest tegen het standbeeld van de koloniale misdadiger Jan Pieterszoon Coen in Hoorn en de acties tegen het Leidse Indië-monument. Pas de laatste vijftien jaar worden er monumenten opgericht die juist de slachtoffers van het koloniale systeem herdenken, zoals het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark, waar elk jaar op 1 juli de afschaffing van de slavernij wordt herdacht. Dat monument is er gekomen dankzij de druk vanuit de zwarte gemeenschap, door nazaten van tot slaaf gemaakten. De laatste jaren is de anti-koloniale strijd versterkt door de opkomst van de beweging tegen de racistische karikatuur Zwarte Piet. Ook de acties tegen de propagandafilm “Michiel de Ruyter” en tegen de Gouden Koets van het koningshuis laten zien dat het verheerlijken van het koloniale verleden vandaag de dag flink wordt bekritiseerd.

“Nederland was fout”, aldus Borghouts. Hij was ook betrokken bij de totstandkoming van het boek “Er waren er die niet gingen” en bij acties tegen de viering van 400 jaar Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). “Ik heb geen respect voor killers. Erkenning van de Nederlandse staat voor de verschillende begane wandaden in de voormalige koloniën? Nederland wil er niet aan. Er bestaat nog steeds een legerregiment dat trots de naam Van Heutsz draagt. Er is in Nederland geen enkel officieel monument voor de slachtoffers van het kolonialisme. Wat te doen met al die objecten die het koloniale verleden bevestigen of niet ter discussie stellen? Slopen, herinrichten of van nieuwe teksten voorzien! De activist Jan Bruens zei eens dat we een Vergissingenmuseum moeten inrichten. Daar kunnen we een hoop wandaden kwijt die in naam van de Nederlandse staat zijn gepleegd.“

Ellen de Waard

Harry Westerink
EINDE ARTIKEL
Zeker in de jaren zestig stond het Van Heutsz-monument symbool voor de Nederlandse koloniale onderdrukking en het was een populair doelwit van de provo’s. Tweemaal, in 1967 en in 1984 werd het getroffen door een bomaanslag. In 1984 werd de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz gestolen. De plaquette, en ook de letters van zijn naam, zijn nooit teruggevonden.

NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ

https://anderetijden.nl/aflevering/652/Van-Heutsz

TEKST

VAN HEUTSZ

In Amsterdam is een discussie over het Van Heutsz monument. Wat te doen met een besmette koloniale erfenis?

Het Van Heutsz monument in Amsterdam

Je moet het wel even weten: het gevaarte op de Apollolaan is bedoeld als monument voor generaal J.B. van Heutsz. Te zien is een ruim vier meter hoge vrouwenfiguur op een stenen sokkel, onder een enorme zonneboog. En verder twee leeuwen met wapenschilden van Amsterdam en Batavia, een vijvertje en een aantal reliëfs met verwijzingen naar Nederlands-Indië. Niets dat wijst op een eerbetoon aan de generaal, die Atjeh met harde hand onder Nederlands bewind bracht aan het begin van de vorige eeuw.

Van Heutsz heeft zijn monument in zekere zin aan zijn graf te danken. Hij werd begraven op 4 juni 1927, in een imposante graftombe op de Nieuwe Ooster Begraafplaats in Amsterdam. Voor deze tombe was geld ingezameld, naar later bleek zoveel, dat er na de bouw genoeg over was om ook elders in de stad een monument op te richten. Niet iedereen zat daarop te wachten. Vooral in socialistische kringen bestond veel weerstand tegen Van Heutsz en was men fel gekant tegen een eerbetoon aan de gouverneur-generaal. Twee jaar lang discussieerden voor- en tegenstanders in en buiten de gemeenteraad over het monument. Uiteindelijk kwam het tot een soort ruil-overeenkomst: de socialisten kregen een monument voor Domela Nieuwenhuis en de kolonialen een monument voor Van Heutsz.

De gemeente schreef in 1930 een ontwerpwedstrijd uit, die werd gewonnen door beeldhouwer Frits van Hall en architect G. Friedhoff. Zij hadden samen het ontwerp ingestuurd dat nu nog te zien is op de Apollolaan. Wel is de bronzen plaquette met daarop de beeltenis van Van Heutsz sinds 1984 verdwenen. Toch ging het ook de makers niet zozeer om Van Heutsz, maar om het verbeelden van de historische betrekkingen tussen Nederland en Indie. De staande vrouw symboliseert het Nederlandse gezag in Nederlands-Indie, de vijver staat voor het water tussen Nederland en Indie, en de stralenboog verbeeldt de vriendschap tussen de twee. Van Hall heeft waarschijnlijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat Van Heutsz nog omstredener zou worden. Tegen collega Jan Meefout zou hij hebben gezegd: ‘Vervang het door de letters Vrijheid, Merdeka of Indonesia, en je hebt een Vrijheidsbeeld’.

Sinds 1935 is het monument regelmatig onder vuur komen te liggen. Een van de meest opmerkelijke protesten kwam van de zoon van Van Heutsz zelf, in 1943. Van Heutsz junior, die lid was van de SS, protesteerde tegen het monument voor zijn vader omdat het ‘te week’ zou zijn. De meeste protesten kwamen echter uit linkse hoek. Zeker in de jaren zestig stond het Van Heutsz-monument symbool voor de Nederlandse koloniale onderdrukking en het was een populair doelwit van de provo’s. Tweemaal, in 1967 en in 1984 werd het getroffen door een bomaanslag. In 1984 werd de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz gestolen. De plaquette, en ook de letters van zijn naam, zijn nooit teruggevonden.

In 1997 stond het monument opnieuw in de belangstelling toen de gemeente aankondigde het te willen renoveren. Tegenstanders van het monument protesteerden tegen elke vorm van eerbetoon aan Van Heutsz, en al helemaal tegen het opnieuw ophangen van de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz. De renovatie beperkt bleef tot het zandstralen van het monument en het wieden van onkruid, maar de onrust was gezaaid. Oud-provo Roel van Duyn maakte er een politieke kwestie van door bij de verkiezingscampagne voor de Groenen in 1998 een fictief gesprek met Van Heutsz te voeren bij het monument. Als afsluiting onthulde hij demonstratief een blanco plaquette.

Eind 1998 diende het Comité Herdenking Gevallenen Nederlands-Indie een aanvraag in tot naamsverandering van het monument. De deelraad Amsterdam Oud-Zuid zat nu in een lastig parket, aangezien het monument intussen ook in de procedure zat om rijksmonument te worden. In de hoop dat een externe instantie uitkomst zou kunnen bieden werd begin 1999 Instituut Clingendael om een advies gevraagd. Wat moet er gebeuren met het monument, dat de gemeente al 65 jaar last bezorgt? Clingendael heeft een aantal discussierondes georganiseerd met historici, vertegenwoordigers van belangengroepen, en buurtbewoners. Deze week komt het advies. Moet de Van Heutsz-plaquette terugkomen, krijgt het monument een nieuwe naam, wordt het een slachtoffer-monument, komt er een extra informatiebordje?

Andere monumenten voor Van Heutsz

Het monument aan de Apollolaan is niet het enige dat herinnert aan Van Heutsz. Aan de Vijzelstraat in Amsterdam is, hoog in het gebouw van de ABN-AMRO, een afbeelding van Van Heutsz te zien, samen met Jan Pietersz. Coen en Daendels. In Arnhem staat de buste die oorspronkelijk in de hoofdstad van Atjeh stond en ook in zijn geboorteplaats Coevorden staat een beeld. Bij dit laatste gedenkteken plaatsten de latere Minister van Defensie Relus ter Beek en Allard van Lenthe, toentertijd provo en redacteuren van de ‘Rooie Drentse Courant’, op 9 april 1965 een bord met een protest. Op dit bord stond te lezen: ‘Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw’ om het geschokte vertrouwen van het Nederlands-Indische bestuur opnieuw te funderen’.

Van Heutsz en Atjeh

Johannus Benedictus van Heutsz werd op 3 februari 1851 geboren te Coevorden. De beroemdste generaal uit de Nederlandsch-Indische geschiedenis zou vooral bekend worden als de ‘Pacificator van Atjeh’. De uit een familie van beroepsmilitairen stammende Van Heutsz nam op 16-jarige leeftijd dienst bij het Instructie Bataljon te Kampen. De infanterie, ‘de koningin van het slagveld’ werd zijn grote liefde. Toen in 1873 de oorlog met Atjeh uitbrak, ontstond er bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) grote behoefte aan manschappen en officieren. De avontuurlijke Van Heutsz meldde zich aan en vertrok naar Indië.

De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de handelsorganisatie die de handel met Indië verzorgde, werd in 1799 failliet verklaard. Haar bezittingen gingen over in handen van de Nederlandse staat. De VOC had echter, omdat het een handelsorganisatie was, nooit de ambitie gehad het land, dat gelegen was achter de handelsposten (factorijen) langs de kust, aan haar bestuur te onderwerpen. Ze was slechts uit op handel met de verschillende inlandse vorsten. In de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen de grote Europese naties steeds meer land aan hun bestuur toe te voegen en zich op deze wijze koloniën toe te eigenen. Ook Nederland was begonnen met het onderwerpen van de inlandse vorsten aan het Nederlandse gezag, daarmee de kolonie Nederlandsch-Indië creërend. In dat licht moet de langste en bloedigste van de Nederlandse koloniale oorlogen gezien worden, tegen het machtige en onafhankelijke sultanaat Atjeh. Deze oorlog in het noordoostelijke deel van het eiland Sumatra duurde van 1873 tot 1912.

De oorlog verzandde al snel, nadat de eerste pogingen Atjeh in te lijven in 1873 waren mislukt. Rond 1890 kwam hierin verandering met de oprichting van het ‘Korps Marechaussee te voet’, gericht op het bestrijden van de guerrilla door middel van contra-guerrilla. Van Heutsz, intussen opgeklommen tot chef-staf van de militaire troepenmacht in Atjeh, kreeg de kans zijn bekwaamheid te tonen in de uitzichtloze oorlog. De soldaten waren intensief getraind, bewapend met een korte karabijn, klewang en rentjong (Atjehse kris), lichte bepakking, tropenhoed in plaats van ongeschikte helm en maakte zo weinig mogelijk gebruik van dragers. Het korps, bestaande uit Ambonezen en Javanen, met inlandse en Afrikaanse onderofficieren en Europese officieren, zou uitgroeien tot een elitekorps en als leerschool fungeren voor de reguliere troepen. Het gebruikte een offensieve tactiek, vooral bestaande uit onophoudelijke patrouilles en achtervolgingen. Het korps was in staat snelle acties en verrassingsaanvallen uit te voeren en bleek het antwoord op de guerrilla van de Atjehers. In 1896 en 1897 werd het kerngebied van Atjeh onder Nederlands gezag geplaatst. Van Heutsz’ credo ‘Hard toeslaan, zonder wankelmoedigheid’ kan gezien worden als een typering van de tactiek van het korps.

Van Heutsz behaalde zijn eerste grote succes tijdens de expeditie naar Pedië in juni 1898. Zijn persoonlijke leiderschap droeg in hoge mate bij aan het succes, maar ook de wetenschappelijke adviezen van de arabist en islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, die officieren leerde dat de islamitische Atjehers een Jihad (heilige oorlog) vochten tegen de Nederlanders en pas op zouden geven wanneer ze de ‘voet op den nek’ zouden voelen. Hoewel succesvol, is Van Heutsz’ manier van optreden heden ten dage op zijn zachtst gezegd omstreden te noemen. Hij trad genadeloos op en hij wordt als verantwoordelijke gezien voor de massale slachtpartijen die er tijdens deze langdurige oorlog in de Atjehse dorpen werden aangericht. Tienduizenden, volgens sommigen zelfs zeventigduizend Atjehers vonden de dood. Toch wordt hij ook nu nog in door militair-historici gezien als een specialist op het gebied van het voeren van de contra-guerilla.

In 1898 werd Van Heutsz Gouverneur van Atjeh. Het korps, dat met haar hoge mobiliteit tot in alle hoeken van Atjeh kon komen, rekende met behulp van technologische ontwikkelingen, zoals het repeteergeweer, stoomschepen die troepen sneller konden verplaatsen in de archipel en beteren medische verzorging, rond de eeuwwisseling af met een groot deel van het verzet. In 1903 onderwierp de Sultan van Atjeh zich aan de Nederlandse overheersing. Daarna bestond de oorlog voor een groot deel uit opstanden in geïsoleerde gebieden, maar het duurde toch tot 1912 voordat het hardnekkige Atjeh geheel bij de kolonie was ingelijfd.

Als beloning voor de pacificatie van Atjeh werd Van Heutsz in 1904 benoemd tot Gouverneur Generaal van Nederlandsch-Indië, de hoogste post binnen het koloniale bestuur. Hij zou deze functie bekleden tot 1909 en in die periode de eilanden buiten Java, de buitengewesten, onder Nederlands gezag brengen. Daarmee wordt Van Heutsz door velen gezien als de man die Nederlandsch-Indië tot een eenheid smeedde; de eenheidsstaat, waarin het huidige Indonesie zijn oorsprong vindt. Van Heutsz keerde, nadat hij de functie van Gouverneur-generaal had neergelegd, terug naar Nederland, maar ging in 1922 vanwege zijn gezondheid in Zwitserland wonen. Daar overleed hij op 11 juli 1924 te Montreux, 73 jaar oud. Drie jaar later volgde een officiële staatsbegrafenisbegrafenis. Met veel eerbetoon en onder grote belangstelling werd de kist vanaf het Paleis op de Dam naar de Nieuwe Ooster Begraafplaats vervoerd.

Het Van Heutsz regiment

De naam Van Heutsz leeft voort in het nog altijd bestaande Regiment van Heutsz en is het meest gedecoreerde regiment van de Koninklijke Landmacht. Dit Regiment werd in 1950 opgericht als opleidingseenheid, met als doel de voortzetting van de traditie van het KNIL, dat na de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië werd opgeheven. In oktober 1950 werd een deel van het Regiment Van Heutsz in het kader van de Verenigde Naties uitgezonden naar de oorlog in Korea. Het regiment kreeg in 1955 een eigen vaandel uitgereikt door Koningin Juliana en was begin 1991 het grootste regiment binnen de Landmacht. Herstructurering bracht het voortbestaan in gevaar, maar het regiment Van Heutsz overleefde. Tijdens parades wordt nog altijd in het karakteristieke uniform, met tropenhoed, korte karabijn en klewang het vaandel gepresenteerd.

EINDE ARTIKEL
EX PROVO JAN BRUENS OVER ZIJN BOM BIJ HET VAN HEUTSZ MONUMENT
[55]
HART VAN NEDERLAND
HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDING INDIE-MONUMENT
”DIT IS ONACCEPTABEL”
https://www.hartvannederland.nl/nieuws/2020/halsema-doet-aangifte-van-bekladding-indie-monument-dit-onacceptabel/

De gemeente Amsterdam doet aangifte van de bekladding van het Monument Indië Nederland. Burgemeester Femke Halsema van Amsterdam vindt het, na eerdere soortgelijke incidenten, tijd een grens te stellen.

“Wij zullen vanaf nu altijd aangifte doen bij bekladding of vernieling van gemeentelijk bezit”, laat ze zondag weten. Ook de Federatie Indische Nederlanders (FIN) meldt aangifte te doen. “Onze monumenten, gebouwen en beelden zijn onderdeel van de Amsterdamse geschiedenis”, aldus Halsema. “Die geschiedenis verdient discussie en daar staan we voor open. Bekladding en vernieling zijn onacceptabel. Ik wil dat mensen afblijven van ons gezamenlijk bezit in de openbare ruimte.”

Rode verf

Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid bleek zondag te zijn beklad met rode verf. Bij de bekladding staat geschreven: “Van Heutsz leeft! Stop alle vormen van racisme! Next stop: Coentunnel”.

Een politiewoordvoerder liet weten dat de politie onderzoek doet naar de zaak.

Militaire held

Het gedenkteken is ooit opgericht ter herinnering aan Joannes van Heutsz, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 1904 tot en met 1909. Van Heutsz werd aanvankelijk gezien als militaire held omdat hij Atjeh veroverde. Koningin Wilhelmina onthulde het bakstenen monument aan het Olympiaplein in Amsterdam Oud-Zuid in 1935.

EINDE ARTIKEL

[56]

YOUTUBE.COM

DE ZILVERVLOOT-KINDERLIEDJES VAN VROEGER

https://www.youtube.com/watch?v=xEefQ78PpCo

[57]

Toen Van Teijn wegens gezondheidsredenen aftrad en in 1891 door Pompe van Meerdervoort werd opgevolgd, vroeg en verkreeg Van Heutsz overplaatsing en werd benoemd tot garnizoenscommandant te Batavia. Hier schreef hij zijn brochure De onderwerping van Atjeh (‘s-Gravenhage, 1893) – eerder gepubliceerd in het Indisch Militair Tijdschrift – waarin hij pleitte voor het weer instellen van een marineblokkade als middel tot de onderwerping van Atjeh.

Van Heutsz leerde in deze jaren Snouck Hurgronje (Islam-deskundige en adviseur Inlandse Zaken) kennen en waarderen. Beiden waren van oordeel dat Atjeh eerst militair onderworpen diende te worden alvorens er een civiel bestuur gevestigd kon worden en waren tegen de bezuinigingspolitiek van het Indisch gouvernement. Zij zetten vragen bij de methodes van generaal Deykerhoff om Teukoe Oemar met geld te bewegen zijn verzet op te geven. Snouck Hurgronje had dan ook alle waardering voor de militaire uitgangspunten van de brochure De onderwerping van Atjeh. In 1894 werd Van Heutsz bevorderd tot luitenant-kolonel en in die rang in 1895 benoemd tot gewestelijk militair commandant van Sumatra’s Oostkust in Medan. Snouck Hurgronje, adviseur van gouverneur-generaal Van der Wijck, prees Van Heutsz aan als de enige die de Nederlandse tegenslagen in de Atjehoorlog aan kon pakken. Toen in 1896 het bericht kwam dat Teukoe Oemar zich tegen Deijkerhoff had gekeerd, werd Van Heutsz opnieuw overgeplaatst naar Atjeh als deelnemer aan de expeditie onder leiding van generaal Vetter. Van Heutsz werd in 1897 benoemd tot kolonel, chef van de generale staf te Batavia.

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/JAREN TE ATJEH

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz# Jaren_te_Atjeh

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

[58]

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/GOUVERNEUR GENERAAL

VAN NEDERLANDS-INDIE

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz# Gouverneur-generaal_van_Nederl ands-Indi.C3.AB

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

Atjehoorlog (periode 1896-1901)

[Dit was de tijdsperiode waarin massamoorden plaatsvonden

onder leiding van Bloedjas Van Heutsz.

De gehele Atjeh oorlog duurde van 1873-1914]

…..

…….

”Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactie k verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Menadonese en later Ambonese en Javaanse sol daten onder leiding van Europese officieren. In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de plechtige overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz, met op de achtergrond een bijna levensgroot staatsieportret va n Koningin Wilhelmina.”

WIKIPEDIA

ATJEH OORLOG/ATJEH OORLOG (PERIODE 1896-1901)

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Atjehoorlog

[59]

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/GOUVERNEUR GENERAAL

VAN NEDERLANDS-INDIE

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz# Gouverneur-generaal_van_Nederl ands-Indi.C3.AB

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

Atjehoorlog (periode 1896-1901)

[Dit was de tijdsperiode waarin massamoorden plaatsvonden

onder leiding van Bloedjas Van Heutsz.

De gehele Atjeh oorlog duurde van 1873-1914]

…..

…….

”Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactie k verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Menadonese en later Ambonese en Javaanse sol daten onder leiding van Europese officieren. In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de plechtige overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz, met op de achtergrond een bijna levensgroot staatsieportret va n Koningin Wilhelmina.”

WIKIPEDIA

ATJEH OORLOG/ ”ATJHEH OORLO/ [PERIODE 1896-1901)

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Atjehoorlog

[60]

”In 1883 keerde Van Heutsz terug naar Nederlands-Indië en was achtereenvolgens gedurende zes jaren commandant van verschillende garnizoenen. Hij werd in 1889 voor de derde maal, nu in de rang van kapitein (1886), naar Atjeh overgeplaatst, waar hij onder generaal-majoor Van Teijn alle kansen kreeg zich te ontplooien. Van Heutsz ging deel uitmaken van het Korps Marechaussee te voet en nam onder meer deel aan de verovering van Kota Toeankoe in 1890. In datzelfde jaar werd Van Heutsz bij keuze bevorderd tot majoor. Toen Van Teijn wegens gezondheidsredenen aftrad en in 1891 door Pompe van Meerdervoort werd opgevolgd, vroeg en verkreeg Van Heutsz overplaatsing en werd benoemd tot garnizoenscommandant te Batavia.”

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/JAREN TE ATJEH

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz# Jaren_te_Atjeh

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

[61]

WIKIPEDIA

GODFRIED COENRAD ERNST VAN DAALEN (1863-1930)

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Gotfried_Coenraad_Ernst_van_Da alen_(1863-1930)

Van Daalen vervulde een doorslaggevende rol in de Atjehoorlog door niets-ontziend de tactiek van de verschroeide aarde te volgen. Om het verzet in Atjeh te breken verwoestte Van Daalen dorpen in Atjeh waarbij tenminste 2.900 Atjehers de dood vonden waaronder 1.150 vrouwen en kinderen”

WIKIPEDIA

GODFRIED COENRAD ERNST VAN DAALEN (1863-1930)

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Gotfried_Coenraad_Ernst_van_Da alen_(1863-1930)

Kuta Reh (in het Nederlands: Koeto Reh of Koetö Réh) is een plaatsje in de Alaslanden van Atjeh. Op 14 juni 1904 werd hier onder leiding van de Nederlandse generaal Van Daalen een massamoord gepleegd .”

WIKIPEDIA

KUTA REH

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Kuta_Reh

[62]

Officier en koloniaal bestuurder, die vorm gaf aan een nieuwe imperialistische politiek, gericht op de buitengewesten. Staat bekend als de pacificator van Atjeh en werd jarenlang door vele Nederlanders als een held beschouwd. Gezien het feit dat bij de pacificatie circa 70.000 inlanders omkwamen, werd hij later symbool voor een verderfelijk koloniaal bewind.”
PARLEMENT & POLITIEK
J.B. VAN HEUTSZ

”Hoewel succesvol, is Van Heutsz’ manier van optreden heden ten dage op zijn zachtst gezegd omstreden te noemen. Hij trad genadeloos op en hij wordt als verantwoordelijke gezien voor de massale slachtpartijen die er tijdens deze langdurige oorlog in de Atjehse dorpen werden aangericht. Tienduizenden, volgens sommigen zelfs zeventigduizend Atjehers vonden de dood.”

NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ

https://anderetijden.nl/aflevering/652/Van-Heutsz

TEKST

VAN HEUTSZ

In Amsterdam is een discussie over het Van Heutsz monument. Wat te doen met een besmette koloniale erfenis?

Het Van Heutsz monument in Amsterdam

Je moet het wel even weten: het gevaarte op de Apollolaan is bedoeld als monument voor generaal J.B. van Heutsz. Te zien is een ruim vier meter hoge vrouwenfiguur op een stenen sokkel, onder een enorme zonneboog. En verder twee leeuwen met wapenschilden van Amsterdam en Batavia, een vijvertje en een aantal reliëfs met verwijzingen naar Nederlands-Indië. Niets dat wijst op een eerbetoon aan de generaal, die Atjeh met harde hand onder Nederlands bewind bracht aan het begin van de vorige eeuw.

Van Heutsz heeft zijn monument in zekere zin aan zijn graf te danken. Hij werd begraven op 4 juni 1927, in een imposante graftombe op de Nieuwe Ooster Begraafplaats in Amsterdam. Voor deze tombe was geld ingezameld, naar later bleek zoveel, dat er na de bouw genoeg over was om ook elders in de stad een monument op te richten. Niet iedereen zat daarop te wachten. Vooral in socialistische kringen bestond veel weerstand tegen Van Heutsz en was men fel gekant tegen een eerbetoon aan de gouverneur-generaal. Twee jaar lang discussieerden voor- en tegenstanders in en buiten de gemeenteraad over het monument. Uiteindelijk kwam het tot een soort ruil-overeenkomst: de socialisten kregen een monument voor Domela Nieuwenhuis en de kolonialen een monument voor Van Heutsz.

De gemeente schreef in 1930 een ontwerpwedstrijd uit, die werd gewonnen door beeldhouwer Frits van Hall en architect G. Friedhoff. Zij hadden samen het ontwerp ingestuurd dat nu nog te zien is op de Apollolaan. Wel is de bronzen plaquette met daarop de beeltenis van Van Heutsz sinds 1984 verdwenen. Toch ging het ook de makers niet zozeer om Van Heutsz, maar om het verbeelden van de historische betrekkingen tussen Nederland en Indie. De staande vrouw symboliseert het Nederlandse gezag in Nederlands-Indie, de vijver staat voor het water tussen Nederland en Indie, en de stralenboog verbeeldt de vriendschap tussen de twee. Van Hall heeft waarschijnlijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat Van Heutsz nog omstredener zou worden. Tegen collega Jan Meefout zou hij hebben gezegd: ‘Vervang het door de letters Vrijheid, Merdeka of Indonesia, en je hebt een Vrijheidsbeeld’.

Sinds 1935 is het monument regelmatig onder vuur komen te liggen. Een van de meest opmerkelijke protesten kwam van de zoon van Van Heutsz zelf, in 1943. Van Heutsz junior, die lid was van de SS, protesteerde tegen het monument voor zijn vader omdat het ‘te week’ zou zijn. De meeste protesten kwamen echter uit linkse hoek. Zeker in de jaren zestig stond het Van Heutsz-monument symbool voor de Nederlandse koloniale onderdrukking en het was een populair doelwit van de provo’s. Tweemaal, in 1967 en in 1984 werd het getroffen door een bomaanslag. In 1984 werd de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz gestolen. De plaquette, en ook de letters van zijn naam, zijn nooit teruggevonden.

In 1997 stond het monument opnieuw in de belangstelling toen de gemeente aankondigde het te willen renoveren. Tegenstanders van het monument protesteerden tegen elke vorm van eerbetoon aan Van Heutsz, en al helemaal tegen het opnieuw ophangen van de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz. De renovatie beperkt bleef tot het zandstralen van het monument en het wieden van onkruid, maar de onrust was gezaaid. Oud-provo Roel van Duyn maakte er een politieke kwestie van door bij de verkiezingscampagne voor de Groenen in 1998 een fictief gesprek met Van Heutsz te voeren bij het monument. Als afsluiting onthulde hij demonstratief een blanco plaquette.

Eind 1998 diende het Comité Herdenking Gevallenen Nederlands-Indie een aanvraag in tot naamsverandering van het monument. De deelraad Amsterdam Oud-Zuid zat nu in een lastig parket, aangezien het monument intussen ook in de procedure zat om rijksmonument te worden. In de hoop dat een externe instantie uitkomst zou kunnen bieden werd begin 1999 Instituut Clingendael om een advies gevraagd. Wat moet er gebeuren met het monument, dat de gemeente al 65 jaar last bezorgt? Clingendael heeft een aantal discussierondes georganiseerd met historici, vertegenwoordigers van belangengroepen, en buurtbewoners. Deze week komt het advies. Moet de Van Heutsz-plaquette terugkomen, krijgt het monument een nieuwe naam, wordt het een slachtoffer-monument, komt er een extra informatiebordje?

Andere monumenten voor Van Heutsz

Het monument aan de Apollolaan is niet het enige dat herinnert aan Van Heutsz. Aan de Vijzelstraat in Amsterdam is, hoog in het gebouw van de ABN-AMRO, een afbeelding van Van Heutsz te zien, samen met Jan Pietersz. Coen en Daendels. In Arnhem staat de buste die oorspronkelijk in de hoofdstad van Atjeh stond en ook in zijn geboorteplaats Coevorden staat een beeld. Bij dit laatste gedenkteken plaatsten de latere Minister van Defensie Relus ter Beek en Allard van Lenthe, toentertijd provo en redacteuren van de ‘Rooie Drentse Courant’, op 9 april 1965 een bord met een protest. Op dit bord stond te lezen: ‘Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw’ om het geschokte vertrouwen van het Nederlands-Indische bestuur opnieuw te funderen’.

Van Heutsz en Atjeh

Johannus Benedictus van Heutsz werd op 3 februari 1851 geboren te Coevorden. De beroemdste generaal uit de Nederlandsch-Indische geschiedenis zou vooral bekend worden als de ‘Pacificator van Atjeh’. De uit een familie van beroepsmilitairen stammende Van Heutsz nam op 16-jarige leeftijd dienst bij het Instructie Bataljon te Kampen. De infanterie, ‘de koningin van het slagveld’ werd zijn grote liefde. Toen in 1873 de oorlog met Atjeh uitbrak, ontstond er bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) grote behoefte aan manschappen en officieren. De avontuurlijke Van Heutsz meldde zich aan en vertrok naar Indië.

De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de handelsorganisatie die de handel met Indië verzorgde, werd in 1799 failliet verklaard. Haar bezittingen gingen over in handen van de Nederlandse staat. De VOC had echter, omdat het een handelsorganisatie was, nooit de ambitie gehad het land, dat gelegen was achter de handelsposten (factorijen) langs de kust, aan haar bestuur te onderwerpen. Ze was slechts uit op handel met de verschillende inlandse vorsten. In de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen de grote Europese naties steeds meer land aan hun bestuur toe te voegen en zich op deze wijze koloniën toe te eigenen. Ook Nederland was begonnen met het onderwerpen van de inlandse vorsten aan het Nederlandse gezag, daarmee de kolonie Nederlandsch-Indië creërend. In dat licht moet de langste en bloedigste van de Nederlandse koloniale oorlogen gezien worden, tegen het machtige en onafhankelijke sultanaat Atjeh. Deze oorlog in het noordoostelijke deel van het eiland Sumatra duurde van 1873 tot 1912.

De oorlog verzandde al snel, nadat de eerste pogingen Atjeh in te lijven in 1873 waren mislukt. Rond 1890 kwam hierin verandering met de oprichting van het ‘Korps Marechaussee te voet’, gericht op het bestrijden van de guerrilla door middel van contra-guerrilla. Van Heutsz, intussen opgeklommen tot chef-staf van de militaire troepenmacht in Atjeh, kreeg de kans zijn bekwaamheid te tonen in de uitzichtloze oorlog. De soldaten waren intensief getraind, bewapend met een korte karabijn, klewang en rentjong (Atjehse kris), lichte bepakking, tropenhoed in plaats van ongeschikte helm en maakte zo weinig mogelijk gebruik van dragers. Het korps, bestaande uit Ambonezen en Javanen, met inlandse en Afrikaanse onderofficieren en Europese officieren, zou uitgroeien tot een elitekorps en als leerschool fungeren voor de reguliere troepen. Het gebruikte een offensieve tactiek, vooral bestaande uit onophoudelijke patrouilles en achtervolgingen. Het korps was in staat snelle acties en verrassingsaanvallen uit te voeren en bleek het antwoord op de guerrilla van de Atjehers. In 1896 en 1897 werd het kerngebied van Atjeh onder Nederlands gezag geplaatst. Van Heutsz’ credo ‘Hard toeslaan, zonder wankelmoedigheid’ kan gezien worden als een typering van de tactiek van het korps.

Van Heutsz behaalde zijn eerste grote succes tijdens de expeditie naar Pedië in juni 1898. Zijn persoonlijke leiderschap droeg in hoge mate bij aan het succes, maar ook de wetenschappelijke adviezen van de arabist en islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, die officieren leerde dat de islamitische Atjehers een Jihad (heilige oorlog) vochten tegen de Nederlanders en pas op zouden geven wanneer ze de ‘voet op den nek’ zouden voelen. Hoewel succesvol, is Van Heutsz’ manier van optreden heden ten dage op zijn zachtst gezegd omstreden te noemen. Hij trad genadeloos op en hij wordt als verantwoordelijke gezien voor de massale slachtpartijen die er tijdens deze langdurige oorlog in de Atjehse dorpen werden aangericht. Tienduizenden, volgens sommigen zelfs zeventigduizend Atjehers vonden de dood. Toch wordt hij ook nu nog in door militair-historici gezien als een specialist op het gebied van het voeren van de contra-guerilla.

In 1898 werd Van Heutsz Gouverneur van Atjeh. Het korps, dat met haar hoge mobiliteit tot in alle hoeken van Atjeh kon komen, rekende met behulp van technologische ontwikkelingen, zoals het repeteergeweer, stoomschepen die troepen sneller konden verplaatsen in de archipel en beteren medische verzorging, rond de eeuwwisseling af met een groot deel van het verzet. In 1903 onderwierp de Sultan van Atjeh zich aan de Nederlandse overheersing. Daarna bestond de oorlog voor een groot deel uit opstanden in geïsoleerde gebieden, maar het duurde toch tot 1912 voordat het hardnekkige Atjeh geheel bij de kolonie was ingelijfd.

Als beloning voor de pacificatie van Atjeh werd Van Heutsz in 1904 benoemd tot Gouverneur Generaal van Nederlandsch-Indië, de hoogste post binnen het koloniale bestuur. Hij zou deze functie bekleden tot 1909 en in die periode de eilanden buiten Java, de buitengewesten, onder Nederlands gezag brengen. Daarmee wordt Van Heutsz door velen gezien als de man die Nederlandsch-Indië tot een eenheid smeedde; de eenheidsstaat, waarin het huidige Indonesie zijn oorsprong vindt. Van Heutsz keerde, nadat hij de functie van Gouverneur-generaal had neergelegd, terug naar Nederland, maar ging in 1922 vanwege zijn gezondheid in Zwitserland wonen. Daar overleed hij op 11 juli 1924 te Montreux, 73 jaar oud. Drie jaar later volgde een officiële staatsbegrafenisbegrafenis. Met veel eerbetoon en onder grote belangstelling werd de kist vanaf het Paleis op de Dam naar de Nieuwe Ooster Begraafplaats vervoerd.

Het Van Heutsz regiment

De naam Van Heutsz leeft voort in het nog altijd bestaande Regiment van Heutsz en is het meest gedecoreerde regiment van de Koninklijke Landmacht. Dit Regiment werd in 1950 opgericht als opleidingseenheid, met als doel de voortzetting van de traditie van het KNIL, dat na de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië werd opgeheven. In oktober 1950 werd een deel van het Regiment Van Heutsz in het kader van de Verenigde Naties uitgezonden naar de oorlog in Korea. Het regiment kreeg in 1955 een eigen vaandel uitgereikt door Koningin Juliana en was begin 1991 het grootste regiment binnen de Landmacht. Herstructurering bracht het voortbestaan in gevaar, maar het regiment Van Heutsz overleefde. Tijdens parades wordt nog altijd in het karakteristieke uniform, met tropenhoed, korte karabijn en klewang het vaandel gepresenteerd.

Tekst: Rob Bruins Slot en Laura van Hasselt
Reportage: Gerda Jansen Hendriks, Laura van Hasselt, Rob Bruins Slot

EINDE TEKST ANDERE TIJDEN

Van Daalen vervulde een doorslaggevende rol in de Atjehoorlog door niets-ontziend de tactiek van de verschroeide aarde te volgen. Om het verzet in Atjeh te breken verwoestte Van Daalen dorpen in Atjeh waarbij tenminste 2.900 Atjehers de dood vonden waaronder 1.150 vrouwen en kinderen”

WIKIPEDIA

GODFRIED COENRAD ERNST VAN DAALEN (1863-1930)

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Gotfried_Coenraad_Ernst_van_Da alen_(1863-1930)

Kuta Reh (in het Nederlands: Koeto Reh of Koetö Réh) is een plaatsje in de Alaslanden van Atjeh. Op 14 juni 1904 werd hier onder leiding van de Nederlandse generaal Van Daalen een massamoord gepleegd .”

WIKIPEDIA

KUTA REH

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Kuta_Reh

[63]

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/GOUVERNEUR GENERAAL

VAN NEDERLANDS-INDIE

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz# Gouverneur-generaal_van_Nederl ands-Indi.C3.AB

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

[64]

WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN
[65]
”Colijn nam in 1894 deel aan de Expeditie naar Lombok[1][2] waarbij veel burgerslachtoffers vielen.”
WIKIPEDIA 
HENDRIKUS COLIJN/LOMBOK EXPEDITIE, 1994
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN
WIKIPEDIA
LOMBOK OORLOG, 1894
[66]
” In de brief aan zijn vrouw, de meest openhartige, beschrijft Colijn hoe een vrouw met een klein kind op de linkerarm en een lange lans in de andere op zijn eenheid afstormde. Moeder en kind werden door geweervuur gedood. ,,We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.”
NRC
COLIJN BEVAL OP LOMBOK EXECUTIE VROUWEN, KINDEREN
15 APRIL 1998
TEKST

AMSTERDAM, 15 APRIL. Hendrikus Colijn, in de jaren twintig en dertig minister-president, is als 25-jarige bevelvoerende officier in 1894 verantwoordelijk geweest voor de executie van Balinese vrouwen en kinderen door zijn Ambonese soldaten. Dat gebeurde na afloop van de aanval op Tjakra Negara, een paleiscomplex op het Indonesische eiland Lombok.

  15 april 1998

Dit vermeldt de historicus Herman Langeveld in het eerste deel van zijn biografie Hendrikus Colijn 1869-1944. Dit leven van krachtig handelen (uitgeverij Balans), die vandaag is verschenen.

Langeveld ontleent het feit aan twee brieven van Colijn aan respectievelijk zijn vrouw en zijn ouders. Twee eerdere biografen (de historici Van Reest in de jaren dertig en Puchinger in de jaren zestig) hebben hier nooit melding van gemaakt.

In 1894 nam Colijn deel aan een tweede militaire expeditie tegen een Balinese vorst op Lombok, nadat de koloniale strijdmacht in de eerste was verslagen. Tijdens de aanval leidde hij een eenheid Ambonezen.

Volgens Balinees gebruik namen ook de vrouwen deel aan de verdediging. Toen zijn eenheid het paleis had veroverd, stuitten de soldaten op vrouwen en kinderen die om genade smeekten. Ze werden desondanks gedood.

In de brief aan zijn vrouw, de meest openhartige, beschrijft Colijn hoe een vrouw met een klein kind op de linkerarm en een lange lans in de andere op zijn eenheid afstormde. Moeder en kind werden door geweervuur gedood. ,,We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.”

In de brief aan zijn ouders schrijft Colijn over jonge, schone vrouwen die met zuigelingen op de arm meestreden en van de daken stukken lood wierpen. ,,Gelukkig stonden mijn dappere Amboneezen als een muur. Na den 8en aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof 13. De soldaten keken mij vragend aan. Een 30-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide, waren ook die 13 dood.”

De tweede expeditie naar Lombok eindigde met een overwinning. Een aantal militairen, onder wie Colijn, kreeg het ridderkruis van de Militaire Willemsorde. Tot in de jaren dertig mochten Lombokstrijders paraderen voor koningin Wilhelmina, die hen tot de heldhaftige Nederlanders rekende.

Pagina 2: ‘Gevolg verzuilde achtergrond’

Volgens Langeveld hebben ook de vroegere biografen van Colijn, R. van Geest en G. Puchinger deze passages wel gelezen maar er geen melding van gemaakt ,,kennelijk om het verheerlijkend karakter van hun werken niet in gevaar te brengen”.

De historicus dr. J.C.H. Blom, directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie, is daarover ,,enigszins verbaasd”. Weliswaar was al bekend dat Colijn ,,binnen het KNIL behoorde tot de officieren die uitblonken door hun hardheid”, maar de tekst van de brieven ,,is een opvallend gegeven dat je als auteur niet gauw laat liggen”. Volgens Blom hebben ze dat nagelaten door hun verzuilde achtergrond. ,,Het was geen bewuste manipulatie, maar hun focus was een hele andere.”

Dr. G.J. Schutte, hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit, nuanceert deze verklaring. Volgens Schutte is de omissie niet alleen aan het verzuilde karakter van de geschiedschrijving te wijten. Het ligt ook aan de visie van deze auteurs op Colijn. ,,Het kan zijn dat Puchinger, after all een behoudend man, dacht: als ik dit meld, wordt het verhaal over Colijn onevenwichtig” , aldus Schutte. Dat zegt volgens hem meer over Puchinger dan over de VU. ,,Aan de VU werd Colijn in de jaren zestig niet meer bewierrookt. Puchinger is ook nooit werkzaam geweest aan de historische faculteit van de Vrije Universiteit. Misschien is dat niet toevallig. Voor de historici aan de VU is hij nooit aanvaardbaar geweest.”. Onder economen was het beeld van Colijn, mede onder invloed van AR-leider dr. J. Zijlstra, al eerder gekanteld. De historici aan de VU volgden in de jaren zestig. Bovendien is ,,onze gevoeligheid voor geweld de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen en onze gevoeligheid voor de werkelijk van de oorlog afgenomen. Wat Colijn in 1894 deed, wordt nu daarom als een doodzonde gezien”, aldus Schutte.

Van Reest is inmiddels overleden en Puchinger (77) is door ziekte niet meer aanspreekbaar.

EINDE ARTIKEL NRC
”Ik heb er een vrouw gezien die, met een kind van ongeveer 1/2 jaar op den linkerarm, en een lange lans in de rechterhand op ons aanstormde. Een kogel van ons doodde moeder en kind. We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten, en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. ’t Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen”
WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN/LOMBOK EXPEDITIE, 1894
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN
DE GROENE
DE BRIEVEN VAN COLIJN
6 MEI 1998
De onthulling dat onze oud-premier Hendrikus Colijn in zijn jonge jaren dingen heeft gedaan die we heden ten dage zouden betitelen als oorlogsmisdaden, was voor velen nauwelijks een verrassing. Goed, het onomstotelijke bewijs was niet geleverd, maar wie iets wist van de uitroeiingsoorlog op Atjeh, maakte zich over Colijns aandeel daarin weinig illusies. Toch kwam het voor velen nog als een schok.

Bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, dat het Colijn-archief beheert, is men niet blij met al dit tumult. In een interview met EO-radio deed directeur Jan de Bruin, die in 1994 samen met Langeveld een boek over Colijn had geredigeerd, een poging de onthulling te bagatelliseren. Bovendien kwam hij vorige week met een speciale uitgave van de belastende brieven van Colijn, die hij van een verklarende inleiding voorzag: De slag om Tjakra Negara: Een verslag in drie brieven (VU-uitgeverij, Ÿ 12,50).
De vraag is: wat wil het Historisch Documentatiecentrum met deze uitgave? Volgens archivaris Hans Seijlhouwer wil men hiermee Colijn uit de ‘rellerige sfeer’ halen. In het NRC van 27 april verklaart hij: ‘Colijn moet niet de geschiedenis ingaan als de enige die in Indi‰ oorlogsmisdaden heeft begaan.’ Hiermij wekt hij de suggestie, en De Bruin deed dat voor de EO-microfoon ook al, dat de wijze waarop Langeveld Colijns optreden heeft behandeld, selectief en wellicht onbetrouwbaar zou zijn. Een absurde veronderstelling.
In zijn curieuze inleiding bij De slag om Tjakra Negara concludeert De Bruijn uit Langevelds opmerking dat de brief aan Colijns ouders minder betrouwbaar is dan die aan zijn vrouw, dat we Colijns wandaden misschien met een korreltje zout moeten nemen. De manier waarop De Bruijn reageert op het boek van Langeveld, met wie hij nog maar vier jaar geleden zo eendrachtig heeft samengewerkt, mag dan hoogst unfair zijn, het lamentabele verhaal over de ‘historische context’ waarin we Colijns oorlogsmisdaden moeten zien, is ronduit ergerlijk. In Nederland oordeelde men honderd jaar geleden anders over dit soort moordpartijen, wat onder meer zou blijken uit Colijns aansporing om zijn brieven ook door anderen te laten lezen, zodat wij ons er ook niet zo druk over hoeven te maken. Bij de presentatie van de Colijn-biografie merkte de Leidse hoogleraar P.W. Klein op: ‘We hebben gehoord dat we zijn optreden in zijn tijd moeten plaatsen. Je hoort dat nou nooit zeggen over Ilse Koch, Eichmann of Karadzic.’
Als je dit soort wandaden in hun historisch context wilt plaatsen, moet je ook de gehele context onder ogen willen zien. Wat op Lombok gebeurde, werd daarna op Atjeh, gedurende veel langere tijd, bloedige routine. En daar werd wel degelijk tegen geprotesteerd. Niet alleen door de sociaal-democraten – Albert Hahn wijdde menige prent aan de volkerenmoord – maar ook door het katholieke kamerlid De Stuers en zijn liberale collega Thomsom. Langeveld besteedt bovendien uitgebreid aandacht aan het optreden van kapitein Fanoy, die als christen grote bezwaren had tegen het ploertige optreden van het leger en aanvankelijk hoopte in medechristen Colijn een medestander te vinden.

Zelfs als de meerderheid van de bevolking, die weinig te horen kreeg van de excessen, het eens was met het optreden op Lombok en Atjeh, maakt dat het optreden van Colijn er niet beter op. Dat Colijn zich niet schaamde voor zijn daden, en wilde dat ook anderen zijn brieven lazen, wat zegt dat eigenlijk? In zijn boek Hitlers gewillige beulen schrijft Goldhagen uitgebreid over de foto’s die leden van de politiebataljons maakten van hun ‘werk’. De prentjes werden op het prikbord gehangen, zodat collega’s konden nabestellen. Voorzien van verklarende of ironische teksten werden deze foto’s naar het thuisfront gestuurd. Waarschijnlijk is volgens professor De Bruijn verontwaardiging hier evenmin op zijn plaats. Gezien de ‘historische context’ was het immers ‘normaal’.
EINDE TEKST DE GROENE AMSTERDAMMER
FRAGMENT OVER COLIJN, RECHTERHAND VAN VAN HEUTSZ IN
NEDERLANDS-INDIE
[67]
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/MONUMENTEN
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ
[68]
”Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats bevindt zich een praalgraf voor Van Heutsz. In Amsterdam-Zuid, aan de Apollolaan, werd op 15 juni 1935 het Van Heutsz-monumentonthuld door koningin Wilhelmina.”
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/AMSTERDAM
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ

WWW.YOUTUBE.COM

EX PROVO JAN BRUENS OVER ZIJN BOM BIJ HET
VAN HEUTSZ MONUMENT

MET BEELDEN VAN DE ONTHULLING VAN HET VAN HEUTSZ MONUMENT

DOOR KONINGIN WILHELMINA

[69]
”Vooral in socialistische kringen bestond veel weerstand tegen
Van Heutsz en was men fel gekant tegen een eerbetoon
aan de gouverneur generaal”

NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ

http://www.npogeschiedenis.nl/ andere-tijden/afleveringen/199 9-2000/Van-Heutsz.html

[70]

”Nog dezelfde nacht na de onthulling in 1935 werd het monument met rode verf beklad”

DOORBRAAK.EU

ANTI-KOLONIALE ACTIVIST:

”LATEN WE OPHOUDEN FOUTE HELDEN TE EREN!”

12 FEBRUARI 2016

https://www.doorbraak.eu/anti-koloniale-activist-laten-we-ophouden-foute-heren-te-eren/  

Anti-koloniaal verzet is er altijd geweest. Tijdens de koloniale overheersing, vooral door tot slaaf gemaakten en andere gekoloniseerden. Maar ook daarna, tegen de geschiedschrijving erover en de verbeelding ervan. Er bestaat ook in Nederland een strijdtraditie waarbij het verheerlijken van het koloniale gezag wordt aangevallen. Het verzet tegen het Amsterdamse Van Heutsz-monument is daarvan een belangrijk voorbeeld. Een gesprek met de activist Koos Borghouts, nauw betrokken bij dat verzet.

“Toen wij in mei 1997 als buurtbewoners een uitnodiging ontvingen voor een inspraakavond over het opknappen van het Van Heutsz-monument, sloeg de schrik ons om het hart. Geen enkel woord over het misplaatste eerbetoon voor de koloniale moorden die zijn gepleegd door Van Heutsz, bevelhebber van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, en zijn kornuiten tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1913) in het toenmalige Nederlands-Indië”, aldus Borghouts. Hij wilde voorkomen dat het monument in z’n ‘oude glorie’ hersteld zou worden. Dat zette hem en anderen ertoe aan om te gaan strijden voor een herdefiniëring van het monument. “Voor ons was het monument en het water eromheen een bekende plek om in onze eigen buurt te recreëren, ook met onze kinderen erbij. De letters waarmee werd verwezen naar Van Heutsz, waren in die tijd van het monument verdwenen. Zolang ik me kan herinneren, is het beeld altijd flink beschadigd geweest, wat veelzeggend is.”

Slachtpartijen

Vanaf het moment dat bekend werd dat er een Van Heutsz-monument zou komen, was het omstreden. De in 1924 overleden Joannes Benedictus van Heutsz bracht met keiharde repressie Atjeh onder Nederlands bewind, daarna volgden er nog meer Indonesische eilanden. Als dank daarvoor kreeg hij op kosten van de staat een praalgraf en als enige niet-koninklijke persoon een staatsbegrafenis. Toen in de jaren dertig bekend werd dat er in Amsterdam ook nog een monument voor hem zou worden opgericht, leidde dat tot fel protest van communisten en sociaal-democraten. Want ook in “het moederland” was toen al wijd en zijd bekend welke koloniale slachtpartijen en plunderpraktijken er in Nederlands-Indië plaatsvonden. Het monument werd toch gebouwd en op 15 juni 1935 door koningin Wilhelmina onthuld.

Minister-president Hendrik Colijn, die in Nederlands-Indië de rechterhand van gouverneur-generaal Van Heutsz was geweest, zei bij de onthulling van het monument dat Van Heutsz de vergelijking met Hannibal, Caesar en Alexander de Grote gemakkelijk kon doorstaan. En dat bedoelde hij positief. Ook Colijn had zich schuldig gemaakt aan koloniale terreur. Vanuit Lombok schreef hij aan zijn vrouw: “Ik heb negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten, en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. Enige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide, waren allen dood. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar aan te steken. ’t Was een verschrikkelijk werk.”

Vrijheidsbeeld

De activisten uit latere tijden, onder wie Borghouts, voelden zich in hun strijd om het monument niet in ‘oude glorie’ te laten herstellen, gesterkt door Frits van Hall, de architect van het monument. Van Hall was zich indertijd terdege bewust van de controverse rond de koloniale misdadiger. Tot enorme teleurstelling van de Van Heutsz-bewonderaars had hij geen protserig traditioneel standbeeld gemaakt met een machtige hoog op een paard gezeten bevelhebber, ver boven de gewone mensen verheven. Zijn monument verbeeldde daarentegen het leven in de Indische archipel, waarbij in het midden een grote en trotse vrouwenfiguur is te zien. Hij plaatste er slechts een klein portret van Van Heutsz bij, in de vorm van een medaillon op de sokkel. Daarover zou hij later hebben opgemerkt: “Als het hier ooit zover komt, dan mag je dat portret verwijderen. Vervang het door de woorden ‘Vrijheid’, ‘Merdeka’ of ‘Indonesië’, en je hebt een vrijheidsbeeld.” In die geest streefden Borghouts en anderen een herziening van het monument na.

Nog dezelfde nacht na de onthulling in 1935 werd het monument met rode verf beklad. In de jaren erna viel het herhaaldelijk ten prooi aan bekladdingen en vernielingen. Er zijn in de loop der tijd diverse verzoeken gedaan om het monument af te breken of een andere functie te geven. Provo hield er in de jaren zestig diverse ludieke acties en schilderde de woorden “Provo” en “Image” op de sokkel. Tot tweemaal toe werd het monument getroffen door een bomaanslag, in 1967 en in 1984. De plaquette met het portret van Van Heutsz werd in 1984 gestolen en later verdwenen ook nog de letters die zijn naam vormden. In 1998 onthulde ex-Provo Roel van Duijn een blanco plaquette op de sokkel.

In Indonesië is overigens meteen korte metten gemaakt met het verheerlijken van het koloniale gezag door middel van beelden. Borghouts: “Al bij het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945 werd het Van Heutsz-monument in Jakarta gesloopt. Als vrije natie wilde Indonesië zich ontdoen van positieve herinneringen aan de koloniale overheersing. Een straat in Jakarta die naar Van Heutsz was vernoemd, werd omgedoopt in die van bekende Indonesische verzetsstrijders.”

Polderen

Het protest van de Amsterdamse buurtbewoners in de jaren negentig stond dus in een lange traditie. Borghouts en anderen dienden een officieel verzoek in “bij het stadsdeel om het monument een andere naam en functie te geven. In de geest van Van Hall zou dat een vrijheidsbeeld mogen zijn, een eerbetoon aan de slachtoffers van het koloniale regime. Of een eerbetoon aan de Indonesië-weigeraars die hun poot stijf hielden en geen deel wilden uitmaken van de zogenaamde politionele acties, bedoeld om het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs te breken.” Stadsdeelvoorzitter Weeda toonde zich er huiverig voor om met het verzoek in te stemmen, maar door aanhoudende druk werd Instituut Clingendael de opdracht gegeven om te onderzoeken of er voldoende draagvlak voor een ander soort monument was. In 2000 stelde Clingendael voor om de naam van Van Heutsz niet terug te laten keren op het monument. Een grote overwinning! De adviestekst was “1596 Nederland Indië 1949”. Op 31 januari 2004 werd eindelijk besloten dat de naam van het monument zou worden gewijzigd in “Monument Indië-Nederland”. Het moest voortaan gaan om een gedenkteken dat herinnert aan de relatie tussen Nederland en Indië gedurende de hele koloniale periode.

Hoewel Borghouts niet ontevreden is over de herdefiniëring van het monument, noemt hij het een klassiek voorbeeld van een compromis. “Het jaartal 1949 is gehandhaafd. Dat had natuurlijk 1945 moeten zijn vanwege het uitroepen van de onafhankelijke republiek Indonesië, maar dat ligt in Nederland nog steeds gevoelig. De invloed van oud-Indiëstrijders is nog altijd enorm. Achterop de sokkel staat helaas nog steeds: ‘pacificator Van Heutz’. Hij wordt daarmee nog steeds neergezet als een soort vredestichter. De rest van de tekst is redelijk okee, maar gaat toch te veel uit van het standpunt van de overheerser.”

Dat polderen is overigens geen recent verschijnsel. Het voornemen om een monument voor Van Heutsz op te richten leidde indertijd tot een tegenactie en de roep om een standbeeld voor de anarchistische voorman en anti-militarist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Door dat monument toe te staan hoopten de autoriteiten het verzet tegen het Van Heutsz-monument te kunnen smoren. Het standbeeld van de in 1919 overleden Domela Nieuwenhuis werd op 29 augustus 1931 onthuld op het Amsterdamse Nassauplein. Tienduizenden waren daarbij aanwezig, onder wie communisten, anarchisten, anti-militaristen en andere links georiënteerde groeperingen, zoals De Dageraad, de Vrije Socialisten, de Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond en de Nederlandschen Vegetariërsbond. Voor hen was Domela Nieuwenhuis “us ferlosser” (“onze redder”) geweest.

Slavernijmonument

Ook in andere gemeenten zijn er in de loop der forse bezwaren gerezen tegen “het eren van foute heren” door middel van monumenten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het protest tegen het standbeeld van de koloniale misdadiger Jan Pieterszoon Coen in Hoorn en de acties tegen het Leidse Indië-monument. Pas de laatste vijftien jaar worden er monumenten opgericht die juist de slachtoffers van het koloniale systeem herdenken, zoals het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark, waar elk jaar op 1 juli de afschaffing van de slavernij wordt herdacht. Dat monument is er gekomen dankzij de druk vanuit de zwarte gemeenschap, door nazaten van tot slaaf gemaakten. De laatste jaren is de anti-koloniale strijd versterkt door de opkomst van de beweging tegen de racistische karikatuur Zwarte Piet. Ook de acties tegen de propagandafilm “Michiel de Ruyter” en tegen de Gouden Koets van het koningshuis laten zien dat het verheerlijken van het koloniale verleden vandaag de dag flink wordt bekritiseerd.

Nederland was fout”, aldus Borghouts. Hij was ook betrokken bij de totstandkoming van het boek “Er waren er die niet gingen” en bij acties tegen de viering van 400 jaar Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). “Ik heb geen respect voor killers. Erkenning van de Nederlandse staat voor de verschillende begane wandaden in de voormalige koloniën? Nederland wil er niet aan. Er bestaat nog steeds een legerregiment dat trots de naam Van Heutsz draagt. Er is in Nederland geen enkel officieel monument voor de slachtoffers van het kolonialisme. Wat te doen met al die objecten die het koloniale verleden bevestigen of niet ter discussie stellen? Slopen, herinrichten of van nieuwe teksten voorzien! De activist Jan Bruens zei eens dat we een Vergissingenmuseum moeten inrichten. Daar kunnen we een hoop wandaden kwijt die in naam van de Nederlandse staat zijn gepleegd.“

Ellen de Waard
Harry Westerink

EINDE ARTIKEL DOORBRAAK

[71]

Nog dezelfde nacht na de onthulling in 1935 werd het monument met rode verf beklad. In de jaren erna viel het herhaaldelijk ten prooi aan bekladdingen en vernielingen. Er zijn in de loop der tijd diverse verzoeken gedaan om het monument af te breken of een andere functie te geven. Provo hield er in de jaren zestig diverse ludieke acties en schilderde de woorden “Provo” en “Image” op de sokkel. Tot tweemaal toe werd het monument getroffen door een bomaanslag, in 1967 en in 1984.”
ANTI-KOLONIALE ACTIVIST: ”LATEN WE OPHOUDEN FOUTE
HEREN TE EREN”
12 FEBRUARI 2016
”Nadat het monument een aantal keer was vernield, in 1967 met dynamiet en in 1984 met explosieven, werd het controversiële object in 2004 omgedoopt in Monument Indië-Nederland 1596-1949.”
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/MONUMENTEN
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ
”Zeker in de jaren zestig stond het Van Heutsz-monument symbool voor de Nederlandse koloniale onderdrukking en het was een populair doelwit van de provo’s. Tweemaal, in 1967 en in 1984 werd het getroffen door een bomaanslag.”

NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ

http://www.npogeschiedenis.nl/ andere-tijden/afleveringen/199 9-2000/Van-Heutsz.html

WWW.YOUTUBE.COM

EX PROVO JAN BRUENS OVER ZIJN BOM BIJ HET
VAN HEUTSZ MONUMENT

MET BEELDEN VAN DE ONTHULLING VAN HET VAN HEUTSZ MONUMENT

[72]
” In 1984 werd de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz gestolen. De plaquette, en ook de letters van zijn naam, zijn nooit teruggevonden.”
NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ
[73]
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/COEVORDEN
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ
[74]
LET OP:
VERGOEILIJKEND COMMENTAAR OP DE MISDADEN VAN VAN HEUTSZ
Twee studenten richtten hun actie tegen dat beeld om ‘de groei van de fascistische gedachte in deze tijd’ te bestrijden. Eén van hen was de 22-jarige Relus ter Beek, die het nog tot minister van defensie en commissaris van de Koningin in Drenthe bracht, ondanks het strafblad (vijftig gulden boete of tien dagen hechtenis) dat hij toen opliep.”
TROUW
PARADOX VAN EEN ONTTAKELDE HELD
19 JANUARI 1999
TEKST

Welke Nederlanders hebben zo’n grote invloed gehad op de twintigste eeuw dat na hen de wereld niet meer dezelfde was? Beroemd, berucht of onderschat, wie veroorzaakte een wending in onze levenswijze, markeerde een doorbraak in ons denken? Met het eind van de eeuw in zicht blikt Podium in Tijdsgewricht iedere dinsdag terug op invloedrijke landgenoten in de afgelopen honderd jaar.

De actualiteit van Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) omspant deze hele eeuw. In 1902 werd hij in Nederland met eerbewijzen overladen als ‘pacificator van Atjeh’. Nu, aan het einde van de eeuw, scharen de Atjehers zich nog steeds niet onder het gezag van Jakarta en komen er van noord-Sumatra dezelfde berichten als honderd jaar geleden: guerrilla en schending van mensenrechten.

Toen en nu zag Van Heutsz kans volstrekt tegengestelde reacties op te roepen. Aan het begin van deze eeuw was er in de Tweede Kamer (niet alleen aan de linkerzijde) een kleine en hardnekkige kern, die vol afschuw over het optreden van de militaire en civiele gouverneur van Atjeh sprak. Aan het eind van de eeuw, in 1893 kwam de Nederlandse ambassadeur in Jakarta naar Atjeh met een door oud-Knil-militairen betaalde kopie van een plaquette met Van Heutsz’ kop voor het gouvernementshuis of het museum in de hoofdstad Banda Atjeh. De ambassadeur deed dat op verzoek van een tot minister gepromoveerde oud-gouverneur van Atjeh.

“Het eerste Nederlandsch-fascistische machtsvertoon” noteerde de schrijver, Frans Coenen bij Van Heutsz’ pompeuze herbegrafenis vanuit het paleis op de Dam op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Dat was op 9 juni 1927 – dus vijf jaar na Mussolini’s mars op Rome en vijf jaar voor Hitlers aantreden als rijkskanselier. “Créateur de valeurs” karakteriseerde op 15 juli 1935 de toenmalige premier Hendrikus Colijn hem bij de onthulling door koningin Wilhelmina van het Van Heutsz-monument bij het Olympiaplein in Amsterdam. Colijn doelde daarbij vooral op de door Van Heutsz’ overwinningen verwerkelijkte eenheid van de kolonie. Een mooie paradox: de Indonesische president Soekarno maakte in de jaren vijftig, dwars tegen Nederland en Colijns erfgenamen in, hetzelfde thema tot zijn ideaal: ‘Van Sabang tot Merauke’.

In 1892 schreef majoor Van Heutsz in een brochure, teleurgesteld door het (zo’n 20 jaar durende) falen van het Indische leger, dat “de Atjehers zich nooit anders dan gedwongen zullen onderwerpen en dat slechts hij, die toont de macht te bezitten om zijn wil te doen eerbiedigen, de meester zal zijn, aan wiens bevelen zij zich zullen onderwerpen”.

In 1898 kreeg hij met zijn benoeming tot civiel en militair gouverneur van Atjeh de kans het hele programma uit te voeren. In het beeld van Van Heutsz overweegt de herinnering aan het militaire geweld, maar het is op z’n minst rechtvaardig er ook aan te herinneren hoe hij als gouverneur van Atjeh zich verzette tegen het elders verwerken van de zojuist in Atjeh gevonden aardolie door de Koninklijke Olie. Het economisch voordeel daarvan moest aan de bevolking van Atjeh ten goede komen. “Het gaat toch niet aan dat de ontwikkeling van het gewest opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die eens bijzonder voordelig exploiteren wil”, schreef hij de gouverneur-generaal in Batavia. Maar Van Heutsz miskende het bijzondere karakter van de misprijzend als ‘een maatschappij’ aangeduide Koninklijke. De minister van koloniën in Den Haag liet de gouverneur-generaal weten dat Van Heutsz moest inbinden.

Een paar jaar later, zelf gouverneur-generaal in Batavia, botst Van Heutsz weer op Den Haag. Hij heeft tot groot ongenoegen van de Nederlandse gemeenschap in Indië een subsidie gegeven aan het tijdschrift Bintang Hindia dat op een voorzichtige wijze leiding probeerde te geven aan de culturele ontwikkeling van de enigszins geschoolde Indonesiërs, onder wie nogal wat militairen van Indonesische afkomst. Dat paste in Van Heutsz’ beleid, net als zijn steun aan de ontwikkeling van het volksonderwijs, want bedenk wel: hij was benoemd door minister Idenburg om diens ‘ethische’ politiek in Indië uit te voeren. Van de kritiek in Indië trok Van Heutsz zich niets aan – zo was nu eenmaal zijn karakter – maar de arm van zijn tegenstanders was lang. Idenburgs opvolger als minister in Den Haag kwam er tenslotte aan te pas om het subsidie aan het tijdschrift te verbieden.

In de jaren zestig was het Van Heutsz-monument in Amsterdam het mikpunt van de voor deze nuances niet zo toegankelijke provo’s. “Zou er in deze stad een standbeeld van Van Heutsz staan, / men moest het onopvallend maar vandaag nog slopen” dichtte J.B. Charles in die jaren in zijn cyclus over Amsterdam, maar hij vond merkwaardig genoeg het eerst weerklank in Coevorden, Van Heutsz’ geboortestad, waar ook een Van Heutsz-monument staat. Twee studenten richtten hun actie tegen dat beeld om ‘de groei van de fascistische gedachte in deze tijd’ te bestrijden. Eén van hen was de 22-jarige Relus ter Beek, die het nog tot minister van defensie en commissaris van de Koningin in Drenthe bracht, ondanks het strafblad (vijftig gulden boete of tien dagen hechtenis) dat hij toen opliep.

Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, in een uithoek van Amsterdam (en daarom onttrokken aan het oog van oproerkraaiers) ligt Van Heutsz begraven in een negen meter diepe grafkelder onder een on-Nederlands ogend (3,5 meter hoog en 2,5 meter breed) mausoleum van grijsrood en onverwoestbaar Zweeds graniet van de architect D. Rosenberg en met merkwaardig, art déco-achtig beeldhouwwerk van B. Ingen Housz.

Het in 1932 in Batavia, naar een ontwerp van Dudok gebouwde monument hebben de Indonesiërs na de oorlog gesloopt. Het andere Amsterdamse monument (van de architect G. Friedhoff en de communistische – alweer zo’n paradox – beeldhouwer Frits van Hall) is inmiddels onttakeld doordat de plaquette met Van Heutsz’ portret is verdwenen.

Misschien is er aanleiding alsnog een plaquette aan te brengen en dan liefst niet met de beeltenis van een martiale militair, maar van een civiele bestuurder uit de tropen die in voorgalerij van zijn huis, in pyjama, pantoffel bungelend aan zijn voet, een sigaartje rookt. Dat beeld hebben zijn bewonderaars ons ook geschilderd.
EINDE ARTIKEL TROUW
” Op 9 april 1965 plaatsten Alard van Lenthe en de latere Minister van Defensie Ter Beek, dan redacteuren van de Rooie Drentse Courant, bij het beeld een bord met daarop de tekst: Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw; om het geschokte vertrouwen van het Ned.-Indische bestuur opnieuw te funderen. De dochter van Van Heutsz diende hierop een aanklacht tegen Van Lenthe en Ter Beek in. Zij werden veroordeeld tot het betalen van een boete van 50 gulden”
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/COEVORDEN
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ
In zijn studententijd werd hij lid van de PvdA, waarbinnen hij tot Nieuw Linksbehoorde. Op 9 april 1965 plaatste Ter Beek als protest een tekst onder het borstbeeld van Joannes Benedictus van Heutsz in Coevorden. Hierop werd hij veroordeeld tot het betalen van vijftig gulden boete”
WIKIPEDIA
RELUS TER BEEK
[75]
”Nadat het monument een aantal keer was vernield, in 1967 met dynamiet en in 1984 met explosieven, werd het controversiële object in 2004 omgedoopt in Monument Indië-Nederland 1596-1949. Alle verwijzingen naar Van Heutsz werden verwijderd.”
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ/AMSTERDAM
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
JOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ
[76]
”“Toen wij in mei 1997 als buurtbewoners een uitnodiging ontvingen voor een inspraakavond over het opknappen van het Van Heutsz-monument, sloeg de schrik ons om het hart. Geen enkel woord over het misplaatste eerbetoon voor de koloniale moorden die zijn gepleegd door Van Heutsz, bevelhebber van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, en zijn kornuiten tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1913) in het toenmalige Nederlands-Indië”, aldus Borghouts. Hij wilde voorkomen dat het monument in z’n ‘oude glorie’ hersteld zou worden”

DOORBRAAK.EU

ANTI-KOLONIALE ACTIVIST:

”LATEN WE OPHOUDEN FOUTE HELDEN TE EREN!”

12 FEBRUARI 2016

https://www.doorbraak.eu/anti-koloniale-activist-laten-we-ophouden-foute-heren-te-eren/ 

[77]

BLOEDIG MILITAIR OPTREDEN COLIJN
” In de brief aan zijn vrouw, de meest openhartige, beschrijft Colijn hoe een vrouw met een klein kind op de linkerarm en een lange lans in de andere op zijn eenheid afstormde. Moeder en kind werden door geweervuur gedood. ,,We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.”
NRC
COLIJN BEVAL OP LOMBOK EXECUTIE VROUWEN, KINDEREN
15 APRIL 1998
TEKST

AMSTERDAM, 15 APRIL. Hendrikus Colijn, in de jaren twintig en dertig minister-president, is als 25-jarige bevelvoerende officier in 1894 verantwoordelijk geweest voor de executie van Balinese vrouwen en kinderen door zijn Ambonese soldaten. Dat gebeurde na afloop van de aanval op Tjakra Negara, een paleiscomplex op het Indonesische eiland Lombok.

  15 april 1998

Dit vermeldt de historicus Herman Langeveld in het eerste deel van zijn biografie Hendrikus Colijn 1869-1944. Dit leven van krachtig handelen (uitgeverij Balans), die vandaag is verschenen.

Langeveld ontleent het feit aan twee brieven van Colijn aan respectievelijk zijn vrouw en zijn ouders. Twee eerdere biografen (de historici Van Reest in de jaren dertig en Puchinger in de jaren zestig) hebben hier nooit melding van gemaakt.

In 1894 nam Colijn deel aan een tweede militaire expeditie tegen een Balinese vorst op Lombok, nadat de koloniale strijdmacht in de eerste was verslagen. Tijdens de aanval leidde hij een eenheid Ambonezen.

Volgens Balinees gebruik namen ook de vrouwen deel aan de verdediging. Toen zijn eenheid het paleis had veroverd, stuitten de soldaten op vrouwen en kinderen die om genade smeekten. Ze werden desondanks gedood.

In de brief aan zijn vrouw, de meest openhartige, beschrijft Colijn hoe een vrouw met een klein kind op de linkerarm en een lange lans in de andere op zijn eenheid afstormde. Moeder en kind werden door geweervuur gedood. ,,We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.”

In de brief aan zijn ouders schrijft Colijn over jonge, schone vrouwen die met zuigelingen op de arm meestreden en van de daken stukken lood wierpen. ,,Gelukkig stonden mijn dappere Amboneezen als een muur. Na den 8en aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof 13. De soldaten keken mij vragend aan. Een 30-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide, waren ook die 13 dood.”

De tweede expeditie naar Lombok eindigde met een overwinning. Een aantal militairen, onder wie Colijn, kreeg het ridderkruis van de Militaire Willemsorde. Tot in de jaren dertig mochten Lombokstrijders paraderen voor koningin Wilhelmina, die hen tot de heldhaftige Nederlanders rekende.

Pagina 2: ‘Gevolg verzuilde achtergrond’

Volgens Langeveld hebben ook de vroegere biografen van Colijn, R. van Geest en G. Puchinger deze passages wel gelezen maar er geen melding van gemaakt ,,kennelijk om het verheerlijkend karakter van hun werken niet in gevaar te brengen”.

De historicus dr. J.C.H. Blom, directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie, is daarover ,,enigszins verbaasd”. Weliswaar was al bekend dat Colijn ,,binnen het KNIL behoorde tot de officieren die uitblonken door hun hardheid”, maar de tekst van de brieven ,,is een opvallend gegeven dat je als auteur niet gauw laat liggen”. Volgens Blom hebben ze dat nagelaten door hun verzuilde achtergrond. ,,Het was geen bewuste manipulatie, maar hun focus was een hele andere.”

Dr. G.J. Schutte, hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit, nuanceert deze verklaring. Volgens Schutte is de omissie niet alleen aan het verzuilde karakter van de geschiedschrijving te wijten. Het ligt ook aan de visie van deze auteurs op Colijn. ,,Het kan zijn dat Puchinger, after all een behoudend man, dacht: als ik dit meld, wordt het verhaal over Colijn onevenwichtig” , aldus Schutte. Dat zegt volgens hem meer over Puchinger dan over de VU. ,,Aan de VU werd Colijn in de jaren zestig niet meer bewierrookt. Puchinger is ook nooit werkzaam geweest aan de historische faculteit van de Vrije Universiteit. Misschien is dat niet toevallig. Voor de historici aan de VU is hij nooit aanvaardbaar geweest.”. Onder economen was het beeld van Colijn, mede onder invloed van AR-leider dr. J. Zijlstra, al eerder gekanteld. De historici aan de VU volgden in de jaren zestig. Bovendien is ,,onze gevoeligheid voor geweld de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen en onze gevoeligheid voor de werkelijk van de oorlog afgenomen. Wat Colijn in 1894 deed, wordt nu daarom als een doodzonde gezien”, aldus Schutte.

Van Reest is inmiddels overleden en Puchinger (77) is door ziekte niet meer aanspreekbaar.

EINDE ARTIKEL NRC
”Ik heb er een vrouw gezien die, met een kind van ongeveer 1/2 jaar op den linkerarm, en een lange lans in de rechterhand op ons aanstormde. Een kogel van ons doodde moeder en kind. We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten, en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. ’t Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen”
WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN/LOMBOK EXPEDITIE, 1894
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
HENDRIKUS COLIJN
DE GROENE
DE BRIEVEN VAN COLIJN
6 MEI 1998
De onthulling dat onze oud-premier Hendrikus Colijn in zijn jonge jaren dingen heeft gedaan die we heden ten dage zouden betitelen als oorlogsmisdaden, was voor velen nauwelijks een verrassing. Goed, het onomstotelijke bewijs was niet geleverd, maar wie iets wist van de uitroeiingsoorlog op Atjeh, maakte zich over Colijns aandeel daarin weinig illusies. Toch kwam het voor velen nog als een schok.

Bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, dat het Colijn-archief beheert, is men niet blij met al dit tumult. In een interview met EO-radio deed directeur Jan de Bruin, die in 1994 samen met Langeveld een boek over Colijn had geredigeerd, een poging de onthulling te bagatelliseren. Bovendien kwam hij vorige week met een speciale uitgave van de belastende brieven van Colijn, die hij van een verklarende inleiding voorzag: De slag om Tjakra Negara: Een verslag in drie brieven (VU-uitgeverij, Ÿ 12,50).
De vraag is: wat wil het Historisch Documentatiecentrum met deze uitgave? Volgens archivaris Hans Seijlhouwer wil men hiermee Colijn uit de ‘rellerige sfeer’ halen. In het NRC van 27 april verklaart hij: ‘Colijn moet niet de geschiedenis ingaan als de enige die in Indi‰ oorlogsmisdaden heeft begaan.’ Hiermij wekt hij de suggestie, en De Bruin deed dat voor de EO-microfoon ook al, dat de wijze waarop Langeveld Colijns optreden heeft behandeld, selectief en wellicht onbetrouwbaar zou zijn. Een absurde veronderstelling.
In zijn curieuze inleiding bij De slag om Tjakra Negara concludeert De Bruijn uit Langevelds opmerking dat de brief aan Colijns ouders minder betrouwbaar is dan die aan zijn vrouw, dat we Colijns wandaden misschien met een korreltje zout moeten nemen. De manier waarop De Bruijn reageert op het boek van Langeveld, met wie hij nog maar vier jaar geleden zo eendrachtig heeft samengewerkt, mag dan hoogst unfair zijn, het lamentabele verhaal over de ‘historische context’ waarin we Colijns oorlogsmisdaden moeten zien, is ronduit ergerlijk. In Nederland oordeelde men honderd jaar geleden anders over dit soort moordpartijen, wat onder meer zou blijken uit Colijns aansporing om zijn brieven ook door anderen te laten lezen, zodat wij ons er ook niet zo druk over hoeven te maken. Bij de presentatie van de Colijn-biografie merkte de Leidse hoogleraar P.W. Klein op: ‘We hebben gehoord dat we zijn optreden in zijn tijd moeten plaatsen. Je hoort dat nou nooit zeggen over Ilse Koch, Eichmann of Karadzic.’
Als je dit soort wandaden in hun historisch context wilt plaatsen, moet je ook de gehele context onder ogen willen zien. Wat op Lombok gebeurde, werd daarna op Atjeh, gedurende veel langere tijd, bloedige routine. En daar werd wel degelijk tegen geprotesteerd. Niet alleen door de sociaal-democraten – Albert Hahn wijdde menige prent aan de volkerenmoord – maar ook door het katholieke kamerlid De Stuers en zijn liberale collega Thomsom. Langeveld besteedt bovendien uitgebreid aandacht aan het optreden van kapitein Fanoy, die als christen grote bezwaren had tegen het ploertige optreden van het leger en aanvankelijk hoopte in medechristen Colijn een medestander te vinden.

Zelfs als de meerderheid van de bevolking, die weinig te horen kreeg van de excessen, het eens was met het optreden op Lombok en Atjeh, maakt dat het optreden van Colijn er niet beter op. Dat Colijn zich niet schaamde voor zijn daden, en wilde dat ook anderen zijn brieven lazen, wat zegt dat eigenlijk? In zijn boek Hitlers gewillige beulen schrijft Goldhagen uitgebreid over de foto’s die leden van de politiebataljons maakten van hun ‘werk’. De prentjes werden op het prikbord gehangen, zodat collega’s konden nabestellen. Voorzien van verklarende of ironische teksten werden deze foto’s naar het thuisfront gestuurd. Waarschijnlijk is volgens professor De Bruijn verontwaardiging hier evenmin op zijn plaats. Gezien de ‘historische context’ was het immers ‘normaal’.
EINDE TEKST DE GROENE AMSTERDAMMER
FRAGMENT OVER COLIJN, RECHTERHAND VAN VAN HEUTSZ IN
NEDERLANDS-INDIE
[78]
”Hoewel Van Heutz, die als gouverneur-generaal verantwoordelijk was voor het optreden van Van Daalen, in Nederland als held werd vereerd, was er ook kritiek. Die kwam niet alleen van socialisten, die sowieso tegen het kolonialisme waren,  maar ook van militairen die in Atjeh hadden gediend. ”

HISTORISCH NIEUWSBLAD

DE MEEDOGENLOZE STRIJD VAN NEDERLAND IN ATJEH

23 FEBRUARI 2017

https://www.historischnieuwsblad.nl/de-meedogenloze-strijd-van-nederland-in-atjeh/

[79]

JHR.MR. V.E.L. (VICTOR) DE STUERS

Katholiek Tweede Kamerlid en cultuurbeschermer. Zoon van een hoge KNIL-officier en Indisch bestuurder. Was aanvankelijk advocaat, maar is waarschijnlijk nooit in de rechtbank opgetreden. Kaartte via het Gids-artikel ‘Nederland op zijn smalst’ de verwaarlozing van de Nederlandse monumenten aan. Als chef van de afdeling Kunsten op Binnenlandse Zaken streed hij vanaf 1875 voor behoud en restauratie van gebouwen op het Binnenhof. Kwam in 1901 via het district Weert in de Tweede Kamer. Stelde daar, tot ongenoegen van zijn geestverwanten, de Nederlandse wandaden tijdens de Atjeh-oorlog openlijk aan de kaak. Gehandicapt door voetjicht.

Rooms-KatholiekenAlgemeene Bond (RKSP)
in de periode 1901-1916: lid Tweede Kamer

EINDE BRON PARLEMENT.COM

”In de Tweede Kamer werd er niet alleen kritiek geuit door de socialisten, maar ook door Atjeh-veteraan Lodewijk Thomson en het katholieke Kamerlid Victor de Stuers.”

HISTORISCH NIEUWSBLAD

DE MEEDOGENLOZE STRIJD VAN NEDERLAND IN ATJEH

23 FEBRUARI 2017

https://www.historischnieuwsblad.nl/de-meedogenloze-strijd-van-nederland-in-atjeh/

Zwarte bladzijde

Vanaf 1873 probeerden Nederlanders het opstandige Atjeh te ‘pacificeren’. Maar wat ze ook deden, nooit kregen ze het dwarse gebied er helemaal onder. De strijd ging bijna zeventig jaar lang door en kostte tienduizenden levens.

In zijn Max Havelaar (1860) laat Multatuli de 15-jarige Saïdjah ronddolen door ‘een dorp dat pas was veroverd door Nederlandsche soldaten, en dus in brand stond’. De huiveringwekkende argeloosheid van het woordje ‘dus’ geeft het wezen van de koloniale overheersing van de Indonesische archipel aan. Hoewel tegenwoordig nog vaak wordt benadrukt dat het koloniale bewind ook positieve kanten had en bijdroeg aan de modernisering van het uitgestrekte eilandenrijk, ging het hier natuurlijk om een bezetting door een buitenlandse mogendheid die met geweld haar wil oplegde.

Het Nederland van de negentiende eeuw waande zich buitengewoon ‘beschaafd’ en vond dat bloeddorstig optreden zoals in de beginjaren van de VOC niet meer kon. Toch hadden Nederlanders tussen 1825 en 1830, toen op Java een opstand woedde, nog zo’n 200.000 ‘inlanders’ over de kling gejaagd. Bovendien besloten ze in deze eeuw dat hun gezag niet beperkt moest blijven tot dat deel van de Indonesische archipel waar al vanaf de zeventiende eeuw de driekleur wapperde, maar dat alle eilanden volledig onder Nederlands bestuur moesten komen. Vaak was gewapend machtsvertoon al voldoende om de inheemse bevolking te onderwerpen, maar er was één plek waar dat absoluut niet werkte: in Atjeh, op de noordpunt van Sumatra.

Ministaatjes

Het dunbevolkte Atjeh bestond aanvankelijk uit een verzameling ministaatjes die vanaf de zestiende eeuw in naam werden geregeerd door een sultan. De voornaamste bronnen van welvaart waren de peperteelt en de piraterij. Tot 1871 werd Atjeh door Groot-Brittannië erkend als onafhankelijke staat, maar hierna kreeg Nederland vrij spel en kon het ook dit deel van Sumatra annexeren.

Machtige olèëbalangs

De Atjeeërs stonden bekend als trotse en fanatieke strijders, en al spoedig bleek deze reputatie volkomen terecht. Ook elders op Sumatra waren de Nederlanders op verzet gestuit, maar Atjeh zou een veel hardere noot blijken om te kraken.

De eerste, relatief kleine militaire expeditie, in april 1873, was een compleet fiasco, waarbij de bevelvoerende generaal Johan Köhler sneuvelde. Aan het eind van dat jaar landde een troepenmacht van 13.000 man op Sumatra onder bevel van generaal Jan van Swieten. Op 24 januari 1874 veroverden ze het versterkte paleis van de sultan in Koetaradja, het huidige Banda Atjeh. Dit werd gevierd als een grote overwinning, maar stelde niet zoveel voor. Niet alleen was de inderhaast gevluchte sultan in het oerwoud aan een ziekte overleden, zodat hij niet gedwongen kon worden de macht over te dragen, bovendien hadden de Nederlands een volkomen verkeerd beeld van de machtsverhoudingen in Atjeh.

De macht van de sultan was in werkelijkheid zeer beperkt. De feitelijke macht was vooral in handen van de ongeveer 150 oelèëbalangs, die ieder heersten over een aantal moekims (dorpen). De oelèëbalangs waren aanvankelijk leenmannen van de sultan, maar in de loop der tijd ontleenden ze hun macht vooral aan hun economisch dominante positie. Naast hun bestuurlijke en justitiële taak als zogenoemd adathoofd, waren ze actief als handelaren, vooral in peper en rijst.

Oppurtunistisch

Atjeh was dus een sterk verdeelde samenleving, en het heeft heel lang geduurd eer de Nederlandse autoriteiten begonnen te snappen hoe deze in elkaar zat. De verovering van de residentie van de sultan veranderde niets aan de machtsverhoudingen. De oelèëbalangs waren als typische handelaren buitengewoon opportunistisch, zodat ze de ene keer kozen voor de koloniale overheersers en zich even later weer aansloten bij het door de oelama’s geleide verzet. Meer dan twintig jaar lang bleef het Nederlandse gezag in Atjeh beperkt tot een vrij klein gebied rond Koetaradja, dat tegen enorme kosten verdedigd moest worden tegen voortdurende aanvallen van Atjeese verzetsstrijders, die een guerrillaoorlog voerden.

Strafexpedities

Doordat het niet lukte Atjeh te ‘pacificeren’, sloeg het koloniale bewind zowel binnenlands als internationaal een pleefiguur. Hoewel er tal van strafexpedities werden gehouden en Tjik di Tiro in 1891 door een omgekochte landgenoot was vergiftigd, kwam men geen stap dichter bij de overheersing van heel Atjeh. De druk om met een nieuwe, succesvolle strategie te komen was dan ook enorm, vooral toen in 1896 de belangrijkste Atjeese bondgenoot van de Nederlanders, de krijgsheer teukoe Oemar, overliep naar het verzet. (Teukoe was niet zijn voornaam, maar zijn titel, die erop wijst dat hij uit een familie van oelèëbalangs stamde.)

Die nieuwe strategie was inmiddels al uitgewerkt, door twee mannen die moeilijk meer van elkaar hadden kunnen verschillen. In 1892 had de arabist en islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje zijn Verslag omtrent de religieus-politieke toestanden in Atjeh ingediend bij de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Snouck had naam had gemaakt door zichzelf te besnijden en als moslim op bedevaart naar Mekka te gaan en daarover te publiceren. Hij sprak vijftien talen, waaronder Atjees, en had uitvoerig rondgereisd in het gebied. Hierbij had hij zijn moslimnaam Abd-el Ghaffar gebruikt, zodat de bevolking hem doorgaans vertrouwde.

Uit het veldonderzoek van Snouck bleek duidelijk dat de sultan nauwelijks invloed had, dat de oelèëbalangs in meerderheid zuivere opportunisten waren, en dat met de oelama’s niet te onderhandelen viel. De fanatieke moslimleiders voerden een heilige oorlog, die door Nederland alleen te winnen was door de vijand ‘zeer gevoelig [te] slaan’ en vervolgens ‘den voet op den nek’ te zetten. Deze harde aanpak diende gepaard te gaan met economisch beleid dat de bevolking ten goede kwam, zodat deze zich steeds meer zou distantiëren van het verzet. Hierdoor zouden ook de meeste oelèëbalangs eieren voor hun geld kiezen.

Contraguerrilla

Deze visie sloot nauw aan bij de opvattingen van een uiterst ambitieuze, zeer zelfverzekerde majoor die al jaren in Atjeh diende. Jo van Heutz (1851-1924) publiceerde in 1893 de brochure De onderwerping van Atjeh, waarin hij pleitte voor een offensieve, resolute aanpak. Hij was er echter geen voorstander van rücksichtslos alle dorpen plat te branden. Hij bepleitte een ‘chirurgisch’ militair ingrijpen van mobiele colonnes die vertrouwd waren met het terrein. Een hoofdrol was hierbij weggelegd voor het enkele jaren daarvoor opgerichte Korps Marechaussee te Voet, dat hoofdzakelijk bestond uit Ambonese en Javaanse soldaten, en dat enigszins te vergelijken was met hedendaagse special forces.

In 1898 werd Van Heutz, inmiddels bevorderd tot generaal-majoor, benoemd tot civiel en militair gouverneur van Atjeh. Met Snouck Hurgronje als zijn belangrijkste adviseur wist hij door middel van een energieke contraguerrilla de ene Atjeese verzetshaard na de andere op te rollen. Terwijl de fanatieke verzetsstrijders, die zich vrijwel nooit overgaven, keihard werden aangepakt, werden de oelèëbalangs beurtelings gestraft en beloond. Tegelijkertijd werd het voor de boerenbevolking veiliger en werd deze niet langer onder druk gezet door het gewapend verzet. In 1904 was de Nederlandse controle over Atjeh zozeer toegenomen dat Van Heutz op verlof kon naar het vaderland. Dit werd een ware zegetocht, die werd bekroond met zijn benoeming tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.

Genocidaal

Hoewel Van Heutz en Snouck Hurgronje streefden naar een ‘beheerste’ toepassing van militair geweld, liep het in Atjeh geregeld behoorlijk uit de hand en kreeg deze ‘pacificatie’ af en toe toch genocidale trekken. Dat bleek heel sterk tijdens de veldtocht in de afgelegen Gajo- en Alas-landen in het voorjaar en vroege zomer van 1904. Onder bevel van de beruchte luitenant-kolonel Frits van Daalen hielden 200 marechaussees, vergezeld van 450 dwangarbeiders, huis in dit uitgestrekte en dunbevolkte gebied.

Hier was geen sprake van ‘chirurgisch’ geweld, maar werden hele dorpen uitgemoord. Tijdens de expeditie werden 2902 ‘inlanders’ gedood, onder wie 1159 vrouwen en kinderen – dat was ongeveer een derde van de totale bevolking in deze streek.

Iconisch is de foto die werd genomen op 11 juni 1904, na de bestorming van de kampong Koeto Reh. Links van zijn marechaussees staat de trotse Van Daalen, terwijl op de grond de lijken van de omgebrachte Atjeeërs liggen. In totaal kwamen bij deze moordpartij 313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen om. Naast de enige marechaussee die niet op de borstwering staat, zit half verscholen onder wat stokken een kind dat de enige overlevende lijkt te zijn. Niemand weet wat er hierna met dit kind is gebeurd.

Zuinigheid

Van Daalen werd een jaar later benoemd tot gouverneur van Atjeh, en onder zijn bewind werd het idee van een ‘beheerste’ oorlogvoering helemaal losgelaten. Deze meedogenloze aanpak, die al spoedig ‘vandaalisme’ werd genoemd, kostte niet alleen veel Atjeeërs het leven, maar was ook volstrekt contraproductief en was er de oorzaak van dat het verzet weer oplaaide. Nog jarenlang werd er op Atjeh gevochten, en pas in 1918 werd de ‘pacificatie’ als voltooid beschouwd. Tot aan de Japanse verovering van Nederlands-Indië in 1942 zouden er echter in Atjeh verzetsgroepen actief blijven.

Hoewel Van Heutz, die als gouverneur-generaal verantwoordelijk was voor het optreden van Van Daalen, in Nederland als held werd vereerd, was er ook kritiek. Die kwam niet alleen van socialisten, die sowieso tegen het kolonialisme waren, maar ook van militairen die in Atjeh hadden gediend. Hieruit bleek dat het extreem bloedige karakter van de Atjeh-oorlog in het eerste decennium van de twintigste eeuw veel te maken had met een typisch Nederlandse eigenschap: zuinigheid. Doordat de marechausseecolonnes relatief klein waren, en de strafexpedities vaak weken duurden, was het niet mogelijk gevangenen mee te voeren.

Volgens een oud-officier bleven er dus slechts twee mogelijkheden over: ‘Doodt de gevangenen óf maakt allen af gedurende den overval en… opgelost is de moeilijkheid.’ Overigens meldde hij ook dat veel soldaten en tal van officieren er ‘een lolletje’ van maakten, en hun ‘werk’ met enorm enthousiasme uitvoerden. Maar de hoofdschuldige was de Nederlandse regering, ‘die zulke bloedbaden noodzakelijk maakt’.

Angst voor het verlies van Indië
Was er protest?

Beeldbepalend waren de spotprenten van Albert Hahn, die in de sociaal-democratische krant Het Volk fel protesteerde tegen de moordpartijen in Atjeh. Ook het links-liberale weekblad De Amsterdammer sprak schande van het optreden van luitenant-kolonel Frits van Daalen, en legde als eerste het verband tussen de ‘goedkope’ wijze van oorlogvoering en het extreem bloedige karakter ervan. Overigens was een van de argumenten dat Nederland op deze manier de ‘inlanders’ tegen zich in het harnas joeg, zodat het op den duur moeilijk zou worden om Nederlands-Indië te behouden.

In de Tweede Kamer werd er niet alleen kritiek geuit door de socialisten, maar ook door Atjeh-veteraan Lodewijk Thomson en het katholieke Kamerlid Victor de Stuers. Diepe indruk maakte in 1907 de artikelenserie in het Haagse dagblad De Avondpost, geschreven door ene ‘Wekker’, het pseudoniem van oud-officier W.A. van Oorschot. Hij had in Atjeh gediend en had met veel collega’s gesproken.

Ondanks de protesten destijds en de grote hoeveelheid informatie die er inmiddels over de gruwelijke Atjeh-oorlog beschikbaar is, heeft deze nog altijd geen opvallende plaats in het collectieve geheugen van Nederland gekregen.

Vooral Atjeeërs kwamen om
Duizenden slachtoffers

Wat betreft het aantal Atjeeërs dat tussen 1873 en 1942 door Nederlandse troepen werd omgebracht, lopen de schattingen uiteen van 50.000 tot 100.000. Het aantal gesneuvelde koloniale militairen – Nederlanders en Indonesiërs – bedroeg ongeveer 2000. Daarnaast bezweken, vooral in de beginjaren, nog eens 10.000 man aan allerlei tropische ziektes. Deze maakten nog veel meer slachtoffers onder de Indonesische dwangarbeiders die werden ingezet, en van wie er naar schatting 25.000 omkwamen.

EINDE ARTIKEL HISTORISCH NIEUWSBLAD

”Niet alleen door de sociaal-democraten – Albert Hahn wijdde menige prent aan de volkerenmoord – maar ook door het katholieke kamerlid De Stuers en zijn liberale collega Thomsom”

DE GROENE

DE BRIEVEN VAN COLIJN
6 MEI 1998
[80]
”Dit gebrek aan onderscheid tusschen strijders en gezeten bevolking ; dit solidair verantwoordelijk stellen der goedgezinden voor daden der kwaadwilligen ; dit verkapte repraisaille-stelsel,; dit straffen van vaak onschuldigen voor de daden der schuldigen ; deze uiting van onmacht in den hoogsten graad, wordt getoloreerd door een verlichte natie; wordt gelast door een beschaafd bestuur; maar wekt o ! zooveel haat en verbittering en o! zooveel onrust, maar…. brengt veel geld in de boetekas en…. gebrek aan tuchtigingsmateriaal ontbreekt nooit.
Ziedaar het huidig Atjeh-pacificatiestelsel ! ”
EN
” Op nog andere wijze worden hoofden en bevolking vaak, ondanks zich zelven, in den strijd gemengd. Onschuldige gampong- bewoners worden vaak afgemaakt.

Zoo is op Atjeh algemeen bekend het verhaal omtrent, een luitenant der cavalerie, die aan het zeestrand in Pedië, alwaar hij met den troep een bivak had betrokken, op een nacht een klewangaanval kreeg en uit weerwraak den volgenden ochtend den haria keudé, in de buurt waarvan hij in bivak lag, het hoofd afsloeg, omdat deze den commandant niet in tijds had gewaarschuwd. Voor dit geval moet genoemde officier eenige dagen arrest gekregen hebben. In Pedië boete moetende innen in vijf gampongs, liet een patrouille- commandant de vijf keutji’s komen en gaf hun 15 minuten tijd om de boete in geld in te leveren.
Na verloop van die 15 minuten was de boete nog niet ingeleverd en werd de eerste keutji neergeschoten, omdat hij niets had meegebracht; de tweede onderging om dezelfde reden hetzelfde lot, ; de derde, vierde en vijfde brachten eenige dollars.
Zoo gaat in Atjeh het verhaal van een civiel gezaghebber in Pedië, die, onmachtig het herhaald opbreken der rails van de trambaan in zijn gebied te beletten, eindelijk eenige kwaadwilligen, die hem in handen vielen, dwars over de rails heeft laten binden en een locomotief over hunne lichamen laten rijden.”

DEEL 6
 HOE BESCHAAFD NEDERLAND IN DE TWINTIGSTE EEUW VREDE EN ORDE SCHEPT OP ATJEH
ORIGINELE BRON
HOE BESCHAAFD NEDERLAND IN DE TWINTIGSTE EEUW VREDE EN ORDE SCHEPT OP ATJEH
Door WEKKER
Oud-Maréchaussée-Officier van het Nederlandsch Oost-Indisch leger.Overdrukken uit het haagse dagblad “de Avondpost”, Avondpostdrukkerij, ‘s-Gravenhage, 1907.

[81]
HOE BESCHAAFD NEDERLAND IN DE TWINTIGSTE EEUW VREDE EN ORDE SCHEPT OP ATJEH
Door WEKKER
Oud-Maréchaussée-Officier van het Nederlandsch Oost-Indisch leger.Overdrukken uit het haagse dagblad “de Avondpost”, Avondpostdrukkerij, ‘s-Gravenhage, 1907.

[82]
”Niet alleen door de sociaal-democraten – Albert Hahn wijdde menige prent aan de volkerenmoord – maar ook door het katholieke kamerlid De Stuers en zijn liberale collega Thomsom.”
GROENE
DE BRIEVEN VAN COLIJN
6 MEI 1998
WIKIPEDIA
ALBERT HAHN
[83]
[VOORZITTER VAN HET UITVOEREND COMITE VAN DE COMMISSIE TOT HULDIGING VAN DE NAGEDACHTENIS VAN GENERAAL JOHANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ]
”Majesteit, Koninklijke Hoogheid, Excellenties, dames en heren.
Het zij mij, als voorzitter van het uitvoerend Comite van de Commissie tot Huldiging  van de nagedachtenis van generaal Johannes Benedictus Van Heutsz vergund in de eerste plaats Uwe Majesteit eerbiedig dank te betuigen voor haar aanwezigheid hier en in het byzonder voor de toezegging gedaan, persoonlijk het monument te onthullen van den bevestiger van van het Nederlandsche gezag in den geheelen Indischen Archipel…”
EX PROVO JAN BRUENS OVER ZIJN BOM BIJ HET VAN HEUTSZ MONUMENT
[Met beelden van de onthulling van het Van Heutsz standbeeld door Koningin Wilhelmina]
[84]
WIKIPEDIA
DEKOLONISATIE
[85]

TOESPRAAK FEMKE HALSEMA TIJDENS KETI KOTI, DE NATIONALE HERDENKING VAN DE AFSCHAFFING VAN DE SLAVERNIJ

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt is er tot de dag van vandaag. Het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Een lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in de stad was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een slavernijmuseum in het leven te roepen. En door verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
De stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers en kunstenaars. We bouwen en breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek kunnen vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
Niet als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. Dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. Niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad wordt. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijkwaardige en werkelijk vrije mensen.

Dank u wel.

ZIE OOK:
YOUTUBE.COM

STRATEN CENTRUM EILAND WORDEN VERNOEMD NAAR STRIJDERS TEGEN SLAVERNIJ

https://www.youtube.com/watch?v=pnRhdODP0x4

TRANSCRIPTIE
TEKST
Excellenties, dames en heren, Geachte aanwezigen,

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt in onze samenleving is er tot de dag van vandaag. En het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Het is een  lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in Amsterdam was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een Nationaal slavernijmuseum in het leven te roepen binnen onze stadsgrenzen. En door onze verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
Onze stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers, mensen, kunstenaars. We bouwen, we  breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek gaan vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
En niet alleen als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. En dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. En niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele, vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad is. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijke en werkelijk vrije mensen.

Dank u wel

[86]

YOUTUBE.COM

STRATEN CENTRUM EILAND WORDEN VERNOEMD NAAR STRIJDERS TEGEN SLAVERNIJ

https://www.youtube.com/watch?v=pnRhdODP0x4

HET PAROOL

27 STRATEN VERNOEMD NAAR STRIJDERS TEGEN KOLONIALE OVERHEERSING

1 AUGUSTUS 2019

https://www.parool.nl/amsterdam/27-straten-vernoemd-naar-strijders-tegen-koloniale-overheersing~b8738a1e/

TEKST

Op het nieuwe Centrumeiland krijgen 27 strijders tegen de koloniale overheersing een straatnaam. Samen openen de mannen en vrouwen een boek dat maar weinig Nederlanders kennen.

Toedeledokie, geuzenkapitein Taems Fredericksz, kanonnenbouwer Hendrik Trier en de andere helden van de Slag om de Zuiderzee van 1573, welkom Louis Doedel, Roestam Effendi, Quashiba en ruim twintig andere strijders tegen de Nederlandse overheersing in de voormalige kolonies.

Want zij zijn het die een straat naar zich vernoemd krijgen op het Centrumeiland op IJburg. Op initiatief van burgemeester Femke Halsema maken de vaderlandse mannen met baarden van weleer plaats voor een gemengd boeket van mannen en vrouwen die de koloniale macht bevochten in woorden en daden.

Femke Halsema

Bij de herdenking in het Oosterpark van de afschaffing van de slavernij lichtte Halsema al een tipje van de sluier op. “Wij willen dat Amsterdam ieders stad wordt,” zei de burgemeester bij die gelegenheid, “waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen. Een stad van gelijkwaardige en werkelijke vrije mensen.”

Met de interventie gaf Halsema trouwens gehoor aan een oproep van de gemeenteraad om meer diversiteit te brengen in het aanbod van Amsterdamse straatnamen. Ook het stadsdeel Oost plaatste eerder kanttekeningen bij het gekozen thema Slag om de Zuiderzee, omdat zich onder de rauwdouwers geen enkele vrouw bevond.

De nieuwe oogst is een weloverwogen, keurige selectie geworden, met verzetsmensen uit Suriname, Indonesië en van de Nederlandse Antillen, maar ook schrijvers als Frank Martinus Arion, Julius Koenders en Cola Debrot. Uit de amusementswereld zijn Max Woiski senior en junior in de prijzen gevallen: zij krijgen samen de Woiskistraat.

Sommige straatnamen herinneren aan een pikzwarte bladzijde uit de geschiedenis. Janey Tetary werd in 1884 in Suriname gefusilleerd nadat zij een protest had georganiseerd tegen de arbeidsomstandigheden van de contractarbeiders. Vakbondsleider Louis Doedel verbleef op last van het koloniaal gezag 43 jaar in een psychiatrische inrichting.

Een opborrelende les uit het overzicht: wie geen zin heeft om voor het vuurpeloton te verschijnen, doet er verstandig aan de vijand met de pen te bevechten. Frank Martinus Arion ontving een ridderorde voor zijn kritische proza, Tip Marugg een nominatie voor de AKO Literatuurprijs, Boelie van Leeuwen de Cola Debrotprijs.

Ook opmerkelijk zijn de communisten op de lijst, toch een doelgroep waar tegenwoordig niet snel naar wordt gekeken als er een straatnaam te vergeven valt. Surinamer Otto Huiswoud was medeoprichter van de Communistische Partij in de Verenigde Staten, de Indonesische Tan Malaka agent voor de Komintern in Zuidoost-Azië.

Brede goedkeuring

Met elkaar gemeen hebben de 27 mannen en vrouwen dat zij samen een boek openslaan dat vermoedelijk weinig mensen hebben gelezen. Eerlijk zeggen: wie heeft gehoord van de Javaanse prins Diponegoro, die tussen 1825 en 1830 op zijn eiland een bloedige opstand leidde tegen het Nederlandse bewind?

Of van Virginia Dementricia, een slavin die in de negentiende eeuw op Aruba geen mogelijkheid onbenut liet om het gezag het leven zuur te maken? Of van Thomas Matulessy alias Pattimura, die op Ambon in 1817 een opstand leidde tegen het koloniaal gezag, een actie die naar de Nederlandse mores van toen leidde tot zijn ophanging?

De olympische ploeg van de koloniale kritiek heeft de goedkeuring van de Amsterdamse straatnamencommissie, het Koninklijk Instituut van Land, Taal en Volkenkunde en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost, die zich alle drie over de namenlijst hebben gebogen en er hun fiat aan gaven.

Het slavernijinstituut Ninsee organiseerde in mei een panelgesprek met vertegenwoordigers van de zogenoemde grassrootorganisaties. Ook deze deskundigen gingen akkoord met de lijst. Daarmee is ook meteen het laatste woord gesproken, want de vernoeming van straatnamen staat niet open voor bezwaar of beroep.

EINDE ARTIKEL HET PAROOL

[87]

HART VAN NEDERLAND
HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDING INDIE-MONUMENT
”DIT IS ONACCEPTABEL”

De gemeente Amsterdam doet aangifte van de bekladding van het Monument Indië Nederland. Burgemeester Femke Halsema van Amsterdam vindt het, na eerdere soortgelijke incidenten, tijd een grens te stellen.

“Wij zullen vanaf nu altijd aangifte doen bij bekladding of vernieling van gemeentelijk bezit”, laat ze zondag weten. Ook de Federatie Indische Nederlanders (FIN) meldt aangifte te doen. “Onze monumenten, gebouwen en beelden zijn onderdeel van de Amsterdamse geschiedenis”, aldus Halsema. “Die geschiedenis verdient discussie en daar staan we voor open. Bekladding en vernieling zijn onacceptabel. Ik wil dat mensen afblijven van ons gezamenlijk bezit in de openbare ruimte.”

Rode verf

Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid bleek zondag te zijn beklad met rode verf. Bij de bekladding staat geschreven: “Van Heutsz leeft! Stop alle vormen van racisme! Next stop: Coentunnel”.

Een politiewoordvoerder liet weten dat de politie onderzoek doet naar de zaak.

Militaire held

Het gedenkteken is ooit opgericht ter herinnering aan Joannes van Heutsz, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 1904 tot en met 1909. Van Heutsz werd aanvankelijk gezien als militaire held omdat hij Atjeh veroverde. Koningin Wilhelmina onthulde het bakstenen monument aan het Olympiaplein in Amsterdam Oud-Zuid in 1935.

EINDE ARTIKEL

TROUW

HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDEN INDIE MOMUMENT

https://www.trouw.nl/binnenland/halsema-doet-aangifte-van-bekladden-indie-monument~b18f8d92/#:~:text=Het%20Monument%20Indi%C3%AB%20Nederland%20in,is%20beklad%20met%20rode%20verf.&text=2020%2C%2020%3A09-,De%20gemeente%20Amsterdam%20doet%20aangifte%20van%20de%20bekladding%20van%20het,om%20een%20grens%20te%20stellen.

Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid is beklad met rode verf.

De gemeente Amsterdam doet aangifte van de bekladding van het monument. Burgemeester Femke Halsema van Amsterdam vindt het, na eerdere soortgelijke incidenten, tijd om een grens te stellen. “Wij zullen vanaf nu altijd aangifte doen bij bekladding of vernieling van gemeentelijk bezit”, liet ze gisteren weten. Ook de Federatie Indische Nederlanders meldde aangifte te doen.

“Onze monumenten, gebouwen en beelden zijn onderdeel van de Amsterdamse geschiedenis”, aldus Halsema. “Die geschiedenis verdient discussie en daar staan we voor open. Bekladding en vernieling zijn onacceptabel. Ik wil dat mensen afblijven van ons gezamenlijk bezit in de openbare ruimte.”

Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid bleek gisteren te zijn beklad met rode verf. Bij de bekladding staat geschreven: Van ‘Heutsz leeft! Stop alle vormen van racisme! Next stop: Coentunnel.’

Het gedenkteken is ooit opgericht ter herinnering aan Joannes van Heutsz, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 1904 tot en met 1909. Van Heutsz werd aanvankelijk gezien als militaire held omdat hij Atjeh veroverde.

Na de onthulling in 1935 kreeg het monument veel kritiek omdat de visie op het koloniale verleden van Nederland veranderde. Men zag Van Heutsz steeds meer als koloniale massamoordenaar.

In 2001 besloot het stadsdeel dat het niet langer een ereteken is voor Van Heutsz en werd de nieuwe naam bekend: Monument Indië Nederland.

De afgelopen tijd zijn op verschillende plaatsen beelden en panden beklad die verwijzen naar het koloniale verleden van Nederland, waaronder het Tropenmuseum in Amsterdam en het beeld van Piet Hein in Rotterdam. anp

EINDE ARTIKEL TROUW

[88]

”In 1898 kreeg hij met zijn benoeming tot civiel en militair gouverneur van Atjeh de kans het hele programma uit te voeren. In het beeld van Van Heutsz overweegt de herinnering aan het militaire geweld, maar het is op z’n minst rechtvaardig er ook aan te herinneren hoe hij als gouverneur van Atjeh zich verzette tegen het elders verwerken van de zojuist in Atjeh gevonden aardolie door de Koninklijke Olie. Het economisch voordeel daarvan moest aan de bevolking van Atjeh ten goede komen. “Het gaat toch niet aan dat de ontwikkeling van het gewest opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die eens bijzonder voordelig exploiteren wil”, schreef hij de gouverneur-generaal in Batavia. Maar Van Heutsz miskende het bijzondere karakter van de misprijzend als ‘een maatschappij’ aangeduide Koninklijke. De minister van koloniën in Den Haag liet de gouverneur-generaal weten dat Van Heutsz moest inbinden.”

TROUW

PARADOX VAN EEN ONTTAKELDE HELD

19 JANUARI 1999

https://www.trouw.nl/nieuws/paradox-van-een-onttakelde-held~b98e8ba9/

De actualiteit van Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) omspant deze hele eeuw. In 1902 werd hij in Nederland met eerbewijzen overladen als ‘pacificator van Atjeh’. Nu, aan het einde van de eeuw, scharen de Atjehers zich nog steeds niet onder het gezag van Jakarta en komen er van noord-Sumatra dezelfde berichten als honderd jaar geleden: guerrilla en schending van mensenrechten.

Toen en nu zag Van Heutsz kans volstrekt tegengestelde reacties op te roepen. Aan het begin van deze eeuw was er in de Tweede Kamer (niet alleen aan de linkerzijde) een kleine en hardnekkige kern, die vol afschuw over het optreden van de militaire en civiele gouverneur van Atjeh sprak. Aan het eind van de eeuw, in 1893 kwam de Nederlandse ambassadeur in Jakarta naar Atjeh met een door oud-Knil-militairen betaalde kopie van een plaquette met Van Heutsz’ kop voor het gouvernementshuis of het museum in de hoofdstad Banda Atjeh. De ambassadeur deed dat op verzoek van een tot minister gepromoveerde oud-gouverneur van Atjeh.

“Het eerste Nederlandsch-fascistische machtsvertoon” noteerde de schrijver, Frans Coenen bij Van Heutsz’ pompeuze herbegrafenis vanuit het paleis op de Dam op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Dat was op 9 juni 1927 – dus vijf jaar na Mussolini’s mars op Rome en vijf jaar voor Hitlers aantreden als rijkskanselier. “Créateur de valeurs” karakteriseerde op 15 juli 1935 de toenmalige premier Hendrikus Colijn hem bij de onthulling door koningin Wilhelmina van het Van Heutsz-monument bij het Olympiaplein in Amsterdam. Colijn doelde daarbij vooral op de door Van Heutsz’ overwinningen verwerkelijkte eenheid van de kolonie. Een mooie paradox: de Indonesische president Soekarno maakte in de jaren vijftig, dwars tegen Nederland en Colijns erfgenamen in, hetzelfde thema tot zijn ideaal: ‘Van Sabang tot Merauke’.

In 1892 schreef majoor Van Heutsz in een brochure, teleurgesteld door het (zo’n 20 jaar durende) falen van het Indische leger, dat “de Atjehers zich nooit anders dan gedwongen zullen onderwerpen en dat slechts hij, die toont de macht te bezitten om zijn wil te doen eerbiedigen, de meester zal zijn, aan wiens bevelen zij zich zullen onderwerpen”.

In 1898 kreeg hij met zijn benoeming tot civiel en militair gouverneur van Atjeh de kans het hele programma uit te voeren. In het beeld van Van Heutsz overweegt de herinnering aan het militaire geweld, maar het is op z’n minst rechtvaardig er ook aan te herinneren hoe hij als gouverneur van Atjeh zich verzette tegen het elders verwerken van de zojuist in Atjeh gevonden aardolie door de Koninklijke Olie. Het economisch voordeel daarvan moest aan de bevolking van Atjeh ten goede komen. “Het gaat toch niet aan dat de ontwikkeling van het gewest opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die eens bijzonder voordelig exploiteren wil”, schreef hij de gouverneur-generaal in Batavia. Maar Van Heutsz miskende het bijzondere karakter van de misprijzend als ‘een maatschappij’ aangeduide Koninklijke. De minister van koloniën in Den Haag liet de gouverneur-generaal weten dat Van Heutsz moest inbinden.

Een paar jaar later, zelf gouverneur-generaal in Batavia, botst Van Heutsz weer op Den Haag. Hij heeft tot groot ongenoegen van de Nederlandse gemeenschap in Indië een subsidie gegeven aan het tijdschrift Bintang Hindia dat op een voorzichtige wijze leiding probeerde te geven aan de culturele ontwikkeling van de enigszins geschoolde Indonesiërs, onder wie nogal wat militairen van Indonesische afkomst. Dat paste in Van Heutsz’ beleid, net als zijn steun aan de ontwikkeling van het volksonderwijs, want bedenk wel: hij was benoemd door minister Idenburg om diens ‘ethische’ politiek in Indië uit te voeren. Van de kritiek in Indië trok Van Heutsz zich niets aan – zo was nu eenmaal zijn karakter – maar de arm van zijn tegenstanders was lang. Idenburgs opvolger als minister in Den Haag kwam er tenslotte aan te pas om het subsidie aan het tijdschrift te verbieden.

In de jaren zestig was het Van Heutsz-monument in Amsterdam het mikpunt van de voor deze nuances niet zo toegankelijke provo’s. “Zou er in deze stad een standbeeld van Van Heutsz staan, / men moest het onopvallend maar vandaag nog slopen” dichtte J.B. Charles in die jaren in zijn cyclus over Amsterdam, maar hij vond merkwaardig genoeg het eerst weerklank in Coevorden, Van Heutsz’ geboortestad, waar ook een Van Heutsz-monument staat. Twee studenten richtten hun actie tegen dat beeld om ‘de groei van de fascistische gedachte in deze tijd’ te bestrijden. Eén van hen was de 22-jarige Relus ter Beek, die het nog tot minister van defensie en commissaris van de Koningin in Drenthe bracht, ondanks het strafblad (vijftig gulden boete of tien dagen hechtenis) dat hij toen opliep.

Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, in een uithoek van Amsterdam (en daarom onttrokken aan het oog van oproerkraaiers) ligt Van Heutsz begraven in een negen meter diepe grafkelder onder een on-Nederlands ogend (3,5 meter hoog en 2,5 meter breed) mausoleum van grijsrood en onverwoestbaar Zweeds graniet van de architect D. Rosenberg en met merkwaardig, art déco-achtig beeldhouwwerk van B. Ingen Housz.

Het in 1932 in Batavia, naar een ontwerp van Dudok gebouwde monument hebben de Indonesiërs na de oorlog gesloopt. Het andere Amsterdamse monument (van de architect G. Friedhoff en de communistische – alweer zo’n paradox – beeldhouwer Frits van Hall) is inmiddels onttakeld doordat de plaquette met Van Heutsz’ portret is verdwenen.

Misschien is er aanleiding alsnog een plaquette aan te brengen en dan liefst niet met de beeltenis van een martiale militair, maar van een civiele bestuurder uit de tropen die in voorgalerij van zijn huis, in pyjama, pantoffel bungelend aan zijn voet, een sigaartje rookt. Dat beeld hebben zijn bewonderaars ons ook geschilderd.

EINDE ARTIKEL TROUW

”Hij vond dat de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij, de toekomstige Shell, de olie die in Atjeh gevonden werd regionaal moest verwerken, zodat de bodemschatten zoveel mogelijk ten dienste kwamen van de plaatselijke bevolking.”

EEN BIOGRAFIE VAN ONZE NATIONALE BOEMAN J.B. VAN HEUTSZ

https://biografieportaal.nl/recensie/een-biografie-van-onze-nationale-boeman-j-b-van-heutsz/

Amsterdam stroomde massaal uit voor de herbegrafenis van Jo van Heutsz op 9 juni 1927. Een foto uit het familiearchief toont de mensenmassa aan beide zijden van de Plantage Middenlaan, van het Wertheimpark tot aan Brug nr. 264. De stoet was vertrokken vanaf het Paleis op de Dam en passeerde Artis, op weg naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar een mausoleum voor de generaal was opgericht. Koningin Wilhelmina gunde de ‘bedwinger van Atjeh’ een heuse staatsbegrafenis, eega Hendrik begeleidde de baar naar zijn laatste rustplaats.

Acht jaar later opende Wilhelmina het Van Heutszmonument in het plantsoen van het Olympiaplein aan de Apollolaan in de Stadionbuurt. Op het moment suprême, de onthulling van de bronzen plaquette met de beeltenis van Van Heutsz, bleken actievoerders de begeleidende vrouwenfiguur van een beha te hebben voorzien. Sindsdien is de rust eigenlijk nooit meer weergekeerd in de stad.

Het monument werd een doelwit voor graffiti, bomaanslagen en diefstal. In 2003 had de stadsdeelraad van Amsterdam Oud-Zuid er genoeg van. Het Van Heutszmonument werd omgedoopt tot het Monument Indië-Nederland.

Moreel ongemak

Vilan van de Loo schreef met Uit naam van de majesteit. Het leven van J.B. van Heutsz 1851-1924 een meesterlijke biografie. Haar opzet? ‘Met dit boek hoop ik het morele ongemak ten opzichte van het koloniale verleden te vergroten,’ schrijft ze bij wijze van inleiding. Van Heutsz is sinds de jaren dertig uitgegroeid tot nationale boeman van ons koloniale verleden. Hij was verantwoordelijk voor de dood van tienduizenden inlanders die tijdens de laatste fase van de onderwerping van het gewest omgekomen zijn. Van Heutsz paarde militaire daadkracht aan een zo snel mogelijke ‘pacificatie’ van de veroverde gebieden, door de aanleg van spoorlijnen en wegen. Met zoveel ‘beschaving’ moest hij toch de harten en de hoofden van de inlandse bevolking kunnen winnen. Niet dus. In zijn verslagen van de expedities op Bali in 1906 berichtte Van Heutsz aan het thuisfront in Den Haag hoe de radja en zijn volgelingen ongewapend en in het wit gekleed het schietende leger tegemoet traden, hetgeen ‘geen prettige indruk’ maakte op de dienstdoende militairen.

De strategie van Van Heutsz sloot naadloos aan op de ethische politiek die Nederland aan het begin van de twintigste eeuw had ingezet. Sterker nog, Van Heutsz legde daarin verschillende accenten die de goede bedoelingen van Den Haag behoorlijk voorbijstreefden. Hij schafte tot grote woede van de Europese ambtenaren de hormat af, het eerbetoon dat inlandse hoofden aan gouvernementsdienaren verschuldigd waren. Van Heutsz stelde het ambtenarenkorps open voor inlanders en voegde de daad bij het woord door Raden Joesoema Joedha tot aspirant-controleur bij het Binnenlands Bestuur te benoemen. Voortaan commandeerden de ‘overheerschten’ de ‘beheerschers’, schreef Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië verontwaardigd. Hij vond dat de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij, de toekomstige Shell, de olie die in Atjeh gevonden werd regionaal moest verwerken, zodat de bodemschatten zoveel mogelijk ten dienste kwamen van de plaatselijke bevolking. Voor het behoud van de kolonie was het noodzakelijk een ‘weerplicht voor inlanders’ in te voeren, een militaire dienstplicht dus, al kon die zich vroeg of laat tegen de kolonisator keren. Na zijn pensioen zette hij zich in voor het meisjesonderwijs op Java en investeerde hij in de ‘Indische kas’ die de opleiding van inlandse jongens mogelijk moest maken. Hij ijverde voor aanzienlijke investeringen in de Oost, terwijl de voorstanders van de ethische politiek hun goede geweten het liefst gecombineerd zagen met forse bezuinigingen op het wingewest. Daarbij moest Van Heutsz niets weten van hun kersteningsbedoelingen. Hij was een voorstander van godsdienstvrijheid, een principiële keuze ten aanzien van de overheersende islam. Wat dat betreft stond hij op één lijn met arabist Christiaan Snouck Hurgronje, zijn belangrijkste adviseur tot aan de komst van Hendrik Colijn.

Roddel en achterklap

Toekomstig minister-president en belangrijkste vertrouweling Colijn vond van Van Heutsz overigens ‘geen man van studie’ en ‘geen bekwaam man in de dagelijksche zin van het woord’, zo liet hij minister van koloniën Idenburg in een persoonlijk schrijven weten. Wel durfde Van Heutsz ‘de moed der verantwoordelijkheid’ te dragen – kortom, de kop van Jut te zijn als het er op aankwam. Roddel en achterklap waren nogal geduchte wapens in het gouvernementsbestuur. Het huwelijk van Van Heutsz zou vanwege zijn buitenechtelijke escapades op springen staan. Die geruchten werden ook breed uitgemeten in de opmerkelijk vrijmoedige pers in Nederlands-Indië, die Van Heutsz bepaald niet altijd goed gezind was. Toen hij in 1909 afscheid nam als gouverneur-generaal, haalde Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië opgelucht adem. Oef! kopte het dagblad. En dat zeiden de overwegend conservatieve ambtenaren ook. Oef! De generaal die Willemsordes maar onzin vond, een warm pleitbezorger was van vrouwenkiesrecht en persoonlijke talenten belangrijker vond dan anciënniteit had niet al te veel vrienden in ‘ons Indië’ gemaakt.

Onvoltooid tegenwoordige tijd

Voor Van Heutsz had de staatsbegrafenis van 1927 niet gehoeven. Het was zijn uitdrukkelijke wens om op het kerkhof van Cares in de buurt van Montreux met rust gelaten te worden. De laatste jaren van zijn leven had hij in Zwitserland doorgebracht, ver weg van de ‘betweters’ in Den Haag, met wie het nooit zo geboterd had. De familie, jongste zoon Willem Charles daargelaten, was door de Commissie tot Huldiging van de nagedachtenis van Generaal J.B. van Heutsz niet gekend in het gezeul met het stoffelijke overschot. Dochter Mathilde en schoonzoon Van der Weijden lieten weten op de geplande datum van de staatsbegrafenis andere verplichtingen te hebben. Hun afwezigheid vond de Commissie, met als erevoorzitter prins Hendrik, geen onoverkomelijk bezwaar.

Net als bij een standbeeld gaat het bij zo’n staatsbegrafenis allang niet meer om de persoon in kwestie, laat staan om de familie. Het gaat om wat hij of zij – onvoltooid tegenwoordige tijd – betekent. Geschiedenis is, om Pieter Geyl te citeren, ‘een discussie zonder eind’. Vilan van de Loo schetst met Uit naam van de majesteit. Het leven van J.B. van Heutsz 1851-1924 een interessant beeld van de erosie die bij een dergelijke betekenistoekenning kan plaatsvinden. Het is geenszins haar bedoeling om de excessen die onder Van Heutsz plaatsvonden goed te praten. Maar hij was de exponent van een vaderland dat zijn imperialistische aspiraties in de allerbeste ethische bedoelingen had verpakt. Dat verleden poets je niet weg door die op het conto van één man te schrijven, om van die man vervolgens een karikatuur te maken. Dat is het ‘morele ongemak’ waarmee Van de Loo ons confronteert. En daarvoor verdient ze alle lof.

EINDE ARTIKEL

[89]

VAN HEUTSZ ALS KOLONIALE MASSAMOORDENAAR:

ZIE NOTEN 53,54,57,58,59 EN 60

[90]

HART VAN NEDERLAND
HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDING INDIE-MONUMENT
”DIT IS ONACCEPTABEL”

TROUW

HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDEN INDIE MOMUMENT

https://www.trouw.nl/binnenland/halsema-doet-aangifte-van-bekladden-indie-monument~b18f8d92/#:~:text=Het%20Monument%20Indi%C3%AB%20Nederland%20in,is%20beklad%20met%20rode%20verf.&text=2020%2C%2020%3A09-,De%20gemeente%20Amsterdam%20doet%20aangifte%20van%20de%20bekladding%20van%20het,om%20een%20grens%20te%20stellen.

ZIE VOOR VOLLEDIGE TEKSTEN, NOOT 87

[91]

”Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid bleek gisteren te zijn beklad met rode verf. Bij de bekladding staat geschreven: Van ‘Heutsz leeft! Stop alle vormen van racisme! Next stop: Coentunnel.’

TROUW

HALSEMA DOET AANGIFTE VAN BEKLADDEN INDIE MOMUMENT

https://www.trouw.nl/binnenland/halsema-doet-aangifte-van-bekladden-indie-monument~b18f8d92/#:~:text=Het%20Monument%20Indi%C3%AB%20Nederland%20in,is%20beklad%20met%20rode%20verf.&text=2020%2C%2020%3A09-,De%20gemeente%20Amsterdam%20doet%20aangifte%20van%20de%20bekladding%20van%20het,om%20een%20grens%20te%20stellen.

HART VAN NEDERLAND

OPNIEUW MONUMENT IN AMSTERDAM BEKLAD MET RODE VERF. ”NEXT STOP : COENTUNNEL”

https://www.hartvannederland.nl/nieuws/2020/opnieuw-monument-amsterdam-beklad-indie-nederland-amsterdam-beklad/

TEKST

Het Monument Indië Nederland in Amsterdam Oud-Zuid is beklad met rode verf. Dat bevestigt een politiewoordvoerder. De politie doet onderzoek naar de zaak.

Presentator Tom Egbers twitterde zondagochtend een foto van het bekladde monument. Bij de bekladding staat geschreven: “Van Heutsz leeft! Stop alle vormen van racisme! Next stop: Coentunnel #BLM”.

Militaire held

Het gedenkteken is ooit opgericht ter herinnering aan Joannes van Heutsz, Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 1904 tot en met 1909. Van Heutsz werd aanvankelijk gezien als militaire held omdat hij Atjeh veroverde. Koningin Wilhelmina onthulde het bakstenen monument aan het Olympiaplein in Amsterdam Oud-Zuid in 1935.

Na de onthulling kreeg het monument veel kritiek omdat de visie op het koloniale verleden van Nederland veranderde. Mensen zagen Van Heutsz steeds meer als koloniale massamoordenaar. In 1967 en 1984 waren er twee mislukte bomaanslagen bij het monument.

In 1997 neemt het stadsdeel Oud-Zuid de eerste stappen de betekenis ervan te veranderen. Het stadsdeel besluit in 2001 dat het monument niet langer een ereteken is voor Van Heutsz en wordt de nieuwe naam bekend: Monument Indië Nederland.

Koloniale beelden

De afgelopen tijd zijn op verschillende plaatsen beelden en panden beklad die verwijzen naar het koloniale verleden van Nederland, waaronder het Tropenmuseum in Amsterdam en het beeld van Piet Hein in Rotterdam. Eerder deze week bleek ook het standbeeld van Mahatma Gandhi op de Churchilllaan in Amsterdam met rode verf te zijn beklad.

In het buitenland zijn standbeelden van bijvoorbeeld slavenhandelaren omvergehaald. Het zijn antiracistische uitingen die volgen op de gewelddadige dood van de Amerikaan George Floyd door toedoen van een witte politieman.

De politiewoordvoerder laat weten de bekladding van het Monument Indië Nederland vooralsnog als afzonderlijke zaak te zien. Wel wordt er gekeken of er een link is tussen de bekladdingen van de afgelopen tijd, zegt ze.

EINDE ARTIKEL HART VAN NEDERLAND

EINDE NOTENAPPARAAT

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!